Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-12-20
ECLI:NL:RBNNE:2024:5160
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Verzet
1,236 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3018 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2024 op het verzet van
[naam]
, uit [plaats] , opposant,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 september 2024 in het geding tussen
opposant
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, het college.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 10 september 2024 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet ter zitting aan de orde gesteld op 26 november 2024. Opposant is met bericht van verhindering niet verschenen.
1.2.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 10 september 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant ging over het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van 22 mei 2024.
De uitspraak van10 september 2024
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor was dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant eerst een beroepschrift op 9 juli 2024 heeft ingediend en daarna een ingebrekestelling op 8 augustus 2024.
Gronden verzet
6. In zijn verzetschrift geeft opposant aan dat de uitspraak van 10 september 2024 te beperkt is. De uitspraak beperkt zich zonder verdere inhoudelijke overweging tot de ingebrekestellingen aan het college. Opposant heeft de rechtbank gevraagd om een formele voeging van al zijn zaken. De rechtbank heeft zonder opgave van redenen er toch één zaak van losgemaakt.
Conclusie
7. Het beroep niet tijdig beslissen van opposant is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat niet voldaan is aan de vereisten van artikel 6:12, van de Awb. Als voorwaarde voor het mogen instellen van beroep bij de rechter stelt het artikel de eis dat de belanghebbende het bestuursorgaan eerst schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is en sedertdien twee weken verstreken zijn. Opposant heeft pas een ingebrekestelling gestuurd, nadat beroep was ingesteld. In een beroep niet tijdig beslissen wordt ook overigens niet naar de inhoud gekeken. Het verzoek van opposant om voeging van diverse door hem aanhangig gemaakte procedures is afgewezen. Opposant is meegedeeld dat het zaaknummer LEE 24/3018 een versnelde behandeling betreft en daarom afzonderlijk zal worden behandeld (zie de brief naar opposant van 6 augustus 2024 hierover). Bij mailbericht van 5 september 2024 is opposant nogmaals meegedeeld dat LEE 24/3018 apart wordt behandeld gelet op de procedure versnelde behandeling.
8. Tot slot: opposant heeft vooraf aan de zitting op diverse momenten stukken ingestuurd en ook verzoeken gedaan. Wat daar verder ook van zij, dit leidt niet tot een ander oordeel.
9. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 10 september 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van P.W. Karsowidjojo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 8:52, van de Awb.