Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-04-19
ECLI:NL:RBNNE:2024:1429
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,310 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 22/4105
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , uit Ten Boer, verzoeker
(gemachtigde: mr. M.P.A. Oogjen),
en
de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (Nationaal Coördinator Groningen), verweerder
(gemachtigden: mr. R.M. Don en mr. T.C.A. Hofman).
Inleiding
1.1.
In het primaire besluit van 23 december 2021 heeft verweerder gesteld dat de woning van eiser (woning) aangemerkt kan worden als behorende tot typologie Metselwerk 7, dat dit betekent dat de woning voldoet aan de veiligheidsnorm en dat versterking daarom niet nodig is. In het besluit op bezwaar van 22 december 2022 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en overwogen dat de woning niet typologisch ingedeeld kan worden. Verder heeft verweerder overwogen dat nader onderzoek naar de veiligheid van de woning moet plaatsvinden. Verzoeker heeft beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft op 27 september 2023 een onderzoek ter plaatse verricht. Daarbij zijn afspraken gemaakt over het vervolg. Op 11 januari 2024 is een beoordelingsrapport over de woning definitief vastgesteld. Op 17 januari 2024 heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen. In dit nieuwe besluit heeft verweerder geconcludeerd dat de woning niet voldoet aan de veiligheidsnorm en heeft verweerder besloten dat de woning wordt opgenomen in een versterkingstraject.
2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep. Hij heeft het beroep ingetrokken naar aanleiding van het nieuwe besluit op bezwaar van 17 januari 2024.
2.1.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft medegedeeld bereid te zijn de proceskosten en het griffierecht van de beroepsprocedure te vergoeden conform artikel 8:41, zevende lid, en artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling
3. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
4. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is verweerder aan verzoeker tegemoetgekomen?
5. Niet is in geschil dat verweerder tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoeker.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoeker vergoeden?
6. De rechtbank wijst het verzoek toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift heeft ingediend (1 punt), omdat de gemachtigde op 27 september 2023 het onderzoek ter plaatse heeft bijgewoond (0,5 punt) en omdat de gemachtigde na het onderzoek ter plaatse schriftelijk heeft gerepliceerd (0,5 punt). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
7. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden..
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.