Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-04-19
ECLI:NL:RBNNE:2024:1674
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,617 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/2614
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: drs. C. Atema),
en
het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân, verweerder
(gemachtigden: R.P. Doting en K.Y. Tamminga).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijk verklaring van haar bezwaar.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Tussen eiseres en verweerder is in 2017 een erfpachtovereenkomst gesloten met betrekking tot het perceel gelegen aan [adres] .
2.1.
Op 26 januari 2023 heeft de gemachtigde van eiseres een e-mail naar verweerder gestuurd met het verzoek tot verlaging van de erfpachtcanon voor het betreffende perceel.
2.2.
Verweerder heeft op 22 februari 2023 per email, en vervolgens op 23 maart 2023 per brief, aangegeven geen aanleiding te zien om over te gaan tot verlaging van de erfpachtcanon.
2.3.
Tegen de afwijzing op het verzoek om verlaging van de erfpachtcanon heeft eiseres bezwaar aangetekend.
2.4.
In het besluit van 31 mei 2023 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de afwijzing van het verzoek tot verlaging van de erfpachtcanon geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk mocht verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
6. Om te kunnen spreken van een beslissing die vatbaar is voor bezwaar of beroep dient te worden voldaan aan de definitie uit artikel 1:3 van de Awb. Dit artikel bepaalt dat het moet gaan om een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
6.1.
Het sluiten van een erfpachtovereenkomst is een naar burgerlijk recht te verrichten rechtshandeling waaraan ook een erfpachtcanon verbonden kan zijn. Op grond van het Burgerlijk Wetboek komt deze bevoegdheid in beginsel toe aan een ieder. Dit betekent dat het geen exclusieve bevoegdheid voor het bestuur betreft waardoor het geen publiekrechtelijke rechtshandeling is.
6.2.
Dat eiseres verzoekt om verlaging van de erfpachtcanon is dan ook niet een onderwerp dat tot een besluit kan leiden. Een geschil hierover kan eventueel aan de civiele rechter worden voorgelegd.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.
7. De daarnaast aangevoerde gronden tot vernietiging van de erfpachtovereenkomst vanwege mogelijke doorkruising van een publiekrechtelijke regeling zijn niet vatbaar voor beroep bij de bestuursrechter. Ook hiervoor ontbreekt een publiekrechtelijke grondslag. De rechtbank beoordeelt de gronden met betrekking tot vernietiging van de erfpachtovereenkomst dan ook niet inhoudelijk.
8. Het betoog van eisers dat verweerder had moeten besluiten op grond van de Waterschapswet en het gevoerde beleid, maakt het oordeel van de rechtbank over het privaatrechtelijke karakter van de erfpachtovereenkomst en de beslissing over de erfpachtcanon, niet anders.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, rechter, in aanwezigheid van I. Nauta, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 1:3
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
(…)
Artikel 7:1
1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij:
(…)
2. Tegen de beslissing op het bezwaar kan beroep worden ingesteld met toepassing van de voorschriften die gelden voor het instellen van beroep tegen het besluit waartegen bezwaar is gemaakt.
Artikel 8:1
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
Artikel 7:1 jo 8:1 van de Awb