Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-11-13
ECLI:NL:RBNNE:2023:5637
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,228 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rekestnummer: C/17/188002 / FA RK 23-253
beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 13 november 2023
inzake
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen: de man,
advocaat: mr. R. Tamourt, kantoorhoudende te Burgum,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.J. Buitenhuis, kantoorhoudende te Leeuwarden.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering
gevestigd te Leeuwarden,
hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling).
1Het verdere procesverloop
1.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 12 mei 2023, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, is de zaak over het gezag ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] [achternaam] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , aangehouden naar de pro forma datum van 14 september 2023, in afwachting van onderzoek en advisering door de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden (verder: RvdK).
1.2.
Na de hiervoor genoemde beschikking heeft de rechtbank kennis genomen van:
een uitstelbericht van de RvdK van 16 augustus 2023;
een rapport van de RvdK van 22 september 2023, vergezeld van een advies;
een brief van mr. Buitenhuis, namens de vrouw van 28 september 2023;
een bericht van mr. Tamourt, namens de man van 2 oktober 2023.
1.3.
De zaak is daarna in het elektronisch familiejournaal voor beschikking op heden bepaald.
Beoordeling
Advies van de RvdK
2.1.
De RvdK adviseert de rechtbank om het verzoek van de man om samen met de vrouw met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te worden belast aan te houden voor de duur van 9 maanden, om de ouders de gelegenheid te geven in de tussenliggende periode hulpverlening in te roepen. Hierbij heeft de RvdK aangegeven, dat het de verwachting is dat er dan meer duidelijkheid is over het mediationtraject van de ouders, de individuele hulpverlening van de vrouw en het verloop van de omgang tussen de man en [minderjarige] . De RvdK is bereid om te zijner tijd na een opdracht daartoe van de rechtbank nader/aanvullend onderzoek te doen en opnieuw te rapporteren en te adviseren in deze zaak.
2.2.
De RvdK heeft opgemerkt, dat er mogelijk een juridische belemmering is ten aanzien van de toewijzing van het verzoek van de man, nog los van de vraag of dit in het belang van [minderjarige] is. Enkel een juridisch ouder kan belast worden met het ouderlijk (gezamenlijk) gezag. De RvdK heeft in haar onderzoek geconstateerd dat de man [minderjarige] niet heeft erkend (in Nederland) en dat er dan ook geen sprake is van een juridisch ouder. De man heeft in de procedure stukken overgelegd waaruit mogelijk een erkenning van [minderjarige] in Hongarije zou blijken. De vraag is of deze erkenning ook in Nederland zou gelden. Over deze erkenning dient dan ook eerst duidelijkheid te komen, zodat sprake is van een juridisch ouder naar Nederlands recht.
Standpunt van partijen
2.3.
Partijen hebben ieder de rechtbank bericht akkoord te gaan met aanhouding van de zaak voor de duur van 9 maanden. De rechtbank zal ook tot deze aanhouding overgaan, maar eerst de door de RvdK opgeroepen vragen beantwoorden.
Oordeel van de rechtbank
2.4.
Zoals beschikking van 12 mei 2023 blijkt, kan op grond van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) een tot het gezag bevoegde vader het verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten doen. Hieruit blijkt dat de rechtbank de man als juridisch vader ziet. Nu hier mogelijk onduidelijkheid over bestaat, zal de rechtbank hierna uiteenzetten waarom de man de juridische vader is van [minderjarige] .
2.5.
Uit de gedingstukken blijkt dat de man [minderjarige] via de Hongaarse Ambassade te Haag met toestemming van de vrouw bij akte van [datum] (verder: akte) heeft erkend. Tijdens de mondelinge behandeling op 12 april 2023 hebben beide partijen dit bevestigd.
2.6.
Op grond van artikel 10:101 lid 1 BW wordt een buitenslands tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte, van rechtswege in Nederland erkend, tenzij sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10:100 lid 1 sub b (gebrek aan behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging vooraf) of sub c BW (erkenning is kennelijk onverenigbaar met de openbare orde). Volgens artikel 10:101 lid 2 BW doet de weigeringsgrond bedoeld in artikel 10:100 lid 1 sub c BW zich met betrekking tot de erkenning in elk geval voor:
a. indien deze is verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen;
b. indien, wat de toestemming van de moeder of het kind betreft, niet is voldaan aan de vereisten van het recht dat ingevolge artikel 10:95 lid 3 BW toepasselijk is, of;
c. indien de akte kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft.
2.7.
Niet gesteld of gebleken is dat de akte niet zou zijn opgemaakt door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften als bedoeld in artikel 10:101 lid 1 BW. Evenmin is gebleken dat is voldaan aan een van de weigeringsgronden in artikel 10:100 lid 1 sub b of sub c jo. artikel 10:101 lid 2 BW. Dat betekent dat de erkenning van [minderjarige] door de man van rechtswege wordt erkend in Nederland. Dit betekent echter niet dat het automatisch wordt geregistreerd in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand, daarvoor moeten partijen zich wenden tot de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente. De rechtbank houdt partijen voor dit alsnog te bewerkstelligen.
2.8.
De rechtbank zal de zaak (het verzoek tot wijziging van het gezag) in navolging van het advies van de RvdK en met instemming van partijen voor een periode van 9 maanden (pro forma) aanhouden met opdracht aan partijen en de GI zoals hierna te noemen.
2.9.
De rechtbank beslist als volgt.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
verwijst de zaak wat betreft het gezag naar 22 augustus 2024, pro forma;
3.2.
draagt partijen op uiterlijk twee weken vóór de pro forma datum van 22 augustus 2024 de rechtbank schriftelijk te berichten over de stand van zaken met betrekking tot het gezag, alsmede met betrekking tot hetgeen de rechtbank hiervoor in de randnummers 2.7. heeft overwogen, alsmede hoe de procedure dient te worden voortgezet;
3.3.
draagt de GI op uiterlijk twee weken vóór de pro forma datum van 22 augustus 2024, voor zover dan nog sprake is van een ondertoezichtstelling, de rechtbank schriftelijk te berichten over hoe het met [minderjarige] gaat, hoe de contacten met zijn ouders verlopen, alsmede het standpunt ten aanzien van het gezag aan te geven;
3.4.
bepaalt dat partijen de rechtbank om een pro forma afdoening bij vervroeging kunnen verzoeken als daartoe aanleiding bestaat;
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Teertstra, (kinder)rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op13 november 2013.
fn: 433