Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-11-12
ECLI:NL:RBNNE:2024:4479
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,275 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/3547
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] uit [plaats] eiser
(gemachtigde: J.P.J. Franssen),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. E.E. Dogger).
Inleiding
1. Met zijn besluit van 6 januari 2023 heeft het Uwv eiser met ingang van 21 maart 2022 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 51,81%. Met het bestreden besluit van 4 juli 2023 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij dit besluit gebleven.
1.1.
Eiser heeft tegen het besluit van 4 juli 2023 beroep ingesteld. Op 21 september 2023 heeft hij de gronden aangevuld. Het Uwv heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
Eiser heeft een rapport van 2 januari 2024 van [naam 1] , verzekeringsarts, en [naam 2] arbeidsdeskundige, beiden werkzaam bij het Expertise Instituut, overgelegd. Het Uwv heeft hierop gereageerd met een rapportage van 22 mei 2024 van zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep [naam 3] Op een aanvullende rapportage van 4 juli 2024 van [naam 12] heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep [naam 4] op 30 juli 2024 gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv. Met eiser zijn meegekomen zijn vrouw en zijn sociaal begeleider, [naam 5] .
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser, geboren op 22 december 1960, was fulltime werkzaam als [functie] bij de NDC Mediagroep B.V. Als gevolg van een reorganisatie was hij sinds 1 juni 2018 werkloos. Op 23 maart 2020 heeft eiser zich vanuit de Werkloosheidswet bij het Uwv ziek gemeld met psychiatrische klachten. Na een onderzoek door de verzekeringsarts [naam 5] en de arbeidsdeskundige [naam 8] heeft het Uwv het besluit van 6 januari 2023 genomen. In bezwaar hebben [naam 11] en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [naam 9] onderzoek gedaan. Dat heeft geleid tot het besluit van 4 juli 2024 en tot deze beroepsprocedure. In verband met toegenomen klachten uit een andere oorzaak beschouwt het Uwv eiser inmiddels sinds 27 september 2023 voor 62% arbeidsongeschikt.
Beoordeling
De ontvankelijkheid van het beroep
3. Eerst zal de rechtbank beoordelen of eiser tijdig beroep heeft ingesteld. De tekst van de artikelen die voor deze beoordeling van belang zijn staan in de bijlage. Bij brief van
4 maart 2024 heeft de rechtbank eiser bericht dat het beroepschrift niet “kennelijk niet-ontvankelijk” was, maar dat op de zitting het definitieve oordeel over de ontvankelijkheid aan bod zou komen. De rechtbank heeft daar met partijen het volgende besproken.
3.1.
De laatste dag van de beroepstermijn was 15 augustus 2023. [naam 15] heeft het Uwv een brief, gedateerd op 15 augustus 2023, gestuurd waaruit blijkt dat eiser geen nadere stappen wil ondernemen tegen het besluit van 4 juli 2023; uit die brief komt echter ook naar voren dat eiser het totaal niet eens is met dat besluit. De brief is op 17 augustus 2023 bij het Uwv binnengekomen. Het Uwv heeft deze brief op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank doorgestuurd om te behandelen als beroepschrift. De rechtbank heeft de brief inderdaad als beroepschrift in behandeling genomen. Zij zal in het onderstaande de brief van 15 augustus 2023 daarom “het beroepschrift” noemen.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift per post bij het Uwv is binnengekomen ná het einde van de beroepstermijn, maar binnen een week na afloop van die termijn; op grond van de artikelen 6:9 en 6:15, derde lid, van de Awb was het beroepschrift daarom in beginsel op tijd. Hoewel, gelet op artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, ook van belang is op welke dag het beroepschrift is gepost, heeft het Uwv op de zitting gezegd dat de envelop waarin het beroepschrift zat, waarschijnlijk niet bewaard is gebleven. Eventuele twijfel over de datum waarop het beroepschrift is gepost legt de rechtbank in eisers voordeel uit.
3.3.
Weliswaar kan uit het beroepschrift worden geconcludeerd dat het nu juist níet de bedoeling van eiser was om beroep in te stellen. Het beroepschrift is echter niet mede ondertekend door eiser en de rechtbank heeft [naam 15] niet gevraagd om een machtiging. Het lag verder voor de hand dat de rechtbank hem of eiser meteen had gevraagd wat nu precies zijn bedoeling was, maar dat is niet gebeurd. Bovendien heeft het Uwv zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid en zijn er geen belangen van derden in het geding. De rechtbank vindt het al met al niet redelijk om in dit stadium nog een niet-ontvankelijkheid uit te spreken. Zoals zij partijen op zitting al heeft meegedeeld, is het beroep ontvankelijk.
Wat moet de rechtbank beoordelen?
4. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv terecht heeft beslist dat eiser recht heeft op een WIA-uitkering naar 51,81% arbeidsongeschiktheid, omdat hij met zijn medische beperkingen nog in staat is om in de voor hem geduide functies te werken. Uitgangspunt bij deze beoordeling is de datum in geding: 21 maart 2022.
Wat vinden partijen?
5. [naam 15] beschrijft dat door een zeer frequente begeleiding en gesprekken bij eiser per 21 maart 2022 een situatie is ontstaan die verergering heeft voorkomen en geleid heeft tot een momenteel redelijk stabiele situatie. Doordat iemand zijn best doet om zich staande te houden en verergering te voorkomen, wordt hij of zij “gestraft” doordat de situatie op een gekozen datum niet ernstig genoeg bevonden wordt. Dit doet geen recht aan de inspanningen die eiser heeft geleverd om het nog immer broze evenwicht te bereiken. De beslissing van het Uwv staat of valt alleen bij de situatie op 21 maart 2022. Eiser zou het gezien de vele onduidelijkheden en miscommunicatie zeer redelijk vinden om een en ander in een eind- of evaluatiegesprek alsnog te verduidelijken. Hij vindt volgens [naam 15] dat hij méér arbeidsongeschikt is dan het Uwv stelt, omdat bij hem onvoldoende beperkingen zijn gesteld in het persoonlijk en sociaal functioneren en de werktijden.
5.1.
Verder beroept eiser zich op de rapportage van [naam 12] en Overduin. De eerste heeft geconcludeerd dat een aantal fysieke aandoeningen ten onrechte niet heeft geleid tot het weergeven van beperkingen op fysiek gebied. Er is bovendien – anders dan het Uwv meent – wel degelijk sprake van een ernstig psychiatrisch beeld dat, als het gaat om de chronische depressie, is gestabiliseerd met medicatie en de aanpassingen in het dagelijks leven. Voor wat betreft de angstklachten is dat niet het geval. Volgens [naam 12] heeft het Uwv de beperkingen daarom niet volledig weergegeven. Hoewel eiser op de datum in geding niet voldoet aan de criteria voor “geen benutbare mogelijkheden”, moet er wel een urenbeperking worden gegeven. [naam 12] heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld.
6. Het Uwv baseert zijn medische standpunt op een rapport van 23 juni 2023 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep [naam 11] . Deze heeft de rapportage van
13 december 2022 van de eerste verzekeringsarts [naam 13] beoordeeld. [naam 13] heeft de klachten van eiser in kaart gebracht en op grond daarvan medische beperkingen vastgelegd in een FML. [naam 11] was het eens met [naam 13] . Uit de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep [naam 14] van 22 mei 2024 en van [naam 11] van 30 juli 2024 blijkt dat de rapportages van 2 januari 2024 en 4 juli 2024 van [naam 12] voor hen geen reden zijn geweest om anders over de zaak te denken.
Wat vindt de rechtbank?
7. Voor wat betreft de medische kant van de zaak vindt de rechtbank dat [naam 11] in de bezwaarschriftprocedure een zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. In zijn rapport van 23 juni 2023 heeft hij de medische voorgeschiedenis van eiser opgenomen en is hij gemotiveerd ingegaan op de rapportage van [naam 13] . [naam 11] legt uit waarom hij het met [naam 13] eens is. Verder hebben [naam 14] en [naam 11] in beroep gemotiveerd gereageerd op de rapportages van [naam 12] . De conclusies van de verzekeringsartsen zijn goed en inzichtelijk gemotiveerd en er staan geen tegenstrijdigheden in. Niet is gebleken dat zij iets hebben gemist.
7.1.
Ook inhoudelijk vindt de rechtbank dat het medische oordeel van het Uwv kan standhouden. [naam 11] schrijft in zijn rapport van 29 juni 2023 dat eiser in 2019 voor het laatst is gezien door een psychiater. Daarna zijn er nog gesprekken geweest met een verpleegkundig specialist vanuit de GGZ; het laatste contact was in 2021. Sindsdien is eiser niet meer behandeld door een psychiater en/of een psycholoog. Op grond van die gegevens stelt [naam 11] net als [naam 13] vast dat er bij eiser geen sprake is van een ernstige psychische stoornis en een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Ook de anamnese, het dagverhaal en de bevindingen bij observatie van [naam 13] wijzen volgens hem hier niet op. Aan de criteria voor een urenbeperking voldoet eiser niet.
7.2.
In beroep hebben [naam 14] en [naam 11] goed uitgelegd waarom zij vinden dat het oordeel van [naam 12] in hoge mate de visie van eiser weerspiegelt. [naam 14] schrijft op 22 mei 2024 dat de anamnese die door [naam 13] is opgetekend dermate gedetailleerd is dat het onterecht zou zijn om onzorgvuldigheid in het dagverhaal van eiser te veronderstellen, alsof het voor hem nét een goede dag zou zijn. [naam 14] is het eens met [naam 11] als het gaat om de ernst van eisers psychische stoornis. Er is een lange medicamenteuze behandeling vanaf 2012, en dit al jaren in een ongewijzigde dosering, voor de angst en paniek en de stemmingsproblematiek van eiser; verder heeft er géén intensivering van de gespreksbegeleiding plaatsgevonden na het stopzetten van de behandeling bij de psychiater.
Conclusie
9. Terecht heeft het Uwv eiser per 21 maart 2022 voor 51.81% arbeidsongeschikt beschouwd. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van H.J. Boerma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Artikel 6:9 van de Awb:
1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2 Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Artikel 6:15 van de Awb:
1. Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde bestuursrechter, wordt het, onder vermelding van de datum van ontvangst, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.
2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.
3 Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.