Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-10-12
ECLI:NL:RBNNE:2023:5542
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,210 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 22/3334
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2023 in de zaak tussen
[eisers], uit [woonplaats], eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waadhoeke
(gemachtigden: H. Kempenaar en G. Haaisma).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [plaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: [naam]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de verleende omgevingsvergunning voor het vestigen van een technisch dienstverlenend bedrijf voor het stalen/reinigen van machines en onderdelen aan de [adres] te [plaats].
1.1.
Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 7 oktober 2020 verleend. Met het bestreden besluit van 19 juli 2022 op het bezwaar van eisers heeft het college de omgevingsvergunning, met een aanvullende motivering en nadere voorwaarden, in stand gelaten.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college en vergunninghouder met zijn gemachtigde.
Totstandkoming van het besluit
2. Het college heeft op 7 oktober 2020 een omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een technisch dienstverlenend bedrijf voor het stalen/reinigen van machines en onderdelen aan de [adres] te [plaats]. De vergunning is verleend met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan.
2.1.
Ter plaatse gelden krachtens het bestemmingsplan ‘Berltsum – Bedrijventerrein West’ de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Daarnaast geldt op een gedeelte van de gronden de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’ en op een gedeelte van de gronden de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’. Het bedrijf van vergunninghouder valt volgens de ‘Handreiking bedrijven en milieuzonering’ van de VNG (hierna: de VNG-Handreiking) in milieucategorie 4.1 en is daarom in strijd met het bestemmingsplan.
2.2.
Eisers wonen op het adres [adres] te [plaats]. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.3.
Het college heeft met het besluit van 25 januari 2021, onder overname van het advies van de adviescommissie bezwaarschriften, het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
2.4.
Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het besluit van 25 januari 2021 met de uitspraak van 1 maart 2022 (zaaknummers LEE 21/706 en LEE 21/708) vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
2.5.
Met het bestreden besluit van 19 juli 2022 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij het de verleende omgevingsvergunning met een aanvullende motivering en nadere voorwaarden in stand heeft gelaten.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de verleende vergunning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
4. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Eerdere uitspraak rechtbank
5. De rechtbank heeft het besluit van 25 januari 2021, waarbij het bezwaar van eisers ongegrond is verklaard, met de uitspraak van 1 maart 2022 vernietigd. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank geen goede ruimtelijke onderbouwing aan de verleende omgevingsvergunning ten grondslag gelegd. Daarbij zijn door de rechtbank – kort gezegd - de volgende gebreken geconstateerd:
Het college heeft onvoldoende getoetst of met deze afwijking van het bestemmingsplan geen sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening. Het moet duidelijk zijn waarop de ruimtelijke overweging van het college is gebaseerd, welke voorwaarden daarbij volgens het college moeten worden opgenomen en wat de afweging is die het college daarbij maakt;
In de verleende omgevingsvergunning is onvoldoende gewaarborgd dat uitsluitend het bedrijf van vergunninghouder in de huidige omvang ter plaatse wordt toegestaan. In de omgevingsvergunning is niet vastgelegd welke werkzaamheden ter plaatse precies zijn toegestaan en hierover zijn ook geen concrete voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden;
Ten onrechte is door het college in de belangenafweging uitsluitend getoetst aan het Activiteitenbesluit en niet aan de goede ruimtelijke ordening waarbij ook wordt gekeken naar de vraag of sprake is dan wel blijft van een goed woon- en leefklimaat.
5.1.
Het college heeft in het nieuwe besluit op bezwaar een nadere motivering gegeven. Daarin wordt toegelicht dat door de door vergunninghouder gebruikte technieken en getroffen maatregelen geen stofuitstoot naar buiten plaatsvindt. Qua geluidsbelasting volgt uit onderzoek van de Fumo dat aan de normen uit de VNG-Handreiking wordt voldaan. Voor het overige is geen sprake van ruimtelijke gevolgen die leiden tot een onevenredige afbreuk van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Het college concludeert dat geen sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening.
5.1.1.
Het college heeft daarnaast met het bestreden besluit de werkzaamheden die ter plaatse worden uitgevoerd in de omgevingsvergunning opgenomen en voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbonden.
Is er voldaan aan de eerdere uitspraak van de rechtbank?
Omschrijving werkzaamheden
6. Eisers voeren aan dat de aanvullende motivering van het college niet voldoet aan de eisen die de rechtbank daar in de uitspraak van 1 maart 2022 aan gesteld heeft. Het enige wat in het nieuwe besluit op bezwaar is veranderd is dat er maar één persoon gelijktijdig in de cabine werkzaam mag zijn.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting is gebleken dat de omschrijving van de werkzaamheden in de omgevingsvergunning onvolledig is. In de vergunningaanvraag wordt naast het stralen met droogijs ook het stralen van voorwerpen door middel van gladparelstralen benoemd. Ter zitting heeft vergunninghouder verklaard dat deze activiteit in de praktijk inderdaad plaatsvindt. Deze activiteit ontbreekt echter in de omschrijving van de werkzaamheden in de omgevingsvergunning. Dat betekent dat het college geen adequate uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 1 maart 2022.
6.1.1.
Daarnaast is ter zitting gebleken dat in de voorwaarden die het college aan de omgevingsvergunning heeft verbonden de voorwaarde ontbreekt dat de werkzaamheden, met uitzondering van het gebruik en de plaatsing van de dieselcompressor, enkel in de loods mogen plaatsvinden. Het college heeft ter zitting aangegeven dat deze voorwaarde wel aan de omgevingsvergunning zou moeten worden verbonden. Sterker nog, dat er enkel werkzaamheden in de loods plaatsvinden is volgens het college een belangrijke reden voor het toestaan van een bedrijf in een hogere milieucategorie op deze locatie. Vergunninghouder heeft ter zitting verklaard dat hij akkoord is met het verbinden van deze voorwaarde aan de omgevingsvergunning, omdat de werkzaamheden in de praktijk altijd in de loods plaatsvinden.
6.2.
Gelet op het vorenstaande slaagt het betoog van eisers.
7. In het kader van finale geschilbeslechting, ziet de rechtbank aanleiding om ook de overige beroepsgronden van eisers te bespreken.
Goede ruimtelijke ordening
8. Eisers betogen dat zij nog steeds geluidsoverlast ondervinden van de dieselcompressor. Daarnaast kijkt het college volgens eisers bij het bepalen of aan de richtafstanden van de VNG-handreiking wordt voldaan ten onrechte naar de afstand van het bedrijf tot privéwoningen in de woonwijk in plaats van de woningen op het industrieterrein zelf. Het college komt nu tot de conclusie dat de afstand tot de meest nabijgelegen woning 38 meter is terwijl dit tijdens de vorige zitting bij de rechtbank nog 30 meter zou zijn.
9. De rechtbank begrijpt de belangenafweging die het college heeft gemaakt zo dat volgens het college geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers, omdat sprake is van een al bestaand industrieterrein, de werkzaamheden enkel binnen in de loods en binnen de dagperiode plaatsvinden en worden uitgevoerd door één medewerker. Daardoor is, zo stelt het college, ondanks dat het een bedrijf betreft in milieucategorie 4.1., de ruimtelijke impact van het bedrijf op de omgeving voor een dergelijk bedrijf relatief beperkt. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eisers nog steeds overlast ervaren van het bedrijf, kan de rechtbank het college volgen in de gegeven onderbouwing. Daarbij betrekt de rechtbank dat nu, anders dan bij het eerdere besluit dat door de rechtbank vernietigd is, meerdere voorwaarden aan de omgevingsvergunning zijn verbonden om de goede ruimtelijke ordening en het goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Dit betreft niet, zoals eisers stellen, enkel de voorwaarde dat er maar één persoon gelijktijdig in de cabine werkzaam mag zijn.
9.1.
Voor zover eisers aanvoeren geluidsoverlast van de dieselcompressor te ervaren, overweegt de rechtbank dat de adviezen van de Fumo van 12 juni 2020 en 6 oktober 2020 blijkt dat ruimschoots aan de grenswaarden van de VNG-Handreiking en het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Eisers hebben niet onderbouwd, met bijvoorbeeld een tegenrapport, dat de conclusies in het akoestisch onderzoek onjuist zijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor de conclusie dat de adviezen van de Fumo ondeugdelijk of onvolledig zouden zijn en het college zich daar niet op had mogen baseren.
9.2.
Voor zover eisers betogen dat onduidelijkheid bestaat over de afstand tussen het bedrijf en de dichtstbijzijnde woning, overweegt de rechtbank dat ter zitting duidelijk is geworden dat de afstand van 30 meter de afstand tussen de loods en de erfgrens van de dichtstbijzijnde woning betreft en de afstand van 38 meter ziet op de afstand tussen de loods en het bijgebouw van de dichtstbij gelegen woning. Er is niet gebleken dat het college daarbij van onjuiste afstanden is uitgegaan.
10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat en geen sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening. In zoverre slaagt deze beroepsgrond niet.
Overige gronden
11.
Conclusie
12. Het beroep is gegrond omdat niet volledig uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 1 maart 2022. De in het bestreden besluit vermelde werkzaamheden waar de omgevingsvergunning betrekking op heeft en voorwaarden die daarin aan de omgevingsvergunning zijn verbonden, zijn namelijk onvolledig. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit in zoverre.
13. De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien door de werkzaamheden waarop de omgevingsvergunning ziet en de aan de omgevingsvergunning verbonden voorwaarden, aan te vullen. De werkzaamheden worden aangevuld met de activiteit ‘gladparelstralen’. Als aanvullende voorwaarde geldt dat de werkzaamheden uitsluitend in de loods plaatsvinden, met uitzondering van het gebruik van de dieselcompressor. Partijen hebben namelijk ter zitting verklaard daarmee in te stemmen.
14. De werkzaamheden waar de omgevingsvergunning op ziet en de aan de vergunning verbonden voorwaarden komen dan dus als volgt te luiden:
“Deze omgevingsvergunning ziet op de volgende werkzaamheden:
Reinigen/stralen met droogijs in de cabine;
Gladparelstralen;
Incidenteel herstel van kleine beschadigingen met verf;
Montage en demontage van diverse voortuigen en onderdelen.
Hierbij gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
De activiteiten vinden uitsluitend plaats binnen de dagperiode (tussen 7.00 en 19.00 uur);
Binnen de inrichting vinden geen spuitactiviteiten plaats;
De werkzaamheden vinden, met uitzondering van het gebruik van de dieselcompressor, uitsluitend in de loods plaats;
Tijdens de werkzaamheden dienen de deuren gesloten te blijven;
De dieselcompressor wordt opgesteld zoals aangegeven in de geluidsberekening;
De straal- en reinigingswerkzaamheden mogen maximaal door één persoon gelijktijdig uitgevoerd worden.”
15. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 19 juli 2022 voor zover daarin is bepaald op welke werkzaamheden de omgevingsvergunning ziet en welke voorwaarden aan de omgevingsvergunning zijn verbonden;
bepaalt dat de omgevingsvergunning ziet op de onder 14. vermelde activiteiten en bepaalt dat aan de omgevingsvergunning de onder 14. vermelde voorwaarden zijn verbonden;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 19 juli 2022;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. E.T. de Boer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet (…).
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de in het eerste lid bedoelde activiteiten.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
(…)
Besluit omgevingsrecht
Bijlage II
Artikel 4
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
(…)
9.het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;
(…)
Bestemmingsplan ‘Berltsum – Bedrijventerrein West’
Artikel 4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
bedrijven zoals genoemd in de categorie 1 van de bij deze regels behorende bijlage 1 ‘Staat van Bedrijven’ uitsluitend op gronden ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 1”;
bedrijven zoals genoemd in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende bijlage 1 ‘Staat van Bedrijven’ uitsluitend op gronden ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 2”;
bedrijven zoals genoemd in de categorieën 1 tot en met 3.1 van de bij deze regels behorende bijlage 1 ‘Staat van Bedrijven’, uitsluitend op gronden ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 3.1”;
bedrijven zoals genoemd in de categorieën 1 tot en met 3.2 van de bij deze regels behorende bijlage 1 ‘Staat van Bedrijven’, op gronden ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 3.2”;
bedrijfswoningen, met dien verstande dat deze uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning” en dat gronden ter plaatse van deze aanduiding uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van de woonfunctie van de bij het bedrijf behorende bedrijfswoning,
met de daarbij behorende:
groenvoorzieningen;
openbare nutsvoorzieningen;
verkeers- en verblijfsvoorzieningen;
water- en oeverstroken, waterberging en waterhuishouding,
(…)
In samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 1, onder b, van de Wabo.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 22/3334
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2023 in de zaak tussen
[eisers], uit [woonplaats], eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waadhoeke
(gemachtigden: H. Kempenaar en G. Haaisma).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [plaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: [naam]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de verleende omgevingsvergunning voor het vestigen van een technisch dienstverlenend bedrijf voor het stalen/reinigen van machines en onderdelen aan de [adres] te [plaats].
1.1.
Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 7 oktober 2020 verleend. Met het bestreden besluit van 19 juli 2022 op het bezwaar van eisers heeft het college de omgevingsvergunning, met een aanvullende motivering en nadere voorwaarden, in stand gelaten.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college en vergunninghouder met zijn gemachtigde.
Totstandkoming van het besluit
2. Het college heeft op 7 oktober 2020 een omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een technisch dienstverlenend bedrijf voor het stalen/reinigen van machines en onderdelen aan de [adres] te [plaats]. De vergunning is verleend met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan.
2.1.
Ter plaatse gelden krachtens het bestemmingsplan ‘Berltsum – Bedrijventerrein West’ de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Daarnaast geldt op een gedeelte van de gronden de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’ en op een gedeelte van de gronden de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’. Het bedrijf van vergunninghouder valt volgens de ‘Handreiking bedrijven en milieuzonering’ van de VNG (hierna: de VNG-Handreiking) in milieucategorie 4.1 en is daarom in strijd met het bestemmingsplan.
2.2.
Eisers wonen op het adres [adres] te [plaats]. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.3.
Het college heeft met het besluit van 25 januari 2021, onder overname van het advies van de adviescommissie bezwaarschriften, het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
2.4.
Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het besluit van 25 januari 2021 met de uitspraak van 1 maart 2022 (zaaknummers LEE 21/706 en LEE 21/708) vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
2.5.
Met het bestreden besluit van 19 juli 2022 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij het de verleende omgevingsvergunning met een aanvullende motivering en nadere voorwaarden in stand heeft gelaten.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de verleende vergunning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
4. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Eerdere uitspraak rechtbank
5. De rechtbank heeft het besluit van 25 januari 2021, waarbij het bezwaar van eisers ongegrond is verklaard, met de uitspraak van 1 maart 2022 vernietigd. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank geen goede ruimtelijke onderbouwing aan de verleende omgevingsvergunning ten grondslag gelegd. Daarbij zijn door de rechtbank – kort gezegd - de volgende gebreken geconstateerd:
Het college heeft onvoldoende getoetst of met deze afwijking van het bestemmingsplan geen sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening. Het moet duidelijk zijn waarop de ruimtelijke overweging van het college is gebaseerd, welke voorwaarden daarbij volgens het college moeten worden opgenomen en wat de afweging is die het college daarbij maakt;
In de verleende omgevingsvergunning is onvoldoende gewaarborgd dat uitsluitend het bedrijf van vergunninghouder in de huidige omvang ter plaatse wordt toegestaan. In de omgevingsvergunning is niet vastgelegd welke werkzaamheden ter plaatse precies zijn toegestaan en hierover zijn ook geen concrete voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden;
Ten onrechte is door het college in de belangenafweging uitsluitend getoetst aan het Activiteitenbesluit en niet aan de goede ruimtelijke ordening waarbij ook wordt gekeken naar de vraag of sprake is dan wel blijft van een goed woon- en leefklimaat.
5.1.
Het college heeft in het nieuwe besluit op bezwaar een nadere motivering gegeven. Daarin wordt toegelicht dat door de door vergunninghouder gebruikte technieken en getroffen maatregelen geen stofuitstoot naar buiten plaatsvindt. Qua geluidsbelasting volgt uit onderzoek van de Fumo dat aan de normen uit de VNG-Handreiking wordt voldaan. Voor het overige is geen sprake van ruimtelijke gevolgen die leiden tot een onevenredige afbreuk van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Het college concludeert dat geen sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening.
5.1.1.
Het college heeft daarnaast met het bestreden besluit de werkzaamheden die ter plaatse worden uitgevoerd in de omgevingsvergunning opgenomen en voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbonden.
Is er voldaan aan de eerdere uitspraak van de rechtbank?
Omschrijving werkzaamheden
6. Eisers voeren aan dat de aanvullende motivering van het college niet voldoet aan de eisen die de rechtbank daar in de uitspraak van 1 maart 2022 aan gesteld heeft. Het enige wat in het nieuwe besluit op bezwaar is veranderd is dat er maar één persoon gelijktijdig in de cabine werkzaam mag zijn.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting is gebleken dat de omschrijving van de werkzaamheden in de omgevingsvergunning onvolledig is. In de vergunningaanvraag wordt naast het stralen met droogijs ook het stralen van voorwerpen door middel van gladparelstralen benoemd. Ter zitting heeft vergunninghouder verklaard dat deze activiteit in de praktijk inderdaad plaatsvindt. Deze activiteit ontbreekt echter in de omschrijving van de werkzaamheden in de omgevingsvergunning. Dat betekent dat het college geen adequate uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 1 maart 2022.
6.1.1.
Daarnaast is ter zitting gebleken dat in de voorwaarden die het college aan de omgevingsvergunning heeft verbonden de voorwaarde ontbreekt dat de werkzaamheden, met uitzondering van het gebruik en de plaatsing van de dieselcompressor, enkel in de loods mogen plaatsvinden. Het college heeft ter zitting aangegeven dat deze voorwaarde wel aan de omgevingsvergunning zou moeten worden verbonden. Sterker nog, dat er enkel werkzaamheden in de loods plaatsvinden is volgens het college een belangrijke reden voor het toestaan van een bedrijf in een hogere milieucategorie op deze locatie. Vergunninghouder heeft ter zitting verklaard dat hij akkoord is met het verbinden van deze voorwaarde aan de omgevingsvergunning, omdat de werkzaamheden in de praktijk altijd in de loods plaatsvinden.
6.2.
Gelet op het vorenstaande slaagt het betoog van eisers.
7. In het kader van finale geschilbeslechting, ziet de rechtbank aanleiding om ook de overige beroepsgronden van eisers te bespreken.
Goede ruimtelijke ordening
8. Eisers betogen dat zij nog steeds geluidsoverlast ondervinden van de dieselcompressor. Daarnaast kijkt het college volgens eisers bij het bepalen of aan de richtafstanden van de VNG-handreiking wordt voldaan ten onrechte naar de afstand van het bedrijf tot privéwoningen in de woonwijk in plaats van de woningen op het industrieterrein zelf. Het college komt nu tot de conclusie dat de afstand tot de meest nabijgelegen woning 38 meter is terwijl dit tijdens de vorige zitting bij de rechtbank nog 30 meter zou zijn.
9. De rechtbank begrijpt de belangenafweging die het college heeft gemaakt zo dat volgens het college geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers, omdat sprake is van een al bestaand industrieterrein, de werkzaamheden enkel binnen in de loods en binnen de dagperiode plaatsvinden en worden uitgevoerd door één medewerker. Daardoor is, zo stelt het college, ondanks dat het een bedrijf betreft in milieucategorie 4.1., de ruimtelijke impact van het bedrijf op de omgeving voor een dergelijk bedrijf relatief beperkt. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eisers nog steeds overlast ervaren van het bedrijf, kan de rechtbank het college volgen in de gegeven onderbouwing. Daarbij betrekt de rechtbank dat nu, anders dan bij het eerdere besluit dat door de rechtbank vernietigd is, meerdere voorwaarden aan de omgevingsvergunning zijn verbonden om de goede ruimtelijke ordening en het goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Dit betreft niet, zoals eisers stellen, enkel de voorwaarde dat er maar één persoon gelijktijdig in de cabine werkzaam mag zijn.
9.1.
Voor zover eisers aanvoeren geluidsoverlast van de dieselcompressor te ervaren, overweegt de rechtbank dat de adviezen van de Fumo van 12 juni 2020 en 6 oktober 2020 blijkt dat ruimschoots aan de grenswaarden van de VNG-Handreiking en het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Eisers hebben niet onderbouwd, met bijvoorbeeld een tegenrapport, dat de conclusies in het akoestisch onderzoek onjuist zijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor de conclusie dat de adviezen van de Fumo ondeugdelijk of onvolledig zouden zijn en het college zich daar niet op had mogen baseren.
9.2.
Voor zover eisers betogen dat onduidelijkheid bestaat over de afstand tussen het bedrijf en de dichtstbijzijnde woning, overweegt de rechtbank dat ter zitting duidelijk is geworden dat de afstand van 30 meter de afstand tussen de loods en de erfgrens van de dichtstbijzijnde woning betreft en de afstand van 38 meter ziet op de afstand tussen de loods en het bijgebouw van de dichtstbij gelegen woning. Er is niet gebleken dat het college daarbij van onjuiste afstanden is uitgegaan.
10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat en geen sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening. In zoverre slaagt deze beroepsgrond niet.
Overige gronden
11.
Conclusie
12. Het beroep is gegrond omdat niet volledig uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 1 maart 2022. De in het bestreden besluit vermelde werkzaamheden waar de omgevingsvergunning betrekking op heeft en voorwaarden die daarin aan de omgevingsvergunning zijn verbonden, zijn namelijk onvolledig. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit in zoverre.
13. De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien door de werkzaamheden waarop de omgevingsvergunning ziet en de aan de omgevingsvergunning verbonden voorwaarden, aan te vullen. De werkzaamheden worden aangevuld met de activiteit ‘gladparelstralen’. Als aanvullende voorwaarde geldt dat de werkzaamheden uitsluitend in de loods plaatsvinden, met uitzondering van het gebruik van de dieselcompressor. Partijen hebben namelijk ter zitting verklaard daarmee in te stemmen.
14. De werkzaamheden waar de omgevingsvergunning op ziet en de aan de vergunning verbonden voorwaarden komen dan dus als volgt te luiden:
“Deze omgevingsvergunning ziet op de volgende werkzaamheden:
Reinigen/stralen met droogijs in de cabine;
Gladparelstralen;
Incidenteel herstel van kleine beschadigingen met verf;
Montage en demontage van diverse voortuigen en onderdelen.
Hierbij gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
De activiteiten vinden uitsluitend plaats binnen de dagperiode (tussen 7.00 en 19.00 uur);
Binnen de inrichting vinden geen spuitactiviteiten plaats;
De werkzaamheden vinden, met uitzondering van het gebruik van de dieselcompressor, uitsluitend in de loods plaats;
Tijdens de werkzaamheden dienen de deuren gesloten te blijven;
De dieselcompressor wordt opgesteld zoals aangegeven in de geluidsberekening;
De straal- en reinigingswerkzaamheden mogen maximaal door één persoon gelijktijdig uitgevoerd worden.”
15. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 19 juli 2022 voor zover daarin is bepaald op welke werkzaamheden de omgevingsvergunning ziet en welke voorwaarden aan de omgevingsvergunning zijn verbonden;
bepaalt dat de omgevingsvergunning ziet op de onder 14. vermelde activiteiten en bepaalt dat aan de omgevingsvergunning de onder 14. vermelde voorwaarden zijn verbonden;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 19 juli 2022;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. E.T. de Boer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet (…).
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de in het eerste lid bedoelde activiteiten.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
(…)
Besluit omgevingsrecht
Bijlage II
Artikel 4
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
(…)
9.het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;
(…)
Bestemmingsplan ‘Berltsum – Bedrijventerrein West’
Artikel 4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
bedrijven zoals genoemd in de categorie 1 van de bij deze regels behorende bijlage 1 ‘Staat van Bedrijven’ uitsluitend op gronden ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 1”;
bedrijven zoals genoemd in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende bijlage 1 ‘Staat van Bedrijven’ uitsluitend op gronden ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 2”;
bedrijven zoals genoemd in de categorieën 1 tot en met 3.1 van de bij deze regels behorende bijlage 1 ‘Staat van Bedrijven’, uitsluitend op gronden ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 3.1”;
bedrijven zoals genoemd in de categorieën 1 tot en met 3.2 van de bij deze regels behorende bijlage 1 ‘Staat van Bedrijven’, op gronden ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 3.2”;
bedrijfswoningen, met dien verstande dat deze uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding “bedrijfswoning” en dat gronden ter plaatse van deze aanduiding uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van de woonfunctie van de bij het bedrijf behorende bedrijfswoning,
met de daarbij behorende:
groenvoorzieningen;
openbare nutsvoorzieningen;
verkeers- en verblijfsvoorzieningen;
water- en oeverstroken, waterberging en waterhuishouding,
(…)
In samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 1, onder b, van de Wabo.