Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-03-26
ECLI:NL:RBNNE:2024:1449
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,003 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Leeuwarden
Zaaknummer: C/17/194184 / JE RK 24-242
Datum uitspraak: 26 maart 2024
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,
gevestigd te Leeuwarden,
hierna te noemen de GI (gecertificeerde instelling),
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats]
[naam]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H.D. Postma, kantoorhoudende te Leeuwarden.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Bij beschikking van 21 maart 2024 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de met gezag belaste moeder verleend voor de duur van vier weken, te weten tot 18 april 2024. De behandeling van het verzoek voor het overige is aangehouden tot de zitting met gesloten deuren op 26 maart 2024.
1.2.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen van de GI, binnengekomen bij de rechtbank op 22 maart 2024.
1.3.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 maart 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- [naam] en [naam] , namens de GI.
1.4.
De moeder en [minderjarige] zijn per e-mail opgeroepen voor de zitting, maar niet ter zitting verschenen. De GI heeft ter zitting aangegeven dat de moeder en [minderjarige] wel op de hoogte zijn van de zitting.
2De standpunten
2.1.
Ter zitting heeft de GI aangegeven dat het verzoek zich beperkt tot de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 19 juni 2024. De GI heeft aangegeven dat zij op 21 maart 2024 met [minderjarige] heeft gesproken. Hij gaf toen aan dat hij meerdere keren ruzie had gehad met de vader. Tijdens een ruzie op 19 maart 2024 zou de vader volgens [minderjarige] hem uit bed hebben getrokken en door de kamer hebben gegooid. Ook heeft [minderjarige] verteld dat hij is vastgepakt bij zijn armen door de vader en tegen zijn hoofd is geslagen. Een forensisch arts van de GGD heeft het letsel bekeken bij [minderjarige] en het letsel op de armen is passend bij hardhandig vastpakken. Op 21 maart 2024 liepen de spanningen opnieuw op volgens [minderjarige] . De GI heeft op 21 maart 2024 meerdere pogingen gedaan om met de vader in contact te komen. Dit is niet gelukt. Daarom is de GI in gesprek gegaan met de moeder en zij wilde de zorg voor [minderjarige] , die zijn hoofdverblijf bij de vader heeft, wel op zich nemen. Daarom is een machtiging tot uithuisplaatsing gevraagd voor het verblijf bij de andere ouder.
Ter zitting heeft de GI aangegeven dat [minderjarige] weer terug wil naar de vader. Met veiligheidsafspraken en de inzet van ambulante spoedhulp verwacht de GI dat [minderjarige] deze week weer terug kan naar de vader. Indien ze vader op 21 maart te pakken hadden gekregen dan was het mogelijk anders gelopen.
2.2.
De vader begrijpt dat [minderjarige] vorige week tijdelijk bij zijn moeder moest verblijven. Het klopt dat hij [minderjarige] heeft vastgepakt en hij daardoor blauwe plekken heeft gekregen, maar dit was om erger te voorkomen. [minderjarige] schopt alles kapot als hij boos is. De vader wil dat [minderjarige] naar school gaat. Hij spijbelt en pubert stevig en speelt de situatie uit om niet naar schol te hoeven. De vader is recent nog met hem naar de huisarts geweest en hij krijgt nu een jongerenwerker waar hij zijn verhaal kwijt kan. De vader staat grotendeels alleen voor de opvoeding van [minderjarige] . Dit is al van jongs af aan het geval. De vader voelt zich onvoldoende gesteund en geeft aan dat hij overal aan mee wil werken. Ook wil hij graag dat [minderjarige] conform de tussen de ouders overeengekomen omgangsregeling ook bij de moeder verblijft. Dat is al langere tijd niet het geval.
Namens de vader is aangeven dat een machtiging tot uithuisplaatsing niet noodzakelijk is, omdat de vader overal aan mee wil werken.
Beoordeling
3.1.
De door de GI mondeling toegelichte zorgen hebben erin geresulteerd dat de kinderrechter op 21 maart 2024 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend. Dit was nodig, omdat er een forse escalatie was tussen [minderjarige] en de vader en de vader onbereikbaar was. Op de zitting is duidelijk geworden dat [minderjarige] en de vader beiden willen dat [minderjarige] weer terug naar de vader gaat. De vader is bereid hulpverlening in de thuissituatie te accepteren. De kinderrechter vindt het belangrijk dat deze hulp er komt om de vader te ondersteunen bij de opvoeding van [minderjarige] . Nu deze hulpverlening deze week geregeld wordt en [minderjarige] deze week terug gaat naar de vader, is de machtiging tot uithuisplaatsing na vrijdag 29 maart 2024 niet langer noodzakelijk. De kinderrechter herroept daarom met ingang van 30 maart 2024 de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing en wijst het aangehouden deel van het verzoek af.
3.2.
De kinderrechter benadrukt dat naast het regelen van hulpverlening bij de vader, de GI ook aan de slag moet met de omgang tussen [minderjarige] en de moeder. Op de zitting is gebleken dat de omgang niet structureel plaatsvindt. De GI zal hier zicht op moeten krijgen en in het belang van [minderjarige] hierop moeten acteren. Ook verwacht de kinderrechter dat de GI bekijkt of er hulp moet worden ingezet voor de gebrekkige samenwerking tussen de ouders.
Dictum
De kinderrechter:
4.1.
herroept de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de met gezag belaste moeder met ingang van 30 maart 2024;
4.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
wijst het verzoek voor het overige af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024 door mr. J. Teertstra, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Bos als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 3 april 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.