Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-08-14
ECLI:NL:RBNNE:2024:3188
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,678 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C/18/234807 / FT RK 24/635
vonnis van 14 augustus 2024
in de zaak van:
[verzoeker]
,
geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] ,
te [woonplaats] ,
hierna te noemen verzoeker,
bijgestaan door [beschermingsbewindvoerder] ,
werkzaam bij Veen en Veste Bewind en Budget B.V.,
gevestigd te Emmer-Compascuum.
1PROCESGANG
1.1.
Verzoeker heeft op 16 mei 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
1.2.
Het verzoekschrift heeft de rechtbank behandeld ter zitting van 2 augustus 2024. Daarbij is verzoeker gehoord. Bij de behandeling is verder aanwezig geweest [beschermingsbewindvoerder] , in haar hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder over het vermogen van verzoeker (hierna: de beschermingsbewindvoerder).
1.3.
Vonnis is bepaald op heden.
2RECHTSOVERWEGINGEN
2.1.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
2.2.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2.3.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
2.4.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
2.5.
In het WSNP-verzoek, alsmede ter zitting heeft verzoeker verklaard dat zijn schulden (mede) zijn ontstaan door een ernstige cocaïneverslaving. De ontstaansdata van de schulden vallen buiten het bereik van de termijn die geldt voor toetsing van de goede trouw. Daarmee is de goede trouw voldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank dient daarnaast op grond van artikel 288 lid 1 sub c Fw te beoordelen of verzoeker in staat mag worden geacht de verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling naar behoren na te komen. In dat oordeel is de stand en status van de cocaïneverslaving relevant. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verslaving tot het verleden behoort.
2.6.
Voor dit oordeel gaat de rechtbank uit van de criteria uit het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken die zijn opgesteld ter bevordering van uniforme beoordeling van WSNP-verzoeken. Onder paragraaf 5.3.2 van dit reglement staat dat een verzoeker met verslavingsproblemen in beginsel alleen wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat de verslaving al enige tijd onder controle is (….). De periode waarin de verslaving onder controle dient te zijn, bedraagt in beginsel één jaar. Deze periode kan korter of langer zijn afhankelijk van, onder meer, de ernst en de duur van de verslaving. Dat de verslaving onder controle is, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie.
2.7.
Dergelijke objectieve gegevens ontbreken. Uit de verklaringen van verzoeker ter zitting kan de rechtbank evenmin afleiden dat de verslaving onder controle is. Integendeel: verzoeker heeft verklaard dat hij nog op de wachtlijst staat voor behandeling door VNN, dat hij sinds begin van dit jaar niet meer heeft gebruikt maar dat het risico op een terugval nog steeds groot is als hij mensen ontmoet uit zijn vroegere kennissenkring. Voorts heeft verzoeker verklaard dat het al een keer mis is gegaan toen hij bij zijn werk iemand trof uit zijn recente cocaïneverleden. Verzoeker zag zich toen genoodzaakt te stoppen met werken. Hij heeft ook verklaard dat hij vreest dat als hij nu aan het werk zou gaan, het binnen korte tijd weer mis zal gaan. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de verslaving voldoende onder controle is.
2.8.
Verder heeft verzoeker verklaard dat hij hoopt dat hij, zodra hij aan de beurt is voor behandeling, kan worden opgenomen in een kliniek van VNN. Hij zou dan dus voor een nog onbekende periode niet beschikbaar zijn voor de inspanningsplicht die van een schuldenaar mag worden verwacht. Ook dit maakt dat de rechtbank een toelating van verzoeker op dit moment niet in het belang van de schuldeisers vindt.
2.9.
Wel wil de rechtbank opmerken dat verzoeker heeft laten zien dat hij zelfinzicht heeft en dat het positief is dat hij actief probeert om een terugval te voorkomen. Zo is hij verhuisd en probeert hij plekken en personen te mijden die een risico kunnen vormen. Ook heeft verzoeker op eigen initiatief beschermingsbewind ingeschakeld. Dit zijn belangrijke stappen die aangeven dat verzoeker zich op de goede weg bevindt. Maar de rechtbank vindt de situatie van verzoeker op dit moment nog te weinig stabiel om een WSNP-verzoek toe te wijzen. Het verdient naar het oordeel van de rechtbank daarom de voorkeur een meer stabiele situatie af te wachten, waarin het behandeltraject (grotendeels) is afgerond, en de effecten ervan aantoonbaar zijn, zodat ze kunnen worden vastgelegd in een rapportage van een hulpverlener. De rechtbank zal het WSNP-verzoek van verzoeker afwijzen.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.D. Mathey-Bal, en uitgesproken door H.J. Idzenga ter openbare zitting van
14 augustus 2024, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.