Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-04-23
ECLI:NL:RBNNE:2024:1656
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,943 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/650
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E.P. Groot),
en
Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van het verzoek om compensatie kinderopvangtoeslag.
1.1.
Verweerder heeft de kinderopvangtoeslag die eiseres over de jaren 2008 tot en met 2011 teveel heeft ontvangen, teruggevorderd. Eiseres heeft zich bij verweerder gemeld als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire en verzocht om compensatie.
1.2.
Met de besluiten van 11 mei 2021 en 10 juni 2021 heeft verweerder de compensatieaanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 december 2022 op de bezwaren van eiseres is verweerder bij die afwijzing gebleven, zodat de terugvorderingen ook in stand zijn gebleven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiseres. Verweerder was niet aanwezig.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres om compensatie heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft verweerder de aanvraag om compensatie kinderopvangtoeslag terecht afgewezen?
5.1.
Eiseres voert aan dat zij schade heeft geleden als gevolg van het besluit. Doordat het verzoek om compensatie is afgewezen, moest zij noodgedwongen een lening aangaan om de terugvorderingen af te kunnen lossen. Dit was alleen mogelijk bij Wehkamp en tegen een zeer hoge rente.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 2.1., derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), bepaalt dat eiseres aannemelijk en concreet dient te maken dat de schade die zij heeft geleden daadwerkelijk het gevolg is van de kinderopvangtoeslagbesluiten.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat uit onderzoek van de bezwaaradviescommissie (BAC) is gebleken dat eiseres de lening met Wehkamp al in 2008 is aangegaan. Dit betekent dat deze schade niet in verband kan worden gebracht met de latere terugvorderingsbesluiten van de kinderopvangtoeslag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag dan ook terecht afgewezen.
Zijn er omstandigheden aanwezig waardoor verweerder van zijn besluit had moeten afwijken?
6.1.
Eiseres voert aan dat zij financieel in een moeilijke situatie is geraakt. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de notitie die haar persoonlijk zaaksbehandelaar heeft geschreven. Haar zaaksbehandelaar heeft daarin uiteengezet waarom er volgens hem bij eiseres sprake is van hardheid van het wettelijk systeem, zoals bedoeld in artikel 2.1., derde lid, onderdeel b, Wht. Eiseres sluit zich aan bij de inhoud van deze notitie en zij verbaast zich erover dat verweerder deze omstandigheden niet heeft laten meewegen bij zijn besluit.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat de opgevoerde omstandigheden door eiseres rechtstreeks worden gekoppeld aan de schuld die is ontstaan uit de lening met forse rente bij Wehkamp. Omdat reeds is vastgesteld dat deze lening niet in verband kan worden gebracht met de terugvorderingsbesluiten, kunnen de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet worden meegewogen. De rechtbank zal zich daarom beperken tot het oordeel dat er van bijzondere omstandigheden niet is gebleken.
Is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd?
7.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.
7.2.
De rechtbank overweegt dat voor de motivering van het bestreden besluit wordt verwezen naar het advies van de BAC. Het besluit wijkt niet af van het advies van de BAC en dit wordt ook in het besluit vermeld. Het advies is met het besluit meegezonden. In het beroepschrift wordt door eiseres verwezen naar de inhoud van dit advies. Uit deze factoren tezamen blijkt dat het voor eiseres voldoende duidelijk is waar zij haar gronden op moet richten. Voor de rechtbank bestaat er daarom geen aanleiding te oordelen dat er sprake is van een gebrekkige motivering van het besluit.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Bosklopper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1. Compensatie en aanvullende compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag
1. De Belastingdienst/Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
(…)
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
3 Aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met zevende lid, wordt door de Belastingdienst/Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend.
Terugwerkende kracht
Stb. 2022, 434, datum inwerkingtreding 05-11-2022, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 26-01-2021.