Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-05-31
ECLI:NL:RBNNE:2024:2187
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,128 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/3469
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mrs. F.S. Imamdi en M.S. Julen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek en de terugvordering voorschotten zorgtoeslag.
1.1.
Met de brief van 9 juni 2022 heeft eiser bij verweerder een verzoek tot herziening van de definitieve berekening van de zorgtoeslag over de jaren 2016 tot en met 2021 ingediend. Met het besluit van 4 oktober 2022 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 augustus 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van het herzieningsverzoek. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet slagen en zal het beroep ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft verweerder het herzieningsverzoek voor de zorgtoeslag in de jaren 2016 tot en met 2021 terecht afgewezen?
6.1.
Eiser voert aan dat hij is gehuwd op huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting. Hierdoor zijn de financiële zaken tussen hem en zijn echtgenote strikt van elkaar gescheiden. Deze huwelijkse voorwaarden zijn vastgelegd in een notariële akte. Aangezien eiser in 2016 ook op een ander adres is gaan wonen dan zijn echtgenote, stelt eiser dat zijn echtgenote daarom niet meer als zijn toeslagenpartner kan worden beschouwd en het inkomen naar beneden moet worden bijgesteld. Desgevraagd licht eiser ter zitting toe dat hij wel een scheidingsprocedure is gestart, maar dat zijn echtgenote [land] verblijft. Hij heeft enige tijd geleden echtscheidingspapieren naar [land] gezonden, maar daar heeft eiser nog geen reactie op gekregen.
6.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn herzieningsverzoek voor het jaar 2016 te laat heeft ingediend. De herziening had volgens de wet maximaal vijf jaren na afloop van het toeslagenjaar 2016 moeten worden ingediend, aldus verweerder. Ook stelt verweerder zich op het standpunt dat de wet bepaalt dat echtgenoten elkaars toeslagenpartners zijn. Eiser is volgens de wet niet van zijn echtgenote gescheiden.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe dat artikel 5a lid 1 sub a, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (de Uitvoeringsregeling) voorschrijft, dat eiser zijn herzieningsverzoek had moeten indienen binnen vijf jaren na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft. Het verzoek om herziening met betrekking tot het jaar 2016 is daarom te laat. Verder overweegt de rechtbank dat artikel 5a lid 1 en 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) bepaalt dat echtgenoten elkaars toeslagenpartner zijn, tenzij er sprake is van een echtscheiding bij de rechtbank of een scheiding van tafel en bed en beiden op een ander adres wonen. De rechtbank overweegt eveneens dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een scheidingsprocedure in gang heeft gezet bij een rechtbank in Nederland.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is er niet voldaan aan (een van) de voorschriften die de Uitvoeringsregeling en de Awr stellen. Eiser heeft zijn herzieningsverzoek voor het jaar 2016 te laat ingediend en het feit dat eiser voor de Nederlandse wet nog steeds is gehuwd, wordt door hem niet betwist. Als gevolg hiervan is er een terugvordering voorschotten zorgtoeslag ontstaan. Eiser heeft geen gronden aangedragen die concreet zien op deze terugvordering. In uitzonderlijke gevallen kan de rechter oordelen dat de gevolgen van het bestreden besluit onevenredig uitwerken. Eiser draagt hiertoe evenmin gronden aan en van dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het herzieningsverzoek voor de zorgtoeslag in de berekeningsjaren 2016 tot en met 2021 kon worden afgewezen.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond.
10.1.
Dat betekent dat de terugvordering in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Bosklopper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
2 De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (oud)
Artikel 5a. Herziening in het voordeel van belanghebbende
1. De Belastingdienst/Toeslagen herziet in het voordeel van de belanghebbende een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden zodra de Belastingdienst/Toeslagen is gebleken dat die tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld, tenzij:
a. vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft en de belanghebbende niet binnen een jaar na de dagtekening van de beschikking tot toekenning om herziening heeft verzocht;
(…)
2 De Belastingdienst/Toeslagen herziet onder bijzondere omstandigheden, onder overeenkomstige toepassing van het eerste lid, onderdelen a tot en met c, in het voordeel van de belanghebbende een beschikking tot terugvordering die onherroepelijk is geworden voor zover de nadelige gevolgen van die beschikking onevenredig zijn in verhouding tot de met die beschikking te dienen doelen.
Algemene wet inzake rijksbelastingen (oud)
Artikel 5a
1. Als partner wordt aangemerkt:
a. de echtgenoot;
(…)
4 In afwijking van het eerste lid wordt een persoon niet meer als partner aangemerkt ingeval:
a. een verzoek, zoals bedoeld in artikel 150, respectievelijk 169 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot echtscheiding, respectievelijk tot scheiding van tafel en bed is ingediend, en
b. hij niet meer op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland staat ingeschreven als de belastingplichtige.