Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-12-31
ECLI:NL:RBNNE:2024:5127
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,617 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/5078
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 december 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , uit Groningen, verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Simonides).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster over een standplaats van een oliebollenkraam vlak bij een boom. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
2.1.
Bij besluit van 22 september 2021 heeft verweerder aan [naam 2] een standplaatsvergunning voor de verkoop van oliebollen op de Grote Markt te Groningen verleend. De vergunning bepaalt dat de standplaats wordt ingenomen zoals aangegeven op de bijgevoegde tekening en/of op aanwijzing van medewerkers van de gemeente.
2.2.
In 2024 is de oliebollenkraam geplaatst nabij een plataan aan de noordzijde van de Grote Markt, aan de voorkant van het pand waar voorheen de V&D in gevestigd was.
2.3.
Op 25 oktober 2024 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen het aanbrengen van vier groene tekens op het wegdek ter markering van de standplaats van de oliebollenkraam. Bij besluit van 31 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2.4.
Op 15 november 2024 heeft verzoekster bij verweerder een kopie van de standplaatsvergunning afgeleverd met daarop geschreven dat zij bezwaar maakt tegen het besluit van verweerder om, onder meer, de oliebollenkraam onder de plataan te zetten. Verweerder heeft dit stuk doorgestuurd naar de rechtbank ter behandeling als beroepschrift. De rechtbank heeft het beroep geregistreerd als LEE 24/4701. Bij brief van 22 november 2024, gericht aan de rechtbank, heeft verzoekster kenbaar gemaakt dat zij geen beroep maar bezwaar wenst te maken. Bij brief van 2 december 2024 heeft de rechtbank bericht dat als zij geen beroep wenst in te stellen, zij de zaak kan intrekken maar dat zij dit dan duidelijk kenbaar dient te maken.
2.5.
Bij brief van 24 december 2024 heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd de voorziening te treffen dat verweerder opgedragen wordt de oliebollenkraam te verplaatsen naar de locatie naast de glijbaan Noordzijde Stadhuis. Verzoekster verwijst naar een bezwaarschrift dat zij op 24 december 2024 heeft ingediend. In het bezwaarschrift vraagt zij onder meer om intrekking van de vergunning van 22 september 2021. Ook verwijst zij naar een niet bijgevoegd besluit van 16 december 2024. Daarnaast heeft verzoekster op 27 december 2024 aan de rechtbank onder meer een brief van verweerder van 26 november 2024 overhandigd.
3. De voorzieningenrechter overweegt dat niet duidelijk is aan welke procedure van bezwaar of beroep het verzoek connex, in de zin van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet worden geacht. De voorzieningenrechter verbindt hieraan echter geen gevolgen omdat er meerdere procedures zijn waaraan het verzoek connex zou kunnen zijn, omdat langer wachten met de uitspraak de procedure zinledig zal maken en gezien hetgeen hieronder wordt overwogen.
4.1.
Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In de rechtspraak wordt in zaken over bomen het afstands- en zichtcriterium gehanteerd, dat inhoudt dat iemand belanghebbende is bij een besluit dat een boom betreft als diegene op geringe afstand van de boom woont of vanuit de eigen woning daarop zicht heeft. Een persoon dient een belang te hebben dat hem of haar in voldoende mate onderscheidt van anderen. Dat iemand geregeld langs de boom komt, is niet genoeg om belanghebbendheid aan te nemen.
4.2.
Verzoekster voert aan dat de boom in kwestie 30 jaar geleden door haar persoonlijke inzet in leven is gebleven, dat haar contact met de plataan diepgaand is en dat de boom haar Guru is. Verder voert zij aan dat haar belanghebbendheid voortvloeit uit haar hooggevoeligheid.
4.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat niet in geschil is dat verzoekster niet binnen enkele honderden meters van de boom woont en dat zij vanuit haar woning geen zicht heeft op de boom.
4.4.
Dat verzoekster zich al sinds de jaren ’90 inzet voor bomen en in het bijzonder voor de boom in kwestie, is binnen de rechtbank Noord-Nederland bekend. Hiermee onderscheidt zij zich echter onvoldoende van anderen die geregeld het centrum van de stad Groningen bezoeken en daarbij langs de boom komen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kan verzoekster daarom niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.
4.5.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK3624, en de uitspraak van 28 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8952.