Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-01-22
ECLI:NL:RBNNE:2024:525
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,452 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Assen
zaak-/rekestnummer: C/19/144670 / FA RK 23-1507
beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 22 januari 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.S. Scheffers, kantoorhoudende te Hoogezand,
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
1Het (verdere) procesverloop
1.1.
Bij (tussen)beschikking van 28 november 2023, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, heeft de rechtbank vastgesteld dat het verzoek over de uitbreiding van de omgangsregeling alleen nog ziet op [minderjarige]. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw om de voogd opdracht te geven een nieuwe ouderschapsbeoordeling uit te (laten) voeren niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft de rechtbank beslist dat onvoldoende informatie beschikbaar was om een oordeel te kunnen geven over uitbreiding van de omgangsregeling tussen de vrouw en [minderjarige]. De rechtbank heeft de GI de opdracht gegeven om aanvullende stukken te overleggen die zien op: de evaluatie van de omgang in juli 2023, de verslagen van Comfortzorg van de omgangsmomenten tussen de vrouw en [minderjarige] over het afgelopen jaar en de verslaglegging van de mogelijke effecten van de omgangsmomenten met de vrouw op [minderjarige] in de woongroep.
1.2.
De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van:
de stukken van de GI (zonder begeleidend schrijven), ingekomen op 12 december 2023;
het schrijven van mr. Scheffers namens de vrouw, ingekomen op 27 december 2023.
1.3.
Tenslotte is bepaald dat deze beschikking wordt gegeven.
2De (verdere) beoordeling
2.1.
Naar aanleiding van de stukken die door de GI zijn overgelegd, heeft de vrouw naar voren gebracht dat zij geen reden ziet om haar standpunt en stellingen te wijzigen. De informatie die door de GI is overgelegd is volgens de vrouw onvolledig. Er mist informatie over de omgangsmomenten aan het begin van het jaar toen [minderjarige] nog bij [instelling] verbleef. De omgangsmomenten verliepen toen heel positief. Volgens de vrouw mag en kan er vrij weinig in de huidige instelling waar [minderjarige] verblijft. De sfeer is niet goed vanuit die instelling, wat grote invloed heeft op de stemming van [minderjarige] tijdens de recentelijke omgangsmomenten. Hierdoor komt [minderjarige] niet goed in haar doen aan bij aanvang van de omgangsmomenten. Dit verklaart volgens de vrouw de negatieve aspecten die in de verslagen zijn benoemd.
2.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat de GI niet alle door de rechtbank verzochte informatie heeft overgelegd. Zo ontbreekt het evaluatieverslag van juli 2023 en gaan de observatieverslagen van Comfortzorg niet verder terug dan mei 2023. Toch vindt de rechtbank zich voldoende voorgelicht om een weloverwogen beslissing op het verzoek van de vrouw te kunnen nemen. Uit de informatie die door de GI is overgelegd volgt namelijk afdoende hoe de omgang tussen de vrouw en [minderjarige] op dit moment verloopt, hoe [minderjarige] reageert op de omgang met de vrouw en in hoeverre de vrouw bij [minderjarige] kan aansluiten. De rechtbank zal dan ook hierna een beslissing nemen op het verzoek van de vrouw tot uitbreiding van de omgangsregeling met [minderjarige].
2.3.
Hoewel de wens van de vrouw om de omgang met [minderjarige] uit te breiden invoelbaar en begrijpelijk is, acht de rechtbank het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] om de omgangsregeling met de vrouw uit te breiden naar een weekend per veertien dagen bij de vrouw thuis of eens per veertien dagen gedurende negen uur in het weekend. De rechtbank overweegt daartoe dat [minderjarige] kwetsbaar is en dat uit de informatie die door de GI is overgelegd volgt dat de omgang veel van haar vraagt. Uit recente verslagen van Comfortzorg en van de woongroep waar [minderjarige] verblijft komt namelijk naar voren dat [minderjarige] zowel de fysieke omgangsmomenten als de belmomenten spannend vindt. Zij geeft dit aan bij de begeleiding van de woongroep en op de woongroep wordt ook gezien dat [minderjarige] onrustig en druk in haar gedrag wordt in aanloop naar een omgangsmoment met de vrouw. Daarnaast komt uit de verslagen naar voren dat de vrouw [minderjarige] regelmatig belast met volwassenenproblematiek. Dit zorgt voor spanningen bij [minderjarige]. Zij weet niet altijd hoe zij hierop moet reageren en zij kan zich er vervolgens druk over gaan maken. Daar komt bij dat de vrouw niet altijd goed weet aan te sluiten bij [minderjarige]. Verder komt uit de verslagen duidelijk naar voren dat sturing en ingrijpen vanuit de begeleiding soms nodig is tijdens de omgangsmomenten.
2.4.
De rechtbank acht het wel in het belang van [minderjarige] om de bij beschikking van 10 februari 2021 vastgestelde omgangsregeling te wijzigen in die zin dat een omgangsregeling wordt vastgelegd waarbij de vrouw eens in de vier weken gedurende twee uren (begeleide) omgang heeft met [minderjarige]. De rechtbank stelt vast dat de omgang tussen de vrouw en [minderjarige] al geruime tijd met deze frequentie en duur plaatsvindt. [minderjarige] is dan ook gewend aan deze frequentie, duur en vorm van de omgang. Anders dan de GI en de Raad ziet de rechtbank daarom niet in waarom de omgangsmomenten zouden moeten worden teruggebracht naar - de door de rechtbank in de beschikking van 10 februari 2021 vastgestelde - twee uur per zes weken. De rechtbank ziet ook geen concrete aanleiding om de huidige omgangsmomenten verder terug te brengen dan nu het geval is. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de huidige omgangsmomenten de nodige spanning voor [minderjarige] meebrengen en zij soms wordt belast met volwassenenproblematiek, is dit een situatie die al langere tijd bestaat. De GI heeft niet nader onderbouwd wat maakt dat de situatie dusdanig is verslechterd dat de omgang moet worden beperkt tot twee uur per zes weken. Bovendien heeft [minderjarige] aangegeven dat zij de 'begeleide bezoeken' goed vindt zoals die nu zijn. De huidige frequentie en duur van de omgang sluit dan ook aan bij de behoefte van [minderjarige] en acht de rechtbank daarom op dit moment het meest passend.
2.5.
Het vorenstaande betekent niet dat de omgang in de toekomst niet kan worden uitgebreid en/of onbegeleid kan plaatsvinden. Bij beschikking van 10 februari 2021 heeft de rechtbank al bepaald dat de GI en de vrouw in ieder geval eens per half jaar met elkaar moeten bespreken hoe de omgangsregeling tussen de vrouw en [minderjarige] verloopt en of de regeling eventueel kan of moet worden aangepast. Dit betekent dat elk half jaar moet worden bekeken of het mogelijk en wenselijk is de omgangsregeling uit te breiden. Het is de rechtbank onduidelijk of dit ook daadwerkelijk het afgelopen jaar is gebeurd, omdat hier geen verslagen van zijn overgelegd. De rechtbank wil hier nogmaals benadrukken dat het belangrijk is dat deze evaluatiegesprekken wel plaatsvinden. Omdat in de vorige beschikking (van 10 februari 2021) al in de beslissing is opgenomen dat deze evaluatie elk half jaar moet plaatsvinden, is het niet nodig om dit nog een keer op te nemen in deze beschikking.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
wijzigt de bij beschikking van 10 februari 2021 vastgestelde omgangsregeling in die zin dat de vrouw eens in de vier weken gedurende twee uren (begeleide) omgang heeft met de minderjarige [minderjarige] Sophia de Bruijn, geboren op 5 maart 2010;
3.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. V.A.G. van Dijk, (kinder)rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden
fn: 567/lr