Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-09-06
ECLI:NL:RBNNE:2024:3488
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
775 tokens
Dictum
in de zaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboorte datum] 1963 te [geboorte plaats] , wonende te [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 31 juli 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 45.286,32 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.325771.22 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 6 september 2024.
Standpunten
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag zoals genoemd in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gematigd dient te worden tot een bedrag van 27.973,54 overeenkomstig het bedrag zoals ten laste gelegd en bewezen kan worden ter zake van verduistering in de onderliggende strafzaak. Van het overige bedrag kan namelijk niet worden vastgesteld dat verdachte zich dat wederrechtelijk heeft toegeëigend. Derhalve is ook onvoldoende aannemelijk geworden dat het overige bedrag wederrechtelijk verkregen voordeel betreft.
Standpunt van de verdediging
In de onderliggende strafzaak ter zake van verduistering heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Gelet op daarop heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen dient te worden.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van heden, 6 september 2024, in de zaak met parketnummer
18.325771.22 veroordeeld ter zake van het medeplegen van verduistering.
Bewezenverklaard is dat veroordeelde zich tezamen en in vereniging met een ander, in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2021, opzettelijk een hoeveelheid geld dat geheel toebehoorde aan een ander, wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Hoewel de rechtbank in de onderliggende strafzaak van oordeel is dat veroordeelde zich een hoeveelheid geld wederrechtelijk heeft toegeëigend, is de rechtbank anders dan de officier van justitie van oordeel dat niet kan worden vastgesteld welk bedrag aan wederrechtelijk voordeel veroordeelde heeft genoten. Uit het dossier blijkt onvoldoende duidelijk welke exacte bedragen veroordeelde zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. De rechtbank zal derhalve de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afwijzen.
Dictum
Wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze beslissing is gegeven door mr. G. Eelsing, voorzitter, mr. E.P. van Sloten en mr. L.S. Wachters, rechters, bijgestaan door mr. A. Kamphuis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 september 2024.
Mr. E.P. van Sloten en mr. L.S. Wachters zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.