Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-10-25
ECLI:NL:RBNNE:2024:4231
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,491 tokens
Dictum
in de zaak tegen
[verdachte]
veroordeelde, geboren op [geboorte datum] 1985 te [geboorte plaats] , wonende te [adres] .
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 28 augustus 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 98.072,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.001795.23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 11 oktober 2024. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Morra, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de ontnemingsvordering van 98.072,00. De officier van justitie gaat, onder verwijzing naar een schriftelijke toelichting, uit van vier oogsten met een netto opbrengst van 24.518,00 per oogst.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich, onder verwijzing naar zijn pleitnotities, primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen voordeel heeft genoten. De raadsman is daarbij uitgegaan van twee oogsten met respectievelijk tachtig en honderdzestig planten met een netto opbrengst van
20.400,00 en kosten van 20.500,00, bestaande uit de getroffen betalingsregeling met Liander N.V. en kosten voor de BMW. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel bepaald dient te worden op 20.400,00 en dat de betalingsverplichting op nihil dient te worden gesteld. Dit gelet op het feit dat er een betalingsregeling met Liander N.V. is overeengekomen en dat de inbeslaggenomen BMW reeds is verkocht.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
de in het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 25 oktober 2024 in deonderliggende strafzaak opgenomen bewijsmiddelen;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeelhennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht d.d. 20 februari 2023, opgenomen op pagina
13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2023029836 d.d. 9 november
2023, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2023, opgenomen op pagina 49 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 11 oktober 2024 in de zaak met parketnummer
18.001795.23 onder meer veroordeeld ter zake van het telen van hennep (het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod).
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit door hem gepleegde strafbare feit en/of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
De rechtbank neemt voornoemd Rapport als uitgangspunt voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Periode en aantal oogsten
Op grond van het Rapport gaat de rechtbank uit van vier oogsten in de periode van 22 februari 2022 tot en met 24 januari 2023. Dit gelet op de vervuiling van de aangesloten koolstoffilterdoek en twee gebruikte koolstoffilterdoeken, de aanslag op de waterleidingen, het stof en vuil in de kweekruimte en de aangetroffen plantresten in de kweekruimte. Gelet op het rapport heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de raadsman te volgen in het standpunt dat er in de ontnemingsperiode slechts sprake was van twee oogsten. Dit wordt ondersteund door de gegevens van Liander N.V. waaruit blijkt dat er vanaf februari 2022 een toename in het stroomverbruik is waar te nemen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman hieromtrent dan ook.
De rechtbank is van oordeel dat daarbij van de volgende kweekperiodes kan worden uitgegaan:
22 februari 2022 - 3 mei 2022 = 10 weken (oogst 1)
3 mei 2022 - 12 juli 2022 = 10 weken (oogst 2)
12 juli 2022 - 20 september 2022 = 10 weken (oogst 3)
20 september 2022 - 29 november 2022 = 10 weken (oogst 4)
29 november 2022 - 24 januari 2023 = 8 weken (hennepteelt die niet is geoogst)
Opbrengsten
De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn pleidooi over de opbouw in de hoeveelheid hennepplanten. Dat daarvan sprake zou zijn geweest is onvoldoende door de verdediging onderbouwd noch anderszins aannemelijk geworden. De rechtbank gaat uit van het in het Rapport genoemde aantal hennepplanten.
De rechtbank zal bij de berekeningswijze de opbrengsten uit het Rapport hanteren. Uit het Rapport blijkt het volgende. In de hennepkwekerij zijn 190 hennepplanten aangetroffen. De opbrengst hennep per plant in de kweekruimte bedraagt 28,2 gram. Daarbij moet een 20% meeropbrengst worden gehanteerd, omdat in de kweekruimte CO2 is toegevoegd. De verkoopprijs van hennep bedraagt 4.070,00 per kilogram.
Dit levert de volgende berekening op:
190 hennepplanten x 28,2 gram = 5.358 gram = 5,358 kilogram hennep
5,358 kilogram hennep + 1,0716 kilogram (20% meeropbrengst) = 6,4296 kilogram hennep
6,4296 kilogram x 4.070 (verkoopprijs) = 26.168,47
De totale financiële opbrengst per oogst bedraagt dus 26.168,47
De totale financiële opbrengst per 4 oogsten bedraagt:
26.168,47 x 4 = 104.673,88
De rechtbank stelt de totale financiële opbrengst dan ook vast op 104.673,88
Kosten
De rechtbank neemt de in het Rapport genoemde kosten per oogst over. Anders dan de raadsman heeft betoogd zal de rechtbank uitgaan van de elektriciteitskosten zoals opgenomen in het Rapport. Indien wordt uitgegaan van het bedrag zoals overeengekomen in de betalingsregeling tussen de veroordeelde en Liander N.V., zal de veroordeelde per saldo meer wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden toegerekend dan wanneer wordt uitgegaan van de elektriciteitskosten zoals genoemd in het Rapport. Nu Liander N.V. in de betalingsregeling een korting op de totale kosten heeft toegekend, zullen de kosten lager uitvallen dan wanneer de totale elektriciteitskosten in rekening zouden worden gebracht. Indien de veroordeelde - om wat voor reden dan ook - de betalingsregeling niet na zou komen, is het niet onaannemelijk dat Liander N.V. alsnog het gehele bedrag aan energiekosten zal vorderen. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank in het voordeel van de veroordeelde de in het rapport opgenomen elektriciteitskosten als uitgangspunt hanteren bij de berekening van de kosten.
Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat een deel van de elektriciteitskosten reeds door de veroordeelde is betaald in het kader van de getroffen betalingsregeling met Liander N.V., oordeelt de rechtbank dat onvoldoende duidelijk is geworden of, en in welke mate, veroordeelde betalingen heeft verricht.
De rechtbank gaat derhalve uit van de volgende kosten per oogst, te weten:
Afschrijvingskosten: 150,00
Variabele kosten: 737,20 ( 3,88 x 190 hennepplanten) +
Elektriciteitskosten: 9.704,00
Kosten knippers: 39,90 ( 0,21 x 190 hennepplanten) +
Totale kosten: 10.631,10
De totale kosten per oogst op grond van het Rapport bedragen dus 10.631,10.
De totale kosten per 4 oogsten op grond van het Rapport bedragen dus:
10.631,10 x 4 = 42.524,40.
De rechtbank stelt de totale kosten vast op 42.524,40.
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel
Gelet op de voorgaande berekeningen en overwegingen komt de rechtbank tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel:
Opbrengsten: 104.673,88
Kosten: 42.524,40 -
Wederrechtelijk verkregen voordeel: 62.149,48
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde 62.149,48 wederrechtelijk voordeel heeft genoten.
Betalingsverplichting
De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op 62.149,48 en zal derhalve aan veroordeelde de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de staat opleggen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de betalingsregeling met Liander N.V. en de omstandigheid dat op de BMW conservatoir beslag ligt, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de betalingsverplichting lager vast te stellen dan het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 62.149,48.
Legt [verdachte] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van (zegge: tweeënzestigduizend honderdnegenenveertig euro en achtenveertig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. H.J. Schuth en mr. E.R. van Slooten, rechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 oktober 2024.
Mr. H.J. Schuth en mr. E.R. van Slooten zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.