Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-03-26
ECLI:NL:RBNNE:2024:1221
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,280 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 10529377 CV EXPL 23-3317
Vonnis van 26 maart 2024
in de zaak van
Hogeschool Utrecht,
gevestigd te Utrecht,
eiseres,
hierna te noemen: Hogeschool Utrecht,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[voornaam] [gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Hogeschool Utrecht vordert bij dagvaarding, op de daarin geformuleerde gronden, dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een bedrag van € 689,64 aan Hogeschool Utrecht te betalen, vermeerderd met rente en kosten.
1.2.
Tegen [gedaagde] is verstek verleend.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
[gedaagde] heeft zich online ingeschreven voor de opleiding B Fysiotherapie bij de Hogeschool Utrecht via studielink (een landelijk digitaal systeem van alle Nederlandse hogescholen en universiteiten voor inschrijving). De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is van toepassing op deze overeenkomst. Deze wet regelt de manier van inschrijving (via Studielink) voor een opleiding en de toelating tot het onderwijs. Ook is de (vaststelling van de) hoogte van het collegegeld wettelijk geregeld. Hogeschool Utrecht vordert in deze procedure betaling van (een deel van) dit collegegeld.
2.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter valt de onderhavige overeenkomst (voor wat betreft het onderhavige collegegeld), anders dan de kantonrechter eerder heeft geoordeeld, niet onder de reikwijdte van de informatieplichten als bedoeld in afdeling 6.5.2B BW en zij overweegt daarover als volgt.
2.3.
De in afdeling 6.5.2B BW geregelde informatieplichten komen voort uit de Richtlijn 2011/83/EU betreffende consumentenrechten. Uit de Richtlijn 2011/83/EU volgt, kort gezegd, dat deze richtlijn tot doel heeft een hoog consumentenbeschermingsniveau te verwezenlijken op de Europese interne markt en niet verder gaat dan nodig is voor deze doelstelling, in die zin dat de (economische) belangen van de consument op de interne markt worden beschermd en gewaarborgd.
2.4.
De Hogeschool Utrecht maakt deel uit van het openbaar onderwijsstelsel en wordt volledig of hoofzakelijk uit de staatskas gefinancierd. De Hogeschool Utrecht verricht geen werkzaamheden tegen een vergoeding, maar vervult een taak van algemeen belang ten dienste van de bevolking. Dit is een activiteit van algemeen belang die buiten de werkingssfeer van afdeling 6.5.2B BW valt. Daarbij vloeit de inschrijfprocedure (via Studielink) voort uit de WHW en deze procedure van inschrijven is gevolgd. De (vaststelling van de) hoogte van het collegegeld is wettelijk geregeld en gewaarborgd. Dit alles betekent dat de WHW de rechtsverhouding tussen partijen volledig beheerst en waarborgt. De kantonrechter zal gelet hierop niet ambtshalve aan de informatieplichten als bedoeld in afdeling 6.5.2B BW toetsen.
2.5.
De gevorderde hoofdsom van € 576,28 komt de kantonrechter tegen deze achtergrond niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zal worden toegewezen. Ditzelfde geldt voor de gevorderde wettelijke rente van € 8,77.
2.6.
De vordering voldoet ook aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, zodat het hiervoor gevorderde bedrag van € 104,59 zal worden toegewezen.
2.7.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de van Hogeschool Utrecht worden begroot op een bedrag van:
dagvaardingskosten: € 130,49
griffierecht: € 322,00
salaris gemachtigde: € 135,00
nakosten: € 67,50
totaal: € 654,99
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Hogeschool Utrecht een bedrag van € 689,64 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 576,28 vanaf de dagvaarding tot de dag van de volledige voldoening;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Hogeschool Utrecht begroot op een bedrag van € 654,99;
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst voor zover nodig het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024.
48315
Overweging 65 preambule Richtlijn 2011/83/EU en artikel 1 Richtlijn 2011/83/EU.