Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2024-03-19
ECLI:NL:RBNNE:2024:1162
Civiel recht
Wraking
1,406 tokens
Dictum
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Wrakingskamer
zaaknummer: C/18/232698 KG RK 24-77.
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de verzoeker
strekkende tot de wraking van
mr. E.Th.M. Zwart-Sneek
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 maart 2024;
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 5 maart 2024;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 11 maart 2024.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het wrakingsverzoek strekt tot wraking van mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, die is belast met de behandeling van de civiele procedure met zaaknummer 10778241 \ CV EXPL 23-5940. In voornoemde procedure is [eiser] de eisende partij en verzoeker de gedaagde partij.
2.2.
De verzoeker heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek, kort samengevat, aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij twijfelt aan de onpartijdigheid van de rechter. Daartoe heeft de verzoeker aangevoerd dat naar zijn oorddeel de rechter reeds op voorhand bevooroordeeld was. Tevens heeft de verzoeker aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij geen bewijs mocht weerleggen, terwijl aan de eisende partij de gelegenheid is geboden om zowel ter zitting als na de zitting nadere stukken aan te leveren.
2.3.
De rechter heeft op het verzoek gereageerd en heeft laten weten niet in de wraking te berusten.
Beoordeling
3.1.
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
3.2.
Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening gehouden worden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank volgen uit het schriftelijke wrakingsverzoek alsmede uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 maart 2024 onvoldoende concrete feiten of omstandigheden waaruit de vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid.
3.4.
Het wrakingsverzoek richt zich mede tegen de beslissing van de rechter om de eisende partij in de procedure in de gelegenheid te stellen een nadere akte te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een gangbare procedurele beslissing, waarover de wrakingskamer geen oordeel toekomt. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt met zich dat een rechterlijke (tussen)beslissing nooit een grond kan vormen voor wraking. Dit is alleen anders indien (de motivering van) die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is in casu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling dat de rechter de verzoeker tevens in de gelegenheid heeft gesteld om een week later bij antwoord akte te reageren op de door de eisende partij te nemen akte.
3.5.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank
4.1.
wijst het verzoek af;
4.2.
bepaalt dat de procedure met zaaknummer 10778241 \ CV EXPL 23-5940 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;
4.3.
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan:
- de verzoeker;
- mr. E.Th.M. Zwart-Sneek;
- de betrokken partijen.
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. C.W. Couperus-van Kooten en mr. H.J. Idzenga, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. M.A. Toussaint, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2024.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Zie HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.