Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-05-21
ECLI:NL:RBNNE:2024:2084
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,012 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Assen
zaak-/rekestnummer: C/19/147106 / FA RK 24-446
beschikking van de meervoudige kamer d.d. 21 mei 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de vrouw,
advocaat mr. E. Blokzijl, kantoorhoudende te [woonplaats] ,
tegen
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de man,
advocaat mr. M. ter Brake, kantoorhoudende te Enschede.
Procesverloop
1.1.
De vrouw heeft op 5 maart 204 een verzoekschrift ingediend waarin zij verzoekt bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat, uitvoerbaar bij voorraad:
aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing van [minderjarige] naar [plaats 1] ;
aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor inschrijven van [minderjarige] op het [school] te [plaats 1] .
1.2.
[minderjarige] heeft bij schrijven van 22 maart 2024 diens mening over het verzoek aan de rechtbank kenbaar gemaakt.
1.3.
De rechtbank heeft op 16 april 2024 per email een verweerschrift van de man ontvangen.
1.4.
De rechtbank heeft de zaak behandeld op de mondelinge behandeling met gesloten deuren van 22 april 2024 in aanwezigheid van partijen bijgestaan door hun advocaten en D. Nowee namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.5.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de rechtbank met [minderjarige] gesproken.
Feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk zijn geboren;
[naam 1]
, geboren op [geboortedatum] 2003,
[naam 2]
, geboren op [geboortedatum] 2005, en
[naam 3]
(hierna [minderjarige] genoemd), geboren op [geboortedatum] 2008.
2.2.
Van de kinderen is alleen [minderjarige] nog minderjarige. [minderjarige] identificeert zich als non-binair. Op verzoek van [minderjarige] zal de rechtbank naar [minderjarige] verwijzen met "die" als persoonlijk voornaamwoord en "diens" als bezittelijk voornaamwoord. [minderjarige] heeft diens hoofdverblijf bij de vrouw.
2.3.
In verband met de voorgenomen echtscheiding hebben partijen in 2018 een ouderschapsplan opgesteld. Partijen zijn daarin onder andere overeengekomen dat de kinderen over het jaar genomen gedurende drie dagen per week bij de ene ouder en drie dagen per week bij de andere ouder zijn. Partijen zijn voorts overeengekomen dat zij op redelijke afstand van elkaar blijven wonen om de kinderen de gelegenheid te geven vanuit beide huizen dezelfde clubs en scholen te bezoeken. [minderjarige] woont sinds 2021 volledig bij de vrouw.
3De standpunten van partijen
De vrouw
3.1.
De vrouw legt aan haar verzoeken ten grondslag dat zij sinds 2017 een nieuwe partner heeft. De partner van de vrouw woont in [plaats 1] . De vrouw wil met haar nieuwe partner gaan samenwonen. De vrouw heeft aan de man toestemming gevraagd om met [minderjarige] naar [plaats 1] te mogen verhuizen, maar de man heeft daarvoor geen toestemming gegeven.
De vrouw heeft al jaren de wens om naar [plaats 1] te verhuizen. Omdat de beide oudste kinderen op kamers (gaan) wonen, is het moment nu aangebroken. De vrouw heeft weinig contacten in [woonplaats] en haar vader woont in Spijkenisse. Er wordt al jaren geen uitvoering gegeven aan de zorgregeling. De man speelt dan ook niet of nauwelijks een rol in het leven van [minderjarige] . De vrouw heeft jarenlang de zorg voor [minderjarige] gedragen. Dat was in verband met persoonlijke problematiek van [minderjarige] niet altijd makkelijk. De vrouw heeft van de man weinig steun ervaren in de zorg voor [minderjarige] . Ook niet op financieel gebied. Deze steun krijgt zij wel van haar nieuwe partner.
3.2.
De vrouw voert voorts aan dat zij nog steeds in de voormalige echtelijke woning woont en dat dit haar zwaar valt. Niet alleen emotioneel, maar ook financieel. De vrouw is afhankelijk van een uitkering. Wanneer zij gaat samenwonen met haar nieuwe partner, kunnen zij de woonlasten delen. De partner van de vrouw kan in verband met een gedeelde zorgregeling met zijn minderjarige kinderen niet naar [woonplaats] verhuizen.
3.3.
Volgens de vrouw is het ook de vurige wens van [minderjarige] om naar [plaats 1] te verhuizen. [minderjarige] kan in [woonplaats] diens draai niet vinden. Die heeft het erg moeilijk op school en heeft, omdat die vanwege diverse persoonlijke problematiek is afgestroomd van VWO naar (een voorbereiding voor) VMBO-t nauwelijks aansluiting bij klasgenoten. [minderjarige] heeft in [plaats 1] een middelbare school bezocht en merkte dat daar een open sfeer heerst waarin die zichzelf kan en mag zijn. De vrouw en [minderjarige] denken dat [minderjarige] in [plaats 1] het naderende examenjaar van VMBO-t gemakkelijk aan kan, zodat er voor wat betreft het afronden van haar opleiding volgend jaar geen problemen worden verwacht. [minderjarige] heeft daar wel psychische hulpverlening nodig, maar diens huidige psycholoog heeft aangeboden de gesprekken op afstand voort te zetten zolang [minderjarige] daar (nog) geen andere hulp gevonden heeft.
De man
3.4.
De man betwist dat er voor de vrouw een noodzaak bestaat om naar [plaats 1] te verhuizen. De door de vrouw aangevoerde argumenten zijn voornamelijk van relationeel/ emotioneel belang. Dat het voor de partner van de vrouw niet mogelijk is om naar [woonplaats] te verhuizen, wordt naar de mening van de man onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft ook de man een gedeelde zorgregeling met [minderjarige] . Deze regeling wordt op dit moment niet volledig nageleefd, maar de man wil niets liever dan het contact weer op bouwen.
Dat de vrouw na een verhuizing de woonlasten kan delen, is weliswaar juist, maar dit maakt naar de mening van de man niet dat een verhuizing noodzakelijk is.
3.5.
Partijen hebben in het ouderschapsplan een zorgregeling afgesproken. Hoewel deze regeling momenteel niet loopt, wenst de man dat deze wel weer wordt hersteld. Het herstel van contact geschiedt via de psycholoog van [minderjarige] . Volgens de man hebben hij en [minderjarige] er recht op de opbouwfase van het contact in alle rust en in de eigen vertrouwde omgeving te continueren, zonder daar grote veranderingen in aan te brengen. Een verhuizing naar [plaats 1] zal dit doorbreken. De man heeft er ook weinig vertrouwen in dat hij na een eventuele verhuizing naar [plaats 1] de mogelijkheid krijgt betrokken te worden bij het leven van [minderjarige] . De man wil niets liever dan een betrokken ouder zijn. Hij is echter nooit meegenomen in de plannen die er zijn gemaakt.
3.6.
De man voert verder aan dat [minderjarige] al jaren kampt met mentale en fysieke problemen. [minderjarige] is hyperhoogbegaafd waardoor het schooltraject moeizaam verloopt. Er is op de huidige school uitgebreide begeleiding door een multidisciplinair team en de school denkt mee met een programma op maat voor [minderjarige] . Hierdoor is [minderjarige] weer aanwezig op school. Het is van groot belang dat deze stijgende lijn in de schoolgang, de sociale contacten en het welzijn van [minderjarige] wordt voortgezet en niet komt te vervallen door de verhuizing. De man vreest dat dit door een verhuizing wel het geval zal zijn. De man voorziet dat de impact van de verhuizing op [minderjarige] heel groot zal zijn.
3.7.
De man betwijfelt tenslotte dat het de vurige wens van [minderjarige] is om te verhuizen naar [plaats 1] . De man verwijst naar het door hem overgelegde ontwikkelingsperspectief (OPP) waaruit blijkt dat [minderjarige] een zeer sociaal persoon is, fijne vriendschappen heeft en betrokken is bij de HB peergroep en GSA groep op school waarin die een positief aandeel heeft. [minderjarige] is naar de mening van de man dus wel degelijk geworteld in [woonplaats] . De man denkt dat de door [minderjarige] uitgesproken verhuiswens voortkomt uit loyaliteit en zorgplicht richting de vrouw.
3.8.
Mocht de rechtbank de verzoeken onverhoopt toewijzen, verzoekt de man de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, vanwege de enorme impact en de zorg om de feitelijke onomkeerbaarheid.
4Het standpunt en advies van de Raad
4.1.
De Raad constateert dat partijen zeer verschillend omgaan met de ontwikkelfase waarin [minderjarige] op dit moment zit. [minderjarige] komt wat ouder over dan diens kalenderleeftijd. Dat [minderjarige] de wens heeft om naar [plaats 1] te verhuizen, blijkt naar de mening van de Raad overduidelijk. Deze wens lijkt ook authentiek. Er is voor [minderjarige] hulp ingezet en deze hulp kan op een goede manier worden voortgezet.
Wat betreft de opbouw van contact met de man, heeft de Raad de indruk dat het huidige contact op dit moment het hoogst haalbare is. Afwijzing van het verzoek om te mogen verhuizen vanwege de wens van vader om [minderjarige] meer te zien, legt waarschijnlijk juist een enorme bom onder het contact.
De Raad adviseert de rechtbank om het verzoek van de vrouw toe te wijzen.
Beoordeling
5.1.
Aangezien beide partijen het gezag uitoefenen over [minderjarige] , valt dit geschil onder het beoordelingskader van artikel 1:253a lid 1 BW. Dat betekent dat de rechtbank een zodanige beslissing kan nemen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt.
5.2.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer ook het belang van [minderjarige] een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. De rechtbank dient bij de beslissing alle omstandigheden in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, zoals de noodzaak om te verhuizen, de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid, de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren, de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg, de rechten van de andere ouder en de kinderen op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving, de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg, de leeftijd van de kinderen en de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de afweging van de belangen van partijen en [minderjarige] ertoe leidt dat zij de vrouw vervangende toestemming geeft om met [minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
5.4.
De vrouw heeft onderbouwd waarom zij met [minderjarige] naar [plaats 1] wil verhuizen. Uit de door de vrouw aangevoerde argumenten blijkt weliswaar dat er bij de vrouw al jarenlang een wens tot verhuizen bestaat, maar hieruit volgt echter niet dat een verhuizing naar [plaats 1] voor de vrouw noodzakelijk is. Hoewel de rechtbank dus van oordeel is dat er bij de vrouw geen noodzaak tot verhuizing bestaat, hebben de vrouw en met name [minderjarige] wel belang bij de verhuizing. Uit de brief die [minderjarige] aan de rechtbank heeft gestuurd en het gesprek dat de rechtbank met [minderjarige] heeft gevoerd, blijkt dat die een diepgevoelde en consequente wens heeft om naar [plaats 1] te gaan. [minderjarige] voelt zich in [woonplaats] niet meer op diens plek. [minderjarige] is een nieuwe fase in diens leven ingeslagen en wordt door diens leefomgeving bij herhaling (negatief) geconfronteerd met degene die die eerder was. De rechtbank heeft begrip voor de wens van [minderjarige] om op een geheel nieuwe plek, waar mensen diens voorgeschiedenis niet kennen, opnieuw te beginnen.
5.5.
De man heeft zorgen geuit over de grote impact die een verhuizing op [minderjarige] als gevoelig en hoogbegaafd persoon zal kunnen hebben en wat dit zal betekenen voor het kunnen behalen van diens middelbare schooldiploma volgend jaar. Gelet op het verloop van diens schooljaren en de begeleiding die daarbij noodzakelijk is geweest, onder andere vanwege toetsvrees, begrijpt de rechtbank deze zorgen van de man, temeer nu het komende schooljaar voor [minderjarige] meteen een eindexamenjaar zal zijn. Echter, de vrouw en [minderjarige] hebben hiertegen ingebracht dat [minderjarige] met het huidige VMBO-t niveau nauwelijks nog stress ervaart bij het maken van toetsen. Ook heeft de vrouw stappen ondernomen om de hulpverlening aan [minderjarige] voort te zetten in [plaats 1] . Zij heeft onweersproken gesteld dat met de huidige psycholoog van [minderjarige] is afgesproken dat zij samen een nieuwe psycholoog in [plaats 1] zullen zoeken en indien dit onverhoopt niet, of niet tijdig zal lukken, de (online) gesprekken met de huidige psycholoog zullen worden voortgezet. Verder heeft de vrouw samen met [minderjarige] een school bezocht en de voorgenomen verhuizing met de hulpverlening en de huidige school besproken.
De rechtbank is daarmee van oordeel dat de verhuizing door de vrouw voldoende is doordacht en voorbereid om de eventuele negatieve gevolgen voor [minderjarige] zo goed mogelijk op te vangen.
5.6.
Ten aanzien van het bezwaar van de man met betrekking tot het recht op onverminderd contact in een vertrouwde omgeving, overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat er al geruime tijd geen uitvoering meer wordt gegeven aan de zorgregeling die partijen aanvankelijk hadden afgesproken. Nadat er sinds 2021 geen contact tussen de man en [minderjarige] is geweest, zijn zij onlangs weer voorzichtig met de opbouw van het contact begonnen. Dit betreft één of twee dagdelen per maand. Waar de man de voor de rechtbank zeer begrijpelijke wens heeft uitgesproken om het contact verder op te bouwen, heeft [minderjarige] aan de rechtbank meegedeeld dat voor die op dit moment het maximale aan contact is bereikt. [minderjarige] heeft daarbij aangegeven dat die het huidige contact met de man wel wenst voort te zetten, eventueel door de contactmomenten te combineren met bezoeken aan vrienden in [plaats 2] . De vrouw heeft daarbij toegezegd dat zij de reiskosten voor haar rekening zal nemen.
5.7.
Gelet op hetgeen met betrekking tot het contact tussen de man en [minderjarige] is komen vast te staan, is de rechtbank van oordeel dat een verhuizing van [minderjarige] naar [plaats 1] geen grote gevolgen hoeft te hebben voor hun onderlinge contact. De man heeft nog aangevoerd dat een spontaan contactmoment na een verhuizing niet meer mogelijk zal zijn. Gelet op de stelligheid van [minderjarige] ten aanzien van het contact met de man en het ontbreken van spontane momenten tot nu toe, is de rechtbank echter van oordeel dat aan dit argument minder gewicht toekomt. Daarbij is [minderjarige] (bijna) 16 en de rechtbank is van oordeel dat kinderen van die leeftijd niet meer tegen hun wil in een vaste contactregeling zijn te drukken. De rechtbank is van oordeel dat het verbieden van de verhuizing niet bevorderlijk zal zijn voor de band tussen [minderjarige] en de man.
5.8.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man en de vrouw al geruime tijd niet meer met elkaar in gesprek zijn. De communicatie tussen hen verloopt enkel nog per mail, of via de kinderen. De rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat de voorgenomen verhuizing daar een positieve, dan wel negatieve invloed op zal hebben. De rechtbank acht het wel in het belang van [minderjarige] dat partijen er alles aan doen om op een goede wijze met elkaar te communiceren en inhoud te geven aan hun gezamenlijk ouderschap. Op de vrouw rust daarbij ook de verplichting om de man te betrekken bij de ontwikkeling van [minderjarige] en de beslissingen die er met betrekking tot die moeten worden genomen. De rechtbank geeft partijen dan ook ernstig in overweging om deel te nemen aan een hulpverlenings- of mediationtraject, zodat zij de nodige handvatten aangereikt krijgen om hen daarbij behulpzaam te zijn. Partijen kunnen zich hiervoor aanmelden bij de gemeente(s) of hun huisarts.
5.9.
Alles overwegende en rekening houdende met de bij de beslissing tot verhuizing betrokken belangen, komt de rechtbank tot het oordeel dat aan de vrouw vervangende toestemming dient te worden verleend voor de door haar gewenst verhuizing met [minderjarige] naar [plaats 1] .
Vervangende toestemming inschrijving school
5.10.
Nu de rechtbank aan de vrouw de toestemming verleent om met [minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen, ligt nog ter beoordeling voor het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op een school in [plaats 1] . De man heeft weliswaar verweer gevoerd tegen de verhuizing, maar niet tegen het inschrijven van [minderjarige] op de verzochte school.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
verleent aan de vrouw vervangende toestemming voor een verhuizing van [minderjarige] naar [plaats 1] ;
6.2.
verleent aan de vrouw vervangende toestemming voor inschrijven van [minderjarige] op het [school] te [plaats 1] ;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.Th. van Wijk (voorzitter), F.P. Dresselhuys-Doeleman, en M.C. van Woudenberg en door eerstgenoemde in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2024, in aanwezigheid van de griffier.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
fn: mmv/615
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Assen
zaak-/rekestnummer: C/19/147106 / FA RK 24-446
beschikking van de meervoudige kamer d.d. 21 mei 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de vrouw,
advocaat mr. E. Blokzijl, kantoorhoudende te [woonplaats] ,
tegen
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de man,
advocaat mr. M. ter Brake, kantoorhoudende te Enschede.
Procesverloop
1.1.
De vrouw heeft op 5 maart 204 een verzoekschrift ingediend waarin zij verzoekt bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat, uitvoerbaar bij voorraad:
aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing van [minderjarige] naar [plaats 1] ;
aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor inschrijven van [minderjarige] op het [school] te [plaats 1] .
1.2.
[minderjarige] heeft bij schrijven van 22 maart 2024 diens mening over het verzoek aan de rechtbank kenbaar gemaakt.
1.3.
De rechtbank heeft op 16 april 2024 per email een verweerschrift van de man ontvangen.
1.4.
De rechtbank heeft de zaak behandeld op de mondelinge behandeling met gesloten deuren van 22 april 2024 in aanwezigheid van partijen bijgestaan door hun advocaten en D. Nowee namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.5.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de rechtbank met [minderjarige] gesproken.
Feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk zijn geboren;
[naam 1]
, geboren op [geboortedatum] 2003,
[naam 2]
, geboren op [geboortedatum] 2005, en
[naam 3]
(hierna [minderjarige] genoemd), geboren op [geboortedatum] 2008.
2.2.
Van de kinderen is alleen [minderjarige] nog minderjarige. [minderjarige] identificeert zich als non-binair. Op verzoek van [minderjarige] zal de rechtbank naar [minderjarige] verwijzen met "die" als persoonlijk voornaamwoord en "diens" als bezittelijk voornaamwoord. [minderjarige] heeft diens hoofdverblijf bij de vrouw.
2.3.
In verband met de voorgenomen echtscheiding hebben partijen in 2018 een ouderschapsplan opgesteld. Partijen zijn daarin onder andere overeengekomen dat de kinderen over het jaar genomen gedurende drie dagen per week bij de ene ouder en drie dagen per week bij de andere ouder zijn. Partijen zijn voorts overeengekomen dat zij op redelijke afstand van elkaar blijven wonen om de kinderen de gelegenheid te geven vanuit beide huizen dezelfde clubs en scholen te bezoeken. [minderjarige] woont sinds 2021 volledig bij de vrouw.
3De standpunten van partijen
De vrouw
3.1.
De vrouw legt aan haar verzoeken ten grondslag dat zij sinds 2017 een nieuwe partner heeft. De partner van de vrouw woont in [plaats 1] . De vrouw wil met haar nieuwe partner gaan samenwonen. De vrouw heeft aan de man toestemming gevraagd om met [minderjarige] naar [plaats 1] te mogen verhuizen, maar de man heeft daarvoor geen toestemming gegeven.
De vrouw heeft al jaren de wens om naar [plaats 1] te verhuizen. Omdat de beide oudste kinderen op kamers (gaan) wonen, is het moment nu aangebroken. De vrouw heeft weinig contacten in [woonplaats] en haar vader woont in Spijkenisse. Er wordt al jaren geen uitvoering gegeven aan de zorgregeling. De man speelt dan ook niet of nauwelijks een rol in het leven van [minderjarige] . De vrouw heeft jarenlang de zorg voor [minderjarige] gedragen. Dat was in verband met persoonlijke problematiek van [minderjarige] niet altijd makkelijk. De vrouw heeft van de man weinig steun ervaren in de zorg voor [minderjarige] . Ook niet op financieel gebied. Deze steun krijgt zij wel van haar nieuwe partner.
3.2.
De vrouw voert voorts aan dat zij nog steeds in de voormalige echtelijke woning woont en dat dit haar zwaar valt. Niet alleen emotioneel, maar ook financieel. De vrouw is afhankelijk van een uitkering. Wanneer zij gaat samenwonen met haar nieuwe partner, kunnen zij de woonlasten delen. De partner van de vrouw kan in verband met een gedeelde zorgregeling met zijn minderjarige kinderen niet naar [woonplaats] verhuizen.
3.3.
Volgens de vrouw is het ook de vurige wens van [minderjarige] om naar [plaats 1] te verhuizen. [minderjarige] kan in [woonplaats] diens draai niet vinden. Die heeft het erg moeilijk op school en heeft, omdat die vanwege diverse persoonlijke problematiek is afgestroomd van VWO naar (een voorbereiding voor) VMBO-t nauwelijks aansluiting bij klasgenoten. [minderjarige] heeft in [plaats 1] een middelbare school bezocht en merkte dat daar een open sfeer heerst waarin die zichzelf kan en mag zijn. De vrouw en [minderjarige] denken dat [minderjarige] in [plaats 1] het naderende examenjaar van VMBO-t gemakkelijk aan kan, zodat er voor wat betreft het afronden van haar opleiding volgend jaar geen problemen worden verwacht. [minderjarige] heeft daar wel psychische hulpverlening nodig, maar diens huidige psycholoog heeft aangeboden de gesprekken op afstand voort te zetten zolang [minderjarige] daar (nog) geen andere hulp gevonden heeft.
De man
3.4.
De man betwist dat er voor de vrouw een noodzaak bestaat om naar [plaats 1] te verhuizen. De door de vrouw aangevoerde argumenten zijn voornamelijk van relationeel/ emotioneel belang. Dat het voor de partner van de vrouw niet mogelijk is om naar [woonplaats] te verhuizen, wordt naar de mening van de man onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft ook de man een gedeelde zorgregeling met [minderjarige] . Deze regeling wordt op dit moment niet volledig nageleefd, maar de man wil niets liever dan het contact weer op bouwen.
Dat de vrouw na een verhuizing de woonlasten kan delen, is weliswaar juist, maar dit maakt naar de mening van de man niet dat een verhuizing noodzakelijk is.
3.5.
Partijen hebben in het ouderschapsplan een zorgregeling afgesproken. Hoewel deze regeling momenteel niet loopt, wenst de man dat deze wel weer wordt hersteld. Het herstel van contact geschiedt via de psycholoog van [minderjarige] . Volgens de man hebben hij en [minderjarige] er recht op de opbouwfase van het contact in alle rust en in de eigen vertrouwde omgeving te continueren, zonder daar grote veranderingen in aan te brengen. Een verhuizing naar [plaats 1] zal dit doorbreken. De man heeft er ook weinig vertrouwen in dat hij na een eventuele verhuizing naar [plaats 1] de mogelijkheid krijgt betrokken te worden bij het leven van [minderjarige] . De man wil niets liever dan een betrokken ouder zijn. Hij is echter nooit meegenomen in de plannen die er zijn gemaakt.
3.6.
De man voert verder aan dat [minderjarige] al jaren kampt met mentale en fysieke problemen. [minderjarige] is hyperhoogbegaafd waardoor het schooltraject moeizaam verloopt. Er is op de huidige school uitgebreide begeleiding door een multidisciplinair team en de school denkt mee met een programma op maat voor [minderjarige] . Hierdoor is [minderjarige] weer aanwezig op school. Het is van groot belang dat deze stijgende lijn in de schoolgang, de sociale contacten en het welzijn van [minderjarige] wordt voortgezet en niet komt te vervallen door de verhuizing. De man vreest dat dit door een verhuizing wel het geval zal zijn. De man voorziet dat de impact van de verhuizing op [minderjarige] heel groot zal zijn.
3.7.
De man betwijfelt tenslotte dat het de vurige wens van [minderjarige] is om te verhuizen naar [plaats 1] . De man verwijst naar het door hem overgelegde ontwikkelingsperspectief (OPP) waaruit blijkt dat [minderjarige] een zeer sociaal persoon is, fijne vriendschappen heeft en betrokken is bij de HB peergroep en GSA groep op school waarin die een positief aandeel heeft. [minderjarige] is naar de mening van de man dus wel degelijk geworteld in [woonplaats] . De man denkt dat de door [minderjarige] uitgesproken verhuiswens voortkomt uit loyaliteit en zorgplicht richting de vrouw.
3.8.
Mocht de rechtbank de verzoeken onverhoopt toewijzen, verzoekt de man de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, vanwege de enorme impact en de zorg om de feitelijke onomkeerbaarheid.
4Het standpunt en advies van de Raad
4.1.
De Raad constateert dat partijen zeer verschillend omgaan met de ontwikkelfase waarin [minderjarige] op dit moment zit. [minderjarige] komt wat ouder over dan diens kalenderleeftijd. Dat [minderjarige] de wens heeft om naar [plaats 1] te verhuizen, blijkt naar de mening van de Raad overduidelijk. Deze wens lijkt ook authentiek. Er is voor [minderjarige] hulp ingezet en deze hulp kan op een goede manier worden voortgezet.
Wat betreft de opbouw van contact met de man, heeft de Raad de indruk dat het huidige contact op dit moment het hoogst haalbare is. Afwijzing van het verzoek om te mogen verhuizen vanwege de wens van vader om [minderjarige] meer te zien, legt waarschijnlijk juist een enorme bom onder het contact.
De Raad adviseert de rechtbank om het verzoek van de vrouw toe te wijzen.
Beoordeling
5.1.
Aangezien beide partijen het gezag uitoefenen over [minderjarige] , valt dit geschil onder het beoordelingskader van artikel 1:253a lid 1 BW. Dat betekent dat de rechtbank een zodanige beslissing kan nemen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt.
5.2.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer ook het belang van [minderjarige] een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. De rechtbank dient bij de beslissing alle omstandigheden in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, zoals de noodzaak om te verhuizen, de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid, de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren, de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg, de rechten van de andere ouder en de kinderen op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving, de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg, de leeftijd van de kinderen en de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de afweging van de belangen van partijen en [minderjarige] ertoe leidt dat zij de vrouw vervangende toestemming geeft om met [minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
5.4.
De vrouw heeft onderbouwd waarom zij met [minderjarige] naar [plaats 1] wil verhuizen. Uit de door de vrouw aangevoerde argumenten blijkt weliswaar dat er bij de vrouw al jarenlang een wens tot verhuizen bestaat, maar hieruit volgt echter niet dat een verhuizing naar [plaats 1] voor de vrouw noodzakelijk is. Hoewel de rechtbank dus van oordeel is dat er bij de vrouw geen noodzaak tot verhuizing bestaat, hebben de vrouw en met name [minderjarige] wel belang bij de verhuizing. Uit de brief die [minderjarige] aan de rechtbank heeft gestuurd en het gesprek dat de rechtbank met [minderjarige] heeft gevoerd, blijkt dat die een diepgevoelde en consequente wens heeft om naar [plaats 1] te gaan. [minderjarige] voelt zich in [woonplaats] niet meer op diens plek. [minderjarige] is een nieuwe fase in diens leven ingeslagen en wordt door diens leefomgeving bij herhaling (negatief) geconfronteerd met degene die die eerder was. De rechtbank heeft begrip voor de wens van [minderjarige] om op een geheel nieuwe plek, waar mensen diens voorgeschiedenis niet kennen, opnieuw te beginnen.
5.5.
De man heeft zorgen geuit over de grote impact die een verhuizing op [minderjarige] als gevoelig en hoogbegaafd persoon zal kunnen hebben en wat dit zal betekenen voor het kunnen behalen van diens middelbare schooldiploma volgend jaar. Gelet op het verloop van diens schooljaren en de begeleiding die daarbij noodzakelijk is geweest, onder andere vanwege toetsvrees, begrijpt de rechtbank deze zorgen van de man, temeer nu het komende schooljaar voor [minderjarige] meteen een eindexamenjaar zal zijn. Echter, de vrouw en [minderjarige] hebben hiertegen ingebracht dat [minderjarige] met het huidige VMBO-t niveau nauwelijks nog stress ervaart bij het maken van toetsen. Ook heeft de vrouw stappen ondernomen om de hulpverlening aan [minderjarige] voort te zetten in [plaats 1] . Zij heeft onweersproken gesteld dat met de huidige psycholoog van [minderjarige] is afgesproken dat zij samen een nieuwe psycholoog in [plaats 1] zullen zoeken en indien dit onverhoopt niet, of niet tijdig zal lukken, de (online) gesprekken met de huidige psycholoog zullen worden voortgezet. Verder heeft de vrouw samen met [minderjarige] een school bezocht en de voorgenomen verhuizing met de hulpverlening en de huidige school besproken.
De rechtbank is daarmee van oordeel dat de verhuizing door de vrouw voldoende is doordacht en voorbereid om de eventuele negatieve gevolgen voor [minderjarige] zo goed mogelijk op te vangen.
5.6.
Ten aanzien van het bezwaar van de man met betrekking tot het recht op onverminderd contact in een vertrouwde omgeving, overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat er al geruime tijd geen uitvoering meer wordt gegeven aan de zorgregeling die partijen aanvankelijk hadden afgesproken. Nadat er sinds 2021 geen contact tussen de man en [minderjarige] is geweest, zijn zij onlangs weer voorzichtig met de opbouw van het contact begonnen. Dit betreft één of twee dagdelen per maand. Waar de man de voor de rechtbank zeer begrijpelijke wens heeft uitgesproken om het contact verder op te bouwen, heeft [minderjarige] aan de rechtbank meegedeeld dat voor die op dit moment het maximale aan contact is bereikt. [minderjarige] heeft daarbij aangegeven dat die het huidige contact met de man wel wenst voort te zetten, eventueel door de contactmomenten te combineren met bezoeken aan vrienden in [plaats 2] . De vrouw heeft daarbij toegezegd dat zij de reiskosten voor haar rekening zal nemen.
5.7.
Gelet op hetgeen met betrekking tot het contact tussen de man en [minderjarige] is komen vast te staan, is de rechtbank van oordeel dat een verhuizing van [minderjarige] naar [plaats 1] geen grote gevolgen hoeft te hebben voor hun onderlinge contact. De man heeft nog aangevoerd dat een spontaan contactmoment na een verhuizing niet meer mogelijk zal zijn. Gelet op de stelligheid van [minderjarige] ten aanzien van het contact met de man en het ontbreken van spontane momenten tot nu toe, is de rechtbank echter van oordeel dat aan dit argument minder gewicht toekomt. Daarbij is [minderjarige] (bijna) 16 en de rechtbank is van oordeel dat kinderen van die leeftijd niet meer tegen hun wil in een vaste contactregeling zijn te drukken. De rechtbank is van oordeel dat het verbieden van de verhuizing niet bevorderlijk zal zijn voor de band tussen [minderjarige] en de man.
5.8.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man en de vrouw al geruime tijd niet meer met elkaar in gesprek zijn. De communicatie tussen hen verloopt enkel nog per mail, of via de kinderen. De rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat de voorgenomen verhuizing daar een positieve, dan wel negatieve invloed op zal hebben. De rechtbank acht het wel in het belang van [minderjarige] dat partijen er alles aan doen om op een goede wijze met elkaar te communiceren en inhoud te geven aan hun gezamenlijk ouderschap. Op de vrouw rust daarbij ook de verplichting om de man te betrekken bij de ontwikkeling van [minderjarige] en de beslissingen die er met betrekking tot die moeten worden genomen. De rechtbank geeft partijen dan ook ernstig in overweging om deel te nemen aan een hulpverlenings- of mediationtraject, zodat zij de nodige handvatten aangereikt krijgen om hen daarbij behulpzaam te zijn. Partijen kunnen zich hiervoor aanmelden bij de gemeente(s) of hun huisarts.
5.9.
Alles overwegende en rekening houdende met de bij de beslissing tot verhuizing betrokken belangen, komt de rechtbank tot het oordeel dat aan de vrouw vervangende toestemming dient te worden verleend voor de door haar gewenst verhuizing met [minderjarige] naar [plaats 1] .
Vervangende toestemming inschrijving school
5.10.
Nu de rechtbank aan de vrouw de toestemming verleent om met [minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen, ligt nog ter beoordeling voor het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op een school in [plaats 1] . De man heeft weliswaar verweer gevoerd tegen de verhuizing, maar niet tegen het inschrijven van [minderjarige] op de verzochte school.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
verleent aan de vrouw vervangende toestemming voor een verhuizing van [minderjarige] naar [plaats 1] ;
6.2.
verleent aan de vrouw vervangende toestemming voor inschrijven van [minderjarige] op het [school] te [plaats 1] ;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.Th. van Wijk (voorzitter), F.P. Dresselhuys-Doeleman, en M.C. van Woudenberg en door eerstgenoemde in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2024, in aanwezigheid van de griffier.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
fn: mmv/615