Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-05-21
ECLI:NL:RBNNE:2024:2165
Civiel recht
Bodemzaak
9,256 tokens
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 10668777 \ CV EXPL 23-5545
Vonnis van 21 mei 2024
in de zaak van
DM BOUW V.O.F.,
te [vestiginsplaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: DM Bouw,
gemachtigde: mr. W.J. Wortelboer,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. A.Z. van Braam.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 januari 2024,
- de mondelinge behandeling van 8 maart 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Bij de mondelinge behandeling is namens DM Bouw [vennoot] (hierna: [vennoot]) verschenen, bijgestaan door mr. Worterlboer. Verder is [gedaagde] verschenen, bijgestaan door mr. van Braam. Ook de heer [de vader van gedaagde] (de vader van [gedaagde]) is aanwezig geweest, - de aanhouding om te bezien of partijen onderling tot een oplossing kunnen komen,
- de berichten van beide partijen van 22 maart 2024.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
DM Bouw v.o.f. is ontstaan uit de eenmanszaak van [vennoot] en [vennoot 2].
DM Bouw houdt zich bezig met het uitvoeren van bouwwerkzaamheden.
2.2.
In maart 2020 heeft [gedaagde] besloten dat hij de woning aan de [de woning] (de woning) in eigen beheer wilde verbouwen. De woning bestaat uit een voorhuis en een achterhuis. [gedaagde] heeft het plan opgevat om daar een geheel van te maken.
2.3.
[gedaagde] heeft het tekenwerk en de constructieberekeningen voor de verbouwing uitbesteed aan ‘Ingenieursbureau Jonge Projecten’. [gedaagde] heeft voor de renovatie van het dak contact opgenomen met DM Bouw.
2.4.
Tussen [gedaagde] en [vennoot] hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden, waarbij de door DM Bouw uit te voeren werkzaamheden zijn besproken aan de hand van de tekeningen van het ingenieursbureau.
2.5.
DM Bouw heeft op 16 juli 2020 een offerte uitgebracht, die [gedaagde] heeft aanvaard. In de offerte is onder meer het volgende opgenomen:
“Graag bieden wij u geheel vrijblijvend een offerte aan voor het uitvoeren van de werkzaamheden
zoals besproken.
- Het verwijderen en afvoeren van de bestaande dakpannen
- Het slopen en afvoeren van de bestaande dak en vloerconstructie van het achterhuis
- Het plaatsen van een nieuwe balklaag volgens opgave constructeur. Balklaag voorzien van 18 mm underlayment.
- plaatsen nieuwe dakconstructie op het achterhuis en deze en het bestaande dak voorzien van isolatiedakpiaten type unidek kolibri RC3,5.
- het dak van voor en achterhuis voorzien van geglazuurde dakpannen inclusief nokvorsten,
ondervorst, vogelschroot, dakpannen en gevelpannen, Type VHV nachtblauw.
- De woning voorzien van nieuwe Polytech dakgoten met smetplank en gootklossen. Dak
voorzien van kunststof windveren met overstek. Exact type nader te bepalen.
- Opmetselen achtergevel in nieuwe daklijn. Voor de stenen is er een stelpost opgenomen van 350,- /1000 stenen.
- Maken aanpassingen dakconstructie voor volgens opgave constructeur
- Uitnemen en opslaan bestaand dakraam.
- Inclusief steigerwerk en afvalcontainers.
(…). ”
2.6.
Afgesproken is dat de betaling in zes termijnen zou plaatsvinden.
2.7.
DM Bouw is op 10 augustus 2020 gestart met de werkzaamheden, zoals het opbouwen van de steiger, het verwijderen van de dakpannen en het leggen van dakplaten op het voorhuis. Vanwege de volle planning van DM Bouw zouden de werkzaamheden in oktober 2020 worden voortgezet.
2.8.
DM Bouw heeft in augustus 2023 twee facturen verstuurd: de factuur van
3 augustus 2020 voor een bedrag van € 10.050,- en de factuur van 16 augustus 2020 voor een bedrag van € 8.665,70. [gedaagde] heeft deze facturen betaald.
2.9.
Begin oktober 2020 heeft DM Bouw de werkzaamheden hervat; zo zijn (onder meer) het dak en de vloerconstructie van het achterhuis gesloopt, is een balklaag afgewerkt, zijn spanten en gordingen geplaatst en dakplaten gelegd.
2.10.
DM Bouw heeft opnieuw twee facturen verstuurd: de factuur van 25 oktober 2020 voor een bedrag van € 5.025,- en de factuur van 15 november 2020 voor een bedrag van
€ 187,55 (meerwerk, te weten het verzorgen van een container voor het puin).
2.11.
Op 30 oktober 2020 heeft de heer [bouwkundige], bouwkundige, een inspectie van de werkzaamheden uitgevoerd.
2.12.
Op 9 november 2020 heeft Klaas [gedaagde] per e-mail aan DM Bouw kenbaar gemaakt dat er een aantal vragen waren ontstaan over de uitvoering van de bouw en dat gemeend is dat een tussentijdse opname van de bouw en de voortgang daarvan uitgevoerd moet worden. In de bijlage bij het e-mailbericht zijn de vraagpunten opgenomen.
2.13.
DM Bouw heeft op dezelfde dag gereageerd, waarbij uitleg is gegeven over de vraagpunten.
2.14.
Op 15 november 2020 heeft [gedaagde] aangegeven een rapport van een erkende bouwkundige te willen aanvragen.
2.15.
Op 1 maart 2021 heeft de gemachtigde van DM Bouw [gedaagde] gesommeerd om de facturen van 25 oktober 2020 en 15 november 2020 te betalen. In de brief is onder meer aangegeven dat DM Bouw gereageerd heeft op het rapport, maar geen terugkoppeling heeft ontvangen. Ook is erop gewezen dat de bouw nog niet klaar was.
2.16.
De gemachtigde van [gedaagde] heeft bij brief van 9 april 2021 het rapport van bouwkundige [bouwkundige] aan DM Bouw toegezonden. In de brief is het volgende opgenomen:
“(…) Zoals u kunt lezen, zijn veel meer (ook constructieve) gebreken aanwezig op het vlak van conformiteit, de deugdelijkheid en de montagevoorschriften. Van een deugdelijke en nette constructie die alleen nog wat afgewerkt moet worden, is geen sprake. Uw cliënte schiet dan ook toerekenbaar tekort in de uitvoering van de overeenkomst.
Mijn cliënt handhaaft de opschorting van de laatste termijn.
Eveneens verzoek ik uw cliënt binnen twee weken na heden te laten weten of en zo ja op welke wijze zij de gebreken in het rapport wil gaan herstellen.
Tevens sommeer ik uw cliënt deze gebreken uiterlijk binnen een maanden na heden deugdelijk te herstellen, mocht dit niet hebben plaatsgevonden dan is hij in verzuim. Tot slot stel ik hem aansprakelijk voor alle uit de tekortkoming voortvloeiende schade (…)”
2.17.
Op 26 april 2021 heeft de gemachtigde van DM Bouw aan de gemachtigde van [gedaagde] de reactie van [gedaagde] van 22 april 2021 doorgestuurd. Hierbij is ingegaan op de gebreken en verder is onder meer het volgende opgenomen:
“Kortom, er zijn voor ons aandachtspunten maar een gros van de genoemde punten zijn een (direct) gevolg van keuzes door opdrachtgever zelf. (…)
Opdrachtgever heeft de keuze gemaakt om veel werkzaamheden in eigen beheer uit te voeren en enkel het dak aan ons uit te besteden. (…) Het tekenwerk en constructieberekening zijn rechtsreeks in opdracht van opdrachtgever uitgevoerd. Deze verantwoordelijkheid kan dus ook niet bij DM Bouw liggen. Desondanks hebben we er allen baat bij om de werkzaamheden tot een goed einde te brengen en daartoe ben ik ook zeker bereid. Een gesprek met alle partijen is daartoe een goed begin.”
2.18.
Op 12 mei 2023 heeft DM Bouw aangekondigd een gerechtelijke procedure te starten.
2.19.
Bij brief van 13 juli 2023 heeft de gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van DM Bouw onder meer laten weten dat er gebreken zijn, dat DM Bouw de waarschuwingsplicht heeft geschonden en dat hij geen mogelijkheden ziet om samen tot een oplossing te komen. Ten slotte heeft [gedaagde] aanspraak gemaakt op vervangende schadevergoeding.
Geschil
in conventie
3.1.
DM Bouw vordert –samengevat– betaling van € 5.212,55, te vermeerderen met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van DM Bouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van DM Bouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van DM Bouw in de kosten van deze procedure.
in voorwaardelijke reconventie
3.3.
[gedaagde] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van DM Bouw tot betaling van een (vervangende) schadevergoeding van € 39.802,90, althans een in goede justitie te bepalen schadevergoeding, te verhogen met de kosten van de geraadpleegde deskundige ex artikel 6:96 lid 2 onder b BW van € 493,33, alsmede de buitengerechtelijke kosten ex artikel 6:96 lid 2 onder c BW jo. het Besluit buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over voormelde posten vanaf 9 april 2021 en te verhogen met de proceskosten en nakosten van dit geding.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Nu de vorderingen in conventie en in renconventie met elkaar samenhangen, zullen die vorderingen gezamenlijk besproken worden. DM Bouw heeft nakoming gevorderd van de overeenkomst (betaling voor de verrichte werkzaamheden), terwijl [gedaagde] in eerste instantie een beroep heeft gedaan op opschorting en vervolgens aanspraak heeft gemaakt op vervangende schadevergoeding vanwege de gestelde gebreken en het schenden van de waarschuwingsplicht.
4.2.
Vast staat dat de overeengekomen werkzaamheden nog altijd niet zijn afgerond, nu dit door [gedaagde] bij de zitting is aangegeven en dat niet is weersproken door DM Bouw.
4.3.
De kantonrechter zal eerst ingaan op het meest verstrekkende verweer van
DM Bouw tegen de vordering van [gedaagde] tot betaling van vervangende schadevergoeding, omdat zij een beroep heeft gedaan op verjaring zoals bedoeld in artikel 7:761 Burgerlijk Wetboek (BW). DM Bouw wijst erop dat tussen de brief van 9 april 2021 en de omzettingsverklaring in augustus 2023 meer dan twee jaar zijn verstreken. [gedaagde] is daarentegen van mening dat van verjaring geen sprake is omdat het werk nooit is opgeleverd.
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat voor een geslaagd beroep op de verjaringstermijn van twee jaar als bedoeld in artikel 7:761 BW het werk in ieder geval moet zijn opgeleverd. Uit artikel 7:758 BW volgt dat een werk eerst na aanvaarding door de opdrachtgever als opgeleverd wordt beschouwd. Nergens is uit gebleken dat het werk in voornoemde zin is opgeleverd, zodat het beroep op verjaring niet slaagt.
4.5.
In een situatie als deze, waar partijen vorderingen over en weer hebben ingesteld over dezelfde overeenkomst, komt het erop aan om vast te stellen welke partij in verzuim is komen te verkeren.
4.6.
De kantonrechter overweegt dat, ook als is komen vast te staan dat DM Bouw (nog) niet naar behoren had gepresteerd, DM Bouw op 26 april 2021 aan [gedaagde] heeft aangeboden om de werkzaamheden alsnog tot een goed einde te brengen en dat een gesprek daarover een goed begin zou zijn. DM Bouw heeft daarmee binnen twee weken na de brief van
9 april 2021 (welke brief als een ingebrekestelling aangemerkt zou kunnen worden) laten weten dat zij bereid was om de gebreken te herstellen. Over de wijze waarop wilde DM Bouw het gesprek aangaan. Hoewel DM Bouw in haar brief niet alle verantwoordelijkheid voor de gebreken op zich heeft genomen en die deels heeft teruggelegd bij [gedaagde], is hiermee een voldoende reëel en redelijk aanbod gedaan om de gebreken te herstellen en de werkzaamheden tot een goed einde te brengen. Dat de details en voor wiens rekening de kosten zouden komen, nog niet concreet waren, maakt dat niet anders. Vervolgens is het meer dan twee jaar stil gebleven aan de kant van [gedaagde]. Door in het geheel niet op in te gaan op de uitnodiging voor een gesprek, heeft [gedaagde] de nakoming van de overeenkomst door DM Bouw verhinderd. Niet is gesteld of gebleken dat de oorzaak van die verhindering (het niet aangaan van een gesprek over een oplossing) niet aan [gedaagde] kan worden toegerekend. Hiermee is sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van [gedaagde].
4.7.
Het verweer van [gedaagde] in conventie en de grondslag van de vordering in reconventie is verder dat DM Bouw niet aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan. De kantonrechter is van oordeel dat het zo kan zijn dat DM een waarschuwingsplicht had en dat zij die plicht heeft geschonden, maar aan die discussie komt de kantonrechter niet toe. Immers, het gesprek over de gebreken, de oorzaak en het herstel is niet van de grond gekomen en daarin had ook dit punt meegenomen moeten worden.
4.8.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] de betaling van de facturen niet had mogen opschorten en dat zijn vordering tot betaling van (vervangende) schadevergoeding niet toewijsbaar is. Daaruit volgt dat DM Bouw terecht aanspraak maakt op betaling van haar facturen. De hoogte van de facturen is op zich zelf niet betwist door [gedaagde]. De vordering in conventie is dan ook toewijsbaar en de vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen.
4.9.
DM Bouw vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom wordt € 635,00 toegewezen.
4.10.
Uit het voorgaande volgt dat in conventie in totaal een bedrag van € 5.212,55 aan hoofdsom wordt toegewezen en € 635,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, in totaal een bedrag van € 5.847,55.
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom en de buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigde vanaf de dag der dagvaarding.
4.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten), zowel in conventie als in reconventie, betalen. De proceskosten van DM Bouw in conventie worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
€
129,81
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.456,81
4.13.
De proceskosten in reconventie worden vastgesteld op € 271,50 (salaris gemachtigde, 1 punt € 543,00 x 0,5).
Dictum
De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan DM Bouw te betalen een bedrag van € 5.847,55, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.456,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen af,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 271,50,
5.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.W.J. Vinkes en in het openbaar uitgesproken op
21 mei 2024.
524
Inleiding
RECHTBANK
NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 10668777 \ CV EXPL 23-5545
Vonnis van 21 mei 2024
in de zaak van
DM BOUW V.O.F.,
te [vestiginsplaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: DM Bouw,
gemachtigde: mr. W.J. Wortelboer,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. A.Z. van Braam.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 januari 2024,
- de mondelinge behandeling van 8 maart 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Bij de mondelinge behandeling is namens DM Bouw [vennoot] (hierna: [vennoot]) verschenen, bijgestaan door mr. Worterlboer. Verder is [gedaagde] verschenen, bijgestaan door mr. van Braam. Ook de heer [de vader van gedaagde] (de vader van [gedaagde]) is aanwezig geweest, - de aanhouding om te bezien of partijen onderling tot een oplossing kunnen komen,
- de berichten van beide partijen van 22 maart 2024.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
DM Bouw v.o.f. is ontstaan uit de eenmanszaak van [vennoot] en [vennoot 2].
DM Bouw houdt zich bezig met het uitvoeren van bouwwerkzaamheden.
2.2.
In maart 2020 heeft [gedaagde] besloten dat hij de woning aan de [de woning] (de woning) in eigen beheer wilde verbouwen. De woning bestaat uit een voorhuis en een achterhuis. [gedaagde] heeft het plan opgevat om daar een geheel van te maken.
2.3.
[gedaagde] heeft het tekenwerk en de constructieberekeningen voor de verbouwing uitbesteed aan ‘Ingenieursbureau Jonge Projecten’. [gedaagde] heeft voor de renovatie van het dak contact opgenomen met DM Bouw.
2.4.
Tussen [gedaagde] en [vennoot] hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden, waarbij de door DM Bouw uit te voeren werkzaamheden zijn besproken aan de hand van de tekeningen van het ingenieursbureau.
2.5.
DM Bouw heeft op 16 juli 2020 een offerte uitgebracht, die [gedaagde] heeft aanvaard. In de offerte is onder meer het volgende opgenomen:
“Graag bieden wij u geheel vrijblijvend een offerte aan voor het uitvoeren van de werkzaamheden
zoals besproken.
- Het verwijderen en afvoeren van de bestaande dakpannen
- Het slopen en afvoeren van de bestaande dak en vloerconstructie van het achterhuis
- Het plaatsen van een nieuwe balklaag volgens opgave constructeur. Balklaag voorzien van 18 mm underlayment.
- plaatsen nieuwe dakconstructie op het achterhuis en deze en het bestaande dak voorzien van isolatiedakpiaten type unidek kolibri RC3,5.
- het dak van voor en achterhuis voorzien van geglazuurde dakpannen inclusief nokvorsten,
ondervorst, vogelschroot, dakpannen en gevelpannen, Type VHV nachtblauw.
- De woning voorzien van nieuwe Polytech dakgoten met smetplank en gootklossen. Dak
voorzien van kunststof windveren met overstek. Exact type nader te bepalen.
- Opmetselen achtergevel in nieuwe daklijn. Voor de stenen is er een stelpost opgenomen van 350,- /1000 stenen.
- Maken aanpassingen dakconstructie voor volgens opgave constructeur
- Uitnemen en opslaan bestaand dakraam.
- Inclusief steigerwerk en afvalcontainers.
(…). ”
2.6.
Afgesproken is dat de betaling in zes termijnen zou plaatsvinden.
2.7.
DM Bouw is op 10 augustus 2020 gestart met de werkzaamheden, zoals het opbouwen van de steiger, het verwijderen van de dakpannen en het leggen van dakplaten op het voorhuis. Vanwege de volle planning van DM Bouw zouden de werkzaamheden in oktober 2020 worden voortgezet.
2.8.
DM Bouw heeft in augustus 2023 twee facturen verstuurd: de factuur van
3 augustus 2020 voor een bedrag van € 10.050,- en de factuur van 16 augustus 2020 voor een bedrag van € 8.665,70. [gedaagde] heeft deze facturen betaald.
2.9.
Begin oktober 2020 heeft DM Bouw de werkzaamheden hervat; zo zijn (onder meer) het dak en de vloerconstructie van het achterhuis gesloopt, is een balklaag afgewerkt, zijn spanten en gordingen geplaatst en dakplaten gelegd.
2.10.
DM Bouw heeft opnieuw twee facturen verstuurd: de factuur van 25 oktober 2020 voor een bedrag van € 5.025,- en de factuur van 15 november 2020 voor een bedrag van
€ 187,55 (meerwerk, te weten het verzorgen van een container voor het puin).
2.11.
Op 30 oktober 2020 heeft de heer [bouwkundige], bouwkundige, een inspectie van de werkzaamheden uitgevoerd.
2.12.
Op 9 november 2020 heeft Klaas [gedaagde] per e-mail aan DM Bouw kenbaar gemaakt dat er een aantal vragen waren ontstaan over de uitvoering van de bouw en dat gemeend is dat een tussentijdse opname van de bouw en de voortgang daarvan uitgevoerd moet worden. In de bijlage bij het e-mailbericht zijn de vraagpunten opgenomen.
2.13.
DM Bouw heeft op dezelfde dag gereageerd, waarbij uitleg is gegeven over de vraagpunten.
2.14.
Op 15 november 2020 heeft [gedaagde] aangegeven een rapport van een erkende bouwkundige te willen aanvragen.
2.15.
Op 1 maart 2021 heeft de gemachtigde van DM Bouw [gedaagde] gesommeerd om de facturen van 25 oktober 2020 en 15 november 2020 te betalen. In de brief is onder meer aangegeven dat DM Bouw gereageerd heeft op het rapport, maar geen terugkoppeling heeft ontvangen. Ook is erop gewezen dat de bouw nog niet klaar was.
2.16.
De gemachtigde van [gedaagde] heeft bij brief van 9 april 2021 het rapport van bouwkundige [bouwkundige] aan DM Bouw toegezonden. In de brief is het volgende opgenomen:
“(…) Zoals u kunt lezen, zijn veel meer (ook constructieve) gebreken aanwezig op het vlak van conformiteit, de deugdelijkheid en de montagevoorschriften. Van een deugdelijke en nette constructie die alleen nog wat afgewerkt moet worden, is geen sprake. Uw cliënte schiet dan ook toerekenbaar tekort in de uitvoering van de overeenkomst.
Mijn cliënt handhaaft de opschorting van de laatste termijn.
Eveneens verzoek ik uw cliënt binnen twee weken na heden te laten weten of en zo ja op welke wijze zij de gebreken in het rapport wil gaan herstellen.
Tevens sommeer ik uw cliënt deze gebreken uiterlijk binnen een maanden na heden deugdelijk te herstellen, mocht dit niet hebben plaatsgevonden dan is hij in verzuim. Tot slot stel ik hem aansprakelijk voor alle uit de tekortkoming voortvloeiende schade (…)”
2.17.
Op 26 april 2021 heeft de gemachtigde van DM Bouw aan de gemachtigde van [gedaagde] de reactie van [gedaagde] van 22 april 2021 doorgestuurd. Hierbij is ingegaan op de gebreken en verder is onder meer het volgende opgenomen:
“Kortom, er zijn voor ons aandachtspunten maar een gros van de genoemde punten zijn een (direct) gevolg van keuzes door opdrachtgever zelf. (…)
Opdrachtgever heeft de keuze gemaakt om veel werkzaamheden in eigen beheer uit te voeren en enkel het dak aan ons uit te besteden. (…) Het tekenwerk en constructieberekening zijn rechtsreeks in opdracht van opdrachtgever uitgevoerd. Deze verantwoordelijkheid kan dus ook niet bij DM Bouw liggen. Desondanks hebben we er allen baat bij om de werkzaamheden tot een goed einde te brengen en daartoe ben ik ook zeker bereid. Een gesprek met alle partijen is daartoe een goed begin.”
2.18.
Op 12 mei 2023 heeft DM Bouw aangekondigd een gerechtelijke procedure te starten.
2.19.
Bij brief van 13 juli 2023 heeft de gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van DM Bouw onder meer laten weten dat er gebreken zijn, dat DM Bouw de waarschuwingsplicht heeft geschonden en dat hij geen mogelijkheden ziet om samen tot een oplossing te komen. Ten slotte heeft [gedaagde] aanspraak gemaakt op vervangende schadevergoeding.
Geschil
in conventie
3.1.
DM Bouw vordert –samengevat– betaling van € 5.212,55, te vermeerderen met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van DM Bouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van DM Bouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van DM Bouw in de kosten van deze procedure.
in voorwaardelijke reconventie
3.3.
[gedaagde] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van DM Bouw tot betaling van een (vervangende) schadevergoeding van € 39.802,90, althans een in goede justitie te bepalen schadevergoeding, te verhogen met de kosten van de geraadpleegde deskundige ex artikel 6:96 lid 2 onder b BW van € 493,33, alsmede de buitengerechtelijke kosten ex artikel 6:96 lid 2 onder c BW jo. het Besluit buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over voormelde posten vanaf 9 april 2021 en te verhogen met de proceskosten en nakosten van dit geding.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Nu de vorderingen in conventie en in renconventie met elkaar samenhangen, zullen die vorderingen gezamenlijk besproken worden. DM Bouw heeft nakoming gevorderd van de overeenkomst (betaling voor de verrichte werkzaamheden), terwijl [gedaagde] in eerste instantie een beroep heeft gedaan op opschorting en vervolgens aanspraak heeft gemaakt op vervangende schadevergoeding vanwege de gestelde gebreken en het schenden van de waarschuwingsplicht.
4.2.
Vast staat dat de overeengekomen werkzaamheden nog altijd niet zijn afgerond, nu dit door [gedaagde] bij de zitting is aangegeven en dat niet is weersproken door DM Bouw.
4.3.
De kantonrechter zal eerst ingaan op het meest verstrekkende verweer van
DM Bouw tegen de vordering van [gedaagde] tot betaling van vervangende schadevergoeding, omdat zij een beroep heeft gedaan op verjaring zoals bedoeld in artikel 7:761 Burgerlijk Wetboek (BW). DM Bouw wijst erop dat tussen de brief van 9 april 2021 en de omzettingsverklaring in augustus 2023 meer dan twee jaar zijn verstreken. [gedaagde] is daarentegen van mening dat van verjaring geen sprake is omdat het werk nooit is opgeleverd.
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat voor een geslaagd beroep op de verjaringstermijn van twee jaar als bedoeld in artikel 7:761 BW het werk in ieder geval moet zijn opgeleverd. Uit artikel 7:758 BW volgt dat een werk eerst na aanvaarding door de opdrachtgever als opgeleverd wordt beschouwd. Nergens is uit gebleken dat het werk in voornoemde zin is opgeleverd, zodat het beroep op verjaring niet slaagt.
4.5.
In een situatie als deze, waar partijen vorderingen over en weer hebben ingesteld over dezelfde overeenkomst, komt het erop aan om vast te stellen welke partij in verzuim is komen te verkeren.
4.6.
De kantonrechter overweegt dat, ook als is komen vast te staan dat DM Bouw (nog) niet naar behoren had gepresteerd, DM Bouw op 26 april 2021 aan [gedaagde] heeft aangeboden om de werkzaamheden alsnog tot een goed einde te brengen en dat een gesprek daarover een goed begin zou zijn. DM Bouw heeft daarmee binnen twee weken na de brief van
9 april 2021 (welke brief als een ingebrekestelling aangemerkt zou kunnen worden) laten weten dat zij bereid was om de gebreken te herstellen. Over de wijze waarop wilde DM Bouw het gesprek aangaan. Hoewel DM Bouw in haar brief niet alle verantwoordelijkheid voor de gebreken op zich heeft genomen en die deels heeft teruggelegd bij [gedaagde], is hiermee een voldoende reëel en redelijk aanbod gedaan om de gebreken te herstellen en de werkzaamheden tot een goed einde te brengen. Dat de details en voor wiens rekening de kosten zouden komen, nog niet concreet waren, maakt dat niet anders. Vervolgens is het meer dan twee jaar stil gebleven aan de kant van [gedaagde]. Door in het geheel niet op in te gaan op de uitnodiging voor een gesprek, heeft [gedaagde] de nakoming van de overeenkomst door DM Bouw verhinderd. Niet is gesteld of gebleken dat de oorzaak van die verhindering (het niet aangaan van een gesprek over een oplossing) niet aan [gedaagde] kan worden toegerekend. Hiermee is sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van [gedaagde].
4.7.
Het verweer van [gedaagde] in conventie en de grondslag van de vordering in reconventie is verder dat DM Bouw niet aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan. De kantonrechter is van oordeel dat het zo kan zijn dat DM een waarschuwingsplicht had en dat zij die plicht heeft geschonden, maar aan die discussie komt de kantonrechter niet toe. Immers, het gesprek over de gebreken, de oorzaak en het herstel is niet van de grond gekomen en daarin had ook dit punt meegenomen moeten worden.
4.8.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] de betaling van de facturen niet had mogen opschorten en dat zijn vordering tot betaling van (vervangende) schadevergoeding niet toewijsbaar is. Daaruit volgt dat DM Bouw terecht aanspraak maakt op betaling van haar facturen. De hoogte van de facturen is op zich zelf niet betwist door [gedaagde]. De vordering in conventie is dan ook toewijsbaar en de vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen.
4.9.
DM Bouw vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom wordt € 635,00 toegewezen.
4.10.
Uit het voorgaande volgt dat in conventie in totaal een bedrag van € 5.212,55 aan hoofdsom wordt toegewezen en € 635,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, in totaal een bedrag van € 5.847,55.
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom en de buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigde vanaf de dag der dagvaarding.
4.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten), zowel in conventie als in reconventie, betalen. De proceskosten van DM Bouw in conventie worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
€
129,81
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.456,81
4.13.
De proceskosten in reconventie worden vastgesteld op € 271,50 (salaris gemachtigde, 1 punt € 543,00 x 0,5).
Dictum
De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan DM Bouw te betalen een bedrag van € 5.847,55, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.456,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen af,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 271,50,
5.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.W.J. Vinkes en in het openbaar uitgesproken op
21 mei 2024.
524