Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-12-09
ECLI:NL:RBNNE:2024:5089
Civiel recht
Wraking
1,486 tokens
Dictum
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Wrakingskamer
zaaknummer: C18/240606 KG RK 24-368
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] , te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. F. de Jong,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 28 november 2024, met daarin de wrakingsgronden;
de schriftelijke reactie van de rechter van 5 december 2024.
2Het wrakingsverzoek
2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter die belast is met de
behandeling van de procedure bekend onder [zaaknummer in hoofdzaak] .
2.2
Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal aan haar verzoek ten
grondslag gelegd dat er sprake is van belangenverstrengeling omdat de kantonrechter, de advocaat van de wederpartij en de aanwezig omwonenden elkaar allemaal kennen. Hierbij heeft verzoekster aangegeven dat deze personen allemaal samenwerken en dat de rechter daarom niet onpartijdig is.
2.3
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd.
Beoordeling
3.1
Naar het oordeel van de wrakingskamer is sprake van een kennelijk ongegrond verzoek en daarom laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, tweede lid, sub b, van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank. Hierna legt de wrakingskamer uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
3.2
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.3
Aan het wrakingsverzoek is ten grondslag gelegd dat verzoekster meent dat sprake is van belangenverstrengeling.
3.4
Zoals hiervoor al aangegeven wordt bij de beoordeling van het wrakingsverzoek tot uitgangspunt genomen dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten de handelwijze van de rechter niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid.
3.5
Naar het oordeel van de wrakingskamer is niet komen vast te staan dat de (hoge) drempel voor het aannemen van partijdigheid is gehaald. Hiertoe overweegt de rechtbank allereerst dat de rechter die de zaak behandelt de regie voert. De rechter bepaalt het verloop en de voortgang van de procedure en de zitting en de wijze van behandeling. In deze regierol heeft de rechter een aanzienlijke vrijheid. De beslissing om niet toe te staan dat een van de partijen tijdens het voordragen van de spreekaantekeningen wordt onderbroken is naar het oordeel van de wrakingskamer een procedurele beslissing, namelijk een beslissing over de wijze van behandeling respectievelijk het verloop van de procedure en de zitting. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
3.5.1
Met betrekking tot het standpunt van verzoekster dat sprake is van belangenverstrengeling overweegt de rechtbank dat dit standpunt niet nader is gemotiveerd, onvoldoende concreet is en onvoldoende op de persoon van de rechter is toegespitst om te kunnen oordelen dat van enige belangenverstrengeling sprake is. Deze stelling van verzoekster rechtvaardigt dan ook niet de conclusie dat sprake is van partijdigheid of de schijn van partijdigheid.
3.6
Gelet op het vorenstaande is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek kennelijk ongegrond is.
Dictum
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
bepaalt dat de procedure met [zaaknummer in hoofdzaak] wordt
voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan:
verzoekster;
de gewraakte rechter; en
de betrokken partijen.
Deze beslissing is gegeven door mr. Th. A. Wiersma, voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en
mr. A. Jongsma, rechters in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.I. Havinga en in openbaar uitgesproken op 9 december 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.