Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-07-05
ECLI:NL:RBNNE:2024:2542
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht, Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
1,050 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/2544
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juli 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. E.G.J.M. Meijer),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Groningen, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag om planschadevergoeding van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het college heeft de planschadeaanvraag met het besluit van 28 maart 2023 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft, vanwege het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift, beroep ingesteld tegen een brief van het college van 15 april 2024 en de rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
2.1.
Verzoekster wil dat de voorzieningenrechter bepaalt dat het college per direct het verzoek om planschade inwilligt en een schadebedrag van € 320.950,- uitbetaalt. Verzoekster heeft aangevoerd dat het college voldoende informatie heeft om te beslissen op het bezwaarschrift.
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de brief van 15 april 2024 van het college geen besluit is in de zin van de Awb. Ook is het geen schriftelijke weigering om een besluit te nemen. De brief bevat slechts een aankondiging van een nog te nemen beslissing op het bezwaarschrift. Ook kondigt het college daarin aan dat zij eerst een planschadedeskundige zal vragen om advies. Als verzoekster van mening is dat deze bezwaarprocedure te lang duurt, dan kan zij bij de rechtbank beroep instellen tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. De rechtbank heeft het beroepschrift van verzoekster als zodanig opgevat en doet op dezelfde dag als de voorzieningenrechter uitspraak op dit beroep.
4. Verzoekster heeft op geen enkele manier duidelijk gemaakt welke onomkeerbare situatie ontstaat door het uitblijven van een betaling van € 320.950,-. De conclusie is dan ook dat er geen enkel spoedeisend belang is.
Conclusie
5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.P. Voorham, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 6:2 onder b van de Awb.