Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-08-27
ECLI:NL:RBNNE:2024:3262
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,986 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/4178
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Helmantel),
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het IMG
(gemachtigden: mrs. T.A. Rosema en M.R. Stuart).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een vergoeding van immateriële schade.
1.1.
Het IMG heeft deze aanvraag met het besluit van 8 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 augustus 2023 op het bezwaar van eiser is het IMG bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
Het IMG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser was samen met zijn gemachtigde bij de zitting aanwezig. Namens het IMG waren de gemachtigden aanwezig.
Feiten
2. Eiser is huurder van de woning aan [adres] .
2.1.
Op 19 maart 2023 heeft eiser een aanvraag gedaan bij het IMG tot vergoeding van immateriële schade. Bij de aanvraag heeft eiser de Persoonlijke Impact Analyse (PIA) ingevuld en ingediend.
2.2.
Bij besluit van 8 mei 2023 heeft het IMG de aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.3.
In de bezwaarfase heeft eiser een doktersverklaring ingebracht en heeft er een hoorzitting plaatsgevonden op 21 augustus 2023.
2.4.
Bij besluit van 30 augustus 2023 heeft het IMG het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Overwegingen
3. De rechtbank beoordeelt of de beoordeling van het recht op immateriële schadevergoeding van eiser door het IMG juist is geweest. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
5. De vergoeding van immateriële schade ten gevolge van gaswinning kent zijn oorsprong in een civiele procedure. De Hoge Raad heeft daarbij gesteld dat de rechter kan oordelen dat de aard en ernst van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis met zich meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor bewoners van een bepaald gebied boven het Groningenveld zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen en dat de rechter daarbij aannemelijk kan achten dat de door deze aantasting in de persoon geleden schade voor deze bewoners ten minste een bepaald bedrag beloopt. Daarbij kan de aard en de ernst van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis en de gevolgen daarvan worden aangemerkt als aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het IMG heeft, gelet op het grote aantal aanvragen, een methode ontwikkeld waarbij de persoonsaantasting niet door de aanvrager hoeft te worden aangetoond, maar door het IMG wordt vastgesteld en forfaitaire bedragen worden toegekend.
5.1.
Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Procedure en werkwijze van het IMG 2022 (Werkwijze) volgt dat een aanvraag voor immateriële schade door het IMG wordt getoetst aan vier bouwstenen, te weten (1) de locatie, (2) de veiligheidssituatie, (3) de omvang van de fysieke schade en (4) de duur van de schadeafhandeling. Deze bouwstenen worden vervolgens onderverdeeld in situaties waaraan punten (ook wel ‘aanwijzingen’) zijn verbonden van nul tot en met vier (bij locatie is het maximaal aantal punten twee). Hoe meer punten aan een aanvrager worden toegekend, hoe hoger de uitkering per persoon wordt. Er kan € 0,- € 1.500,- € 3.000,- of € 5.000,- per persoon worden toegekend. Naast deze bouwstenen kan een aanvrager ervoor kiezen een PIA in te vullen. In sommige gevallen kan de uitkomst van deze PIA het toe te kennen bedrag aan schadevergoeding naar boven corrigeren, met dien verstande dat het maximumbedrag € 5.000,- blijft.
5.2.
Het derde lid van artikel 4.1 van de Werkwijze bepaalt dat het IMG in afwijking van de gestandaardiseerde methode een aanvraag beoordeelt aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval, indien de aanvrager in zijn aanvraag of later stelt dat een correcte toepassing van de gestandaardiseerde methode naar zijn oordeel tot onvoldoende schadevergoeding zou leiden.
Standpunten van partijen
6. Volgens eiser moet worden afgeweken van de gestandaardiseerde methode en moet maatwerk worden toegepast op grond van artikel 4.1, derde lid van de Werkwijze, en voert hiertoe het volgende aan. Eiser stelt dat hij ernstige stress ervaart, dat hij gevoelens van onveiligheid, slapeloze nachten en stemmingswisselingen heeft, dat hij geen concentratievermogen meer heeft en dat hij somber en minder sociaal is. Het hiervoor genoemde heeft ook zijn weerslag op de relatie tussen eiser en zijn inwonende dochter. Volgens eiser is dit alles een gevolg van de aardbevingsschade en het herstel daarvan. Ter onderbouwing heeft eiser een doktersverklaring ingebracht. Hij wijst er daarbij op dat er twee keer herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd en dat daarvoor spullen moesten worden verplaatst. Ook kon zijn dochter een aantal dagen niet in haar eigen kamer verblijven. Van de verhuurder heeft eiser tweemaal een vergoeding ontvangen van € 685,-. Ook wijst eiser erop dat hij een hartritmestoornis heeft en dat hij niet meer kan werken. De gestandaardiseerde methode doet volgens eiser geen recht aan zijn situatie. Hij noemt hierbij als voorbeeld dat hij de doorlooptijd als erg lang heeft ervaren, terwijl dit bij de toepassing van bouwsteen 4 geen punten oplevert. Ter zitting heeft eiser naar voren gebracht dat de door hem ervaren persoonsaantasting met name ziet op zijn gevoelens van onveiligheid. Eiser wenst dat hij hiervoor erkenning krijgt.
6.1.
Het IMG stelt zich op het standpunt dat het zijn methode in de situatie van eiser correct heeft toegepast en dat de methode redelijk en aanvaardbaar is. De omstandigheden die eiser noemt zijn voldoende meegewogen door de ingevulde PIA. In de situatie van eiser is het gewicht van de bouwstenen echter te laag om in samenhang met de PIA een correctie naar boven van de vastgestelde categorie persoonsaantasting te rechtvaardigen. Daarbij wijst het IMG erop dat aan de onderbouwing van een persoonsaantasting in Nederland hoge eisen worden gesteld. Dit moet aan de hand van concrete gegevens worden vastgesteld. Het IMG ziet geen reden om af te wijken van de gestandaardiseerde methode, nu eiser niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem geschetste problematiek een gevolg is van aardbevingen. Het IMG stelt dat bijvoorbeeld van de gestandaardiseerde methode kan worden afgeweken indien er sprake is van bijzonder ernstige persoonlijke omstandigheden die evident niet verdisconteerd zijn in de gestandaardiseerde methode. Hiervoor dient er sprake te zijn van door aardbevingsproblematiek veroorzaakt geestelijk letsel dat blijkt uit een psychologisch of psychiatrisch rapport. Hiervan is bij eiser geen sprake. Ook is niet gebleken dat de door eiser genoemde klachten, waaronder de hartritmestoornissen en stemmingswisselingen, enkel zijn veroorzaakt door de aardbevingsproblematiek. Het IMG wijst ook op de via de verhuurder verkregen vergoedingen voor het thuisblijven tijdens de schadeopnames en -herstel, schoonmaakkosten en overlast. In die zin is eiser dus al gecompenseerd.
De toepassing van de methode op de situatie van eiser
7. De rechtbank merkt op dat deze rechtbank in de uitspraak van 20 april 2023 heeft geoordeeld dat het puntensysteem dat het IMG hanteert in beginsel passend is om in een groot aantal zaken de immateriële schade te beoordelen.
7.1.
Toepassing van de door het IMG gehanteerde methode levert in de situatie van eiser het volgende op. Het IMG heeft voor bouwsteen 3, de omvang van de fysieke schade, één punt toegekend. Voor de bouwstenen 1, 2 en 4 zijn geen punten toegekend. Dit houdt volgens het beleid van het IMG in dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergoeding voor immateriële schade. Uit de door eiser ingevulde PIA komt naar voren dat eiser bijzonder ernstig leed heeft ervaren (profiel 4). Nu het cumulatieve gewicht van de aanwijzingen voor een persoonsaantasting op één punt uitkomt, kan de uitkomst van de PIA, op grond van het beleid van het IMG, geen verandering brengen in de hoogte van het toegekende bedrag. Pas vanaf drie punten, in combinatie met een profiel 2, 3 of 4 uit de PIA, is een correctie, en dus een vergoeding mogelijk.
7.2.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de uitkomst hetzelfde was geweest als eiser wel de eigenaar was geweest van de woning. Dan hadden de bouwstenen twee punten opgeleverd (beide voor fysieke schade), waren er ook geen punten toegekend in de andere bouwstenen, en was voornoemde ondergrens ook niet gehaald.
7.3.
Uit de beschikbare gegevens blijken geen feiten of omstandigheden waaruit de rechtbank zou moeten concluderen dat in het geval van eiser niet het juiste aantal punten is toegekend. Voor wat betreft de gevoelens van onveiligheid, bouwsteen 2, slaat de rechtbank acht op de uitspraak van deze rechtbank van 8 november 2023. In die zaak konden de gevoelens van onveiligheid voldoende worden geobjectiveerd, mede omdat daar sprake was van concrete, door eiser ondernomen acties.
Conclusie
9. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser, gelet op hetgeen door hem is ingebracht, niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een persoonsaantasting in de zin van artikel 6:106 BW. Het IMG heeft daarom terecht besloten om de aanvraag tot vergoeding van immateriële schade af te wijzen.
10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:HR:2019:1278.
Zoals deze gold ten tijde van het bestreden besluit.
ECLI:NL:RNNE:2023:1585.
ECLI:NL:RBNNE:2023:4941.