Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-12-27
ECLI:NL:RBNNE:2024:5166
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,507 tokens
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.228853.22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 december 2024 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 december 2024. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.T. Pittau, advocaat te Amsterdam.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H.P. Polstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 7 februari 2022 te Ter Apel, gemeente Westerwolde opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (op het perceel gelegen aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 171 planten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2021 tot en met 7 februari 2022 te Ter Apel, gemeente Westerwolde tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2450 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij in of omstreeks de periode van 14 december 2021 tot en met 7 februari 2022 te Ter Apel, gemeente Westerwolde hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor feiten 1, 2 en 3. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is er sprake van medeplegen, omdat de vriendin van verdachte heeft geholpen met het knippen van de laatste hennepoogst en uit appberichten volgt dat zij wist van een eerdere oogst buiten de ten laste gelegde periode.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3
De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 december 2024;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juni 2022, opgenomen op pagina 4 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2022145347 d.d. 10 juni 2022, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 7 april 2022, opgenomen op pagina 6 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 23 mei 2022, opgenomen op pagina 125 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam] (namens [bedrijf] ).
Partiële vrijspraak feit 2
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde medeplegen is de rechtbank is van oordeel dat dit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] volgt dat medeverdachte slechts op 1 februari 2022 (uit boosheid) henneptoppen eraf heeft geknipt, waarmee een nauwe en bewuste samenwerking voor wat betreft het opzettelijk aanwezig hebben van 2450 gram hennep niet kan worden vastgesteld. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 7 februari 2022 te Ter Apel opzettelijk heeft geteeld (op het perceel gelegen aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 171 planten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.
hij op 7 februari 2022 te Ter Apel opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2450 gram, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.
hij in de periode van 14 december 2021 tot en met 7 februari 2022 te Ter Apel een hoeveelheid elektriciteit die geheel aan [bedrijf] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van drie jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit te volstaan met de oplegging van een taakstraf van 150 uren.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 november 2024, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Op 7 februari 2022 is in de schuur van verdachte een in werking zijnde hennepkwekerij ontdekt en zijn er geknipte henneptoppen in beslag genomen. Verdachte is met de exploitatie van de hennepplantage voorbijgegaan aan alle risicos die verbonden zijn aan de hennepteelt. De rechtbank doelt dan op de gezondheidsrisicos voor de individuele gebruikers, maar ook is algemeen bekend dat de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit. Verder heeft verdachte ten behoeve van de hennepkwekerij via een illegale aftakking stroom van de netbeheerder weggenomen. Naast het benadelen van de energieleverancier levert dit ook grote veiligheidsrisicos op. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De rechtbank heeft tevens meegewogen dat verdachte laatstelijk in 2005 onherroepelijk is veroordeeld en dat hij na de bewezenverklaarde periode geen nieuwe politie- of justitiecontacten heeft gehad. Voorts staan op de justitiële documentatie van verdachte geen veroordelingen ter zake van opiumdelicten en de enige onherroepelijke veroordeling ter zake van een vermogensmisdrijf dateert uit 2000.
De rechtbank ziet echter, gelet op het tijdsverloop sinds het plegen van de strafbare feiten en de vaststelling dat verdachte zich in deze periode niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten, geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal, alles afwegende, aan verdachte een taakstraf van 150 uren opleggen.
Benadeelde partij
[bedrijf] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.