Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-12-11
ECLI:NL:RBNNE:2023:5203
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,631 tokens
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Assen
parketnummer 18.276655.22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 december 2023 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 november 2023.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.J.J. Bosma, advocaat te Spier. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homans-de Boer.
De benadeelde partijen zijn bijgestaan door mr. L.H. Poortman-de Boer.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 september 2021, nabij [adres] , in elk geval in de gemeente Midden-Drenthe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - in plaats van tijdig en/of voldoende uit te wijken voor en/of voldoende afstand te bewaren tot en/of zoveel mogelijk rekening te houden met een in dezelfde richting als verdachte rijdende menkar die door verdachte van achteren werd genaderd en/of ingehaald, althans getracht werd in te halen,
- tegen die menkar is aangereden of aangebotst, waardoor de bestuurder van die menkar (genaamd
[slachtoffer 1] ) werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 september 2021, nabij [adres] , in elk geval in de gemeente Midden-Drenthe, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de
[adres] , met dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig,
in plaats van tijdig en/of voldoende uit te wijken voor en/of voldoende afstand te bewaren tot en/of zoveelmogelijk rekening te houden met een in dezelfde richting als verdachte rijdende menkar die door verdachte van achteren werd genaderd en/of ingehaald, althans getracht werd in te halen,
tegen die menkar is aangereden of aangebotst, door welke gedraging(en) van verdachte de bestuurdervan die paardenkar, te weten [slachtoffer 1] , werd gedood en/of gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair ten laste gelegde feit en veroordeling gevorderd voor het subsidiair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de raadsvrouw onder meer aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte schuld heeft aan het ontstaan van het verkeersongeval. Voorts staan in het procesverbaal VerkeersOngevallenAnalyse (hierna: VOA) aannames en onjuiste conclusies. De eindpositie van het voertuig van verdachte zegt namelijk niets over de plaats op de weg van de botsing, omdat verdachte na de botsing zijn voertuig verder weg heeft geparkeerd. Verder volgt uit het proces-verbaal van de VOA dat het linkerwiel van de menkar een wringspoor zou hebben gemaakt. Een wringspoor wordt gemaakt door een geblokkeerd wiel en het linkerwiel kon na het ongeval nog vrij draaien. Er is niet onderzocht of het rechterwiel een wringspoor heeft kunnen maken. Indien de auto tegen de linkerachterzijde van de menkar is aangebotst dan zou de gehele aanspanning zijn geroteerd nu het een menkar met een starre middenboom betrof. De pony aan de linkerkant zou dan moeten zijn geraakt en dat is niet het geval. Het proces-verbaal VOA, dat onvolledig en onjuist is, kan de verklaring van verdachte dat hij helemaal links reed en de ponys onverwacht naar links uitweken, niet ter zijde schuiven. Tot slot merkt de raadsvrouw op dat de verklaring van verdachte wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] . Voorts vindt de raadsvrouw het opmerkelijk dat getuige [getuige] heeft verklaard dat er druk op hem is uitgeoefend om zijn afgelegde getuigenverklaring te herzien.
Oordeel van de rechtbank
Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Op de [adres] , nabij [adres] heeft op 8 september 2021 een ongeval plaatsgevonden op dan wel nabij het viaduct over de A28. Ter plaatse heeft er een onderzoek plaatsgevonden door de VOA en zijn er fotos gemaakt van de aangetroffen situatie. Gekeken is naar de afgetekende sporen op het wegdek, op de rechter geleiderail alsook op de beide betrokken voertuigen. Tevens heeft er een schade-inpassing van de beide voertuigen plaatsgevonden. Aan de hand van de aangetroffen schades en sporen konden de voertuigen op de onderzoekslocatie zodanig tegen elkaar aan geplaatst worden dat duidelijk werd op welke wijze de voertuigen met elkaar in botsing zijn gekomen. In het procesdossier bevinden zich tevens de fotos die hiervan zijn gemaakt. Op grond van het verrichte onderzoek kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat er een overlap was van circa 48 centimeter tussen de rechtervoorzijde van de Mercedes en de linkerachterzijde van de menkar.
De aangetroffen sporen op het wegdek zijn beschreven en gefotografeerd. Aan de rechterzijde, bezien in de rijrichting van de beide voertuigen, is aan schaafspoor aangetroffen. Daarin werd een vezelachtig materiaal met een lichtgroene kleur waargenomen. Op de rechteronderzijde van de treeplank van de menkar is een schaafspoor aangetroffen op het groene houten blokje. Deze twee sporen komen met elkaar overeen.
Op het wegdek is tevens een wringspoor aangetroffen. Dit wringspoor ving enkele
centimeters links van de rechter fietssugesstiestrook, gezien vanuit de rijrichting van de beide voertuigen, en had een verloop naar rechts richting de geleiderail. Het wringspoor gaat langzaam over in een schuifspoor. In het schuifspoor is een witte kras waar te nemen. In het proces-verbaal van de VOA wordt opgemerkt dat deze witte kras vrijwel zeker is veroorzaakt door de velgrand van het linkerwiel van de menkar. Deze velgrand was verbogen. Op de wang van de linkerband van de menkar waren schaafsporen te zien.
In het aanvullend proces-verbaal van de VOA is gerelateerd dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het rechterwiel van de menkan het wringspoor heeft veroorzaakt, omdat het rechterwiel niet ingeklemd heeft gezeten, en dus vrij kon draaien ten tijde van het ongeval. De rechtbank stelt vast dat in het procesverbaal van de VOA 24 mei 2022 is opgenomen dat het linkerwiel vrij kon draaien. Gelet echter op de conclusies van dat rapport alsook de nadere onderbouwing in het aanvullende rapport gaat de rechtbank ervan uit dat dit niet het geval was ten tijde van het ongeval en dat het rechterwiel van de menkar ingeklemd heeft gezeten en het wringspoor heeft veroorzaakt. Dat dit zo is blijkt immers ook uit het schaafspoor dat is veroorzaakt door het groene houten blokje aan de rechteronderzijde van de treeplank van de menkar, dat zich rechts ten opzichte van het wringspoor bevond. Wanneer het
rechterwiel het wringspoor had afgetekend dan was het waarschijnlijk dat deze rechts ten opzichte van het schaafspoor zou zijn aangetroffen.
Aan de hand van de aangetroffen sporen op het wegdek, de schades aan de voertuigen en aan de geleiderail zijn de voertuigen bij benadering teruggeplaatst op het botspunt. De plaats van botsing is door de onderzoekers van de VOA nagenoeg exact vastgesteld. De menkar bevond zich aan de rechterzijde van de weg, zelfs zou kunnen worden aangenomen dat de menkar deels op de weg en deels op de rechter fietssuggestiestrook reed. De rechtbank volgt deze redenering en acht deze voldoende onderbouwd aan de hand van de objectieve bevindingen ter plaatse, die gerelateerd zijn in het proces-verbaal van de VOA van 22 mei 2022 en in het aanvullend proces-verbaal van 21 september 2022.
Verdachte heeft ter terechtzitting en bij de politie verklaard dat hij zoveel mogelijk aan de linkerkant van de weg heeft gereden om de menkar in te halen maar dat tijdens de inhaalmanoeuvre de menkar opeens naar links bewoog. Het scenario dat door verdachte wordt geschetst dat de pony's plotseling naar links zijn gekomen wordt door de verbalisanten van de VOA zeer onwaarschijnlijk geacht om meerdere redenen. De door de menkar afgetekende sporen zijn voornamelijk op de rechterzijde van de weg aangetroffen. Voorts is dan de verwachting dat de pony's zich meer links voor de auto hebben bevonden op het moment van botsen en dan ook (naar verwachting) gewond zouden moeten zijn. In het proces-verbaal van de VOA wordt melding gemaakt van onderzoek door een dierenarts, waarbij is vastgesteld dat de dieren niet gewond zijn geraakt. Tevens zouden er dan meer sporen en schade aan de voorzijde van de Mercedes te verwachten zijn. Concluderend is uit het sporenbeeld niet af te leiden dat de menkar een plotselinge beweging naar links heeft gemaakt.
Door de verdediging is nog betoogd dat het verhaal van verdachte wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] . De raadsvrouw heeft schande gesproken van de pogingen gedaan door de politie om deze getuige een andere verklaring te laten afleggen. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat getuige [getuige] is geconfronteerd met de bevindingen van de VOA, omdat de door hem omschreven toedracht van de aanrijding niet overeen kwam met de bevindingen van de VOA. Na deze confrontatie wilde getuige [getuige] geen nadere getuigenverklaring afleggen en kwam hij in algemene bewoordingen terug op zijn eerder afgelegde verklaring. Op welke punten dat zou zijn, valt niet vast te stellen. In het proces-verbaal bevindingen wordt opgetekend dat [getuige] geen belastende verklaring wenst af te leggen voor welke partij dan ook. De suggestie van de raadsvrouw ter zitting, dat de politie de getuige onder druk heeft gezet om verdachte te belasten, ziet de rechtbank in de geschetste gang van zaken in het geheel niet. Uit het proces-verbaal bevindingen blijkt dat [getuige] het niet eens is met zijn verklaring zoals hij die in eerste instantie heeft afgelegd bij de politie.
Beoordeling
Nu getuige [getuige] geen nadere verklaring heeft willen afleggen om duidelijkheid te geven wat er wel en niet klopt aan zijn eerste verklaring en acht de rechtbank de verklaring van [getuige] bij de politie van onvoldoende waarde naast de lezing van verdachte om daarmee de objectieve bevindingen van de VOA ter zijde te schuiven.
De rechtbank komt daarmee tot de vaststelling dat verdachte als bestuurder van een personenauto reed achter de menkar met twee ponys. Op dan wel direct voorbij het viaduct is verdachte tijdens een inhaalmanoeuvre met de rechtervoorzijde van zijn voertuig tegen de linkerachterzijde van de menkar aangebotst.
Verdachte is tijdens de inhaalmanoeuvre onvoldoende naar links uitgeweken en hierdoor tegen de menkar aangebotst. Ten gevolge van dit verkeersongeval is de bestuurder van de menkar overleden.
Juridisch kader
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte door aldus te handelen schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW.
Bij de beantwoording van deze vraag komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dit brengt met zich mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Er dient zogezegd sprake te zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
Vast staat dat de gevolgen van het verkeersongeval zeer ernstig zijn geweest. De rechtbank merkt echter op dat in zijn algemeenheid niet uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat strijdig is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Vrijspraak primair ten laste gelegde 6 WVW
Uit het geheel van de gedragingen van verdachte voorafgaand aan het ongeval kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat sprake was van verkeersgedrag dat als aanmerkelijk onvoorzichtig en/of aanmerkelijk onoplettend dient te worden aangemerkt. Verdachte heeft de menkar op tijd gezien, reed de toegestane snelheid, de weersomstandigheden waren goed en er zijn verder geen bijzondere omstandigheden vastgesteld die van invloed kunnen zijn geweest op het ontstaan van het ongeval. Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting is verder gebleken dat verdachte, voordat hij de menkar wilde inhalen, zijn snelheid heeft verminderd.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een enkele inschattingsfout, te weten dat verdachte tijdens een inhaalmanoeuvre te laat dan wel onvoldoende naar links is uitgeweken. Daarmee is het verkeersongeval weliswaar aan verdachte te wijten, maar dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig en/of aanmerkelijk onoplettend verkeersgedrag is, gelet op het voorgaande, niet komen vast te staan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.
Bewezenverklaring subsidiair ten laste gelegde 5 WVW
De rechtbank is van oordeel dat verdachte, doordat hij tijdens zijn inhaalmanoeuvre onvoldoende naar links is uitgeweken, gevaar op de weg heeft veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW, welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt. De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 27 november 2023 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 8 september 2021 reed ik als bestuurder van een personenauto (Mercedes) op de [adres] in [adres] . Ik zag de menkar met twee ponys voor me rijden toen ik het viaduct naderde. Ik matigde mijn snelheid en ging naar links toe om de menkar in te halen. Nadat ik de menkar had geraakt, ben ik meteen gestopt.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 8 september2021, opgenomen op pagina 43 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2021245586 d.d. 16 juni 2022, inhoudend als relaas van verbalisanten [naam] en [naam] :
Wij hebben op 8 september 2021, omstreeks 16.40 uur een nader onderzoek ingesteld naar aanleiding van het verkeersongeval.
Voertuig 1: personenauto (Mercedes)
Voertuig 2: menkar
De bestuurder van de menkar reed met zijn combinatie (voortbewogen door 2 ponys) over de [adres] te [adres] , komende vanuit de richting van de [adres] en gaande in de richting van de [adres] . De bestuurder van de Mercedes reed ook over de [adres] in dezelfde richting, achter de bestuurder van de menkar. Ter hoogte van de A28 (op het viaduct)
is de bestuurder van de Mercedes met de rechtervoorzijde van zijn voertuig tegen de linker achterzijde van de menkar gebotst. Hierdoor is de menkar gekanteld. De Mercedes en de menkar raakten bij het ongeval beschadigd. Tevens raakte de bestuurder van de menkar zwaar gewond. Hij overleed enkele dagen later in het ziekenhuis.
2.4.1
Na het ongeval zijn de bij het ongeval betrokken voertuigen inbeslaggenomen en overgebracht naar de politie onderzoeklocatie te [adres] . Door ons is onderzoek gedaan aan beide voertuigen.
De krasschade, met daarbij een groene afwrijving, op de rechter voorzijde van de Mercedes begon op ca. 42 centimeter vanuit het midden van de Mercedes. Ca. 7 centimeter verder (ca. 49 centimeter uit het midden van de Mercedes) zagen wij een dieper krasspoor. Zie foto 36.
Aan de linker achterzijde van de menkar zagen wij bout. Met deze bout was de plank van het linker bankje van de menkar bevestigd aan het frame van de menkar. De afstand van deze bout tot de linkerzijde van het frame van het bankje betrof ca. 7 cm.
Het diepere krasspoor in de rechterzijde van de motorkap en de groene afwrijvingen komen qua afstand (ca 7 centimeter) overeen met de afstand van de bout aan de achterzijde van de menkar en de linkerzijde van het frame van de menkar (ca. 7 centimeter). Tevens kwam de kleur van de afwrijving op de rechterzijde van de motorkap van de Mercedes overeen met de kleur van het frame van de menkar. Het diepere krasspoor in de rechter voorzijde van de Mercedes is vrijwel zeker veroorzaakt door de bout aan de linker achterzijde van de menkar. Zie foto's 37 en 38.
Aan de hand van de schades en de aangetroffen sporen werden de voertuigen op de onderzoekslocatie zodanig tegen elkaar geplaatst zodat duidelijk werd hoe de voertuigen met elkaar in aanraking waren gekomen. Hiervan werden door ons foto's gemaakt. Zie foto 32 t/m 35.
De Mercedes heeft een breedte van 180 centimeter (exclusief spiegels). Door ons werd rechts op de motorkap van de mercedes, op ca. 42 centimeter vanuit het midden, een krasspoor aangetroffen. De overlap tussen beide voertuigen op het moment van botsen bedroeg ca 48 centimeter ((180:2) - 42 =48).
Uit dit onderzoek is gebleken dat de Mercedes met de rechter voorzijde in botsing is gekomen met de linker achterzijde van de menkar.
2.4.2
Aan de hand van de aangetroffen sporen konden wij nagenoeg de exacte botsplaats vaststellen. In de rijrichting die beide voertuigen vlak voor het ongeval gehad moeten hebben, zagen wij op het wegdek aan de rechterzijde een schaafspoor. In dit schaafspoor zagen wij een vezelachtig materiaal met een lichtgroene kleur. Zie foto's 11 en 12. Op de rechter onderzijde van de treeplank van de menkar troffen wij een schaafspoor op het groene houten blokje. Zie foto 28. Het schaafspoor op het wegdek en het schaafspoor op het groene houten blokje aan de onderzijde van de menkar komen met elkaar overeen.
De treeplank van de menkar is aan de onderzijde in het midden voorzien van een zwenkwiel. Dit zwenkwiel voorkomt normaliter dat de treeplank, met daaronder de groene houten blokjes, de grond raakt.
Beoordeling
Het schaafspoor aan de onderzijde van het rechter blokje van de treeplank is daarom vrijwel zeker veroorzaakt ten gevolge van het ongeval. Zie foto 28.
Tevens werd er door het linker wiel van de menkar een wringspoor afgetekend op het wegdek. Dit wringspoor ving aan enkele centimeters links van de rechter fietssuggestiestrook en had zijn verloop in de richting van de rechter berm (gezien vanuit de rijrichting van beide voertuigen. Tijdens het voertuigonderzoek is gebleken dat linker wiel van de menkar vrij kon draaien na het ongeval. Het afgetekende wringspoor is daarom vrijwel zeker veroorzaakt doordat het linker wiel van de menkar ten tijde van de botsing met de Mercedes werd ingeklemd. Zie foto 11.
Uit vorenstaande bleek dat de menkar zich aan de rechterzijde van de weg bevond op het moment dat de aanrijding plaats vond. De botsplaats is in de tekening, welke als bijlage bij dit verbaal wordt gevoegd, weergegeven.
5.2
De bestuurder van de menkar reed met zijn combinatie (voortbewogen door 2 pony's) over de [adres] te [adres] , komende vanuit de richting van de [adres] en gaande in de richting van de [adres] . De bestuurder van de Mercedes reed ook over de [adres] in dezelfde richting, achter de bestuurder van de menkar. Ter hoogte van de A28 (op het viaduct dan wel direct voorbij het viaduct) is de bestuurder van de Mercedes met de rechtervoorzijde van zijn voertuig, met een overlap van ca 48 centimeter, tegen de linker achterzijde van de menkar gebotst. Zeer waarschijnlijk werd hierdoor de rechter achterzijde van de menkar naar beneden gedrukt. Vrijwel zeker werd daardoor een groen geverfd houten blok, welke aan de rechterzijde van de menkar onder de treeplank bevestigd zat, op het wegdek gedrukt en tekende daarbij een schaafspoor (1) af. Door de aanrijding werd de menkar uit zijn oorspronkelijke rijlijn naar rechts weggedrukt. Hierbij tekende het linker wiel van de menkar een wringspoor (2) af op het wegdek, vrijwel zeker doordat dit wiel werd ingeklemd door de botsing met de Mercedes. Tevens werd het linker wiel van de menkar ten gevolge van het ongeval ontzet. Zeer waarschijnlijk is de trekboom van de menkar ten gevolge van het ongeval gebroken. Zeer waarschijnlijk raakte de stalen plaat aan de voorzijde van de menkar op enig moment het wegdek en tekende daar een krasspoor (3) af. Zeer waarschijnlijk ontstonden er hierdoor schaafsporen op de stalen plaat aan de voorzijde van de menkar. Doordat de menkar uit zijn rijlijn naar rechts werd weggedrukt kwam deze op enig moment tegen de rechter geleiderail aan (gezien vanuit zijn rijrichting. Hierdoor ontstond er een schaafspoor op deze geleiderail. De menkar schoof vervolgens vrijwel zeker zijwaarts langs deze geleiderail waarbij de band van het linker wiel een schuifspoor aftekende. Hierbij ontstonden er schaafsporen op de wang van deze band. Het schuifspoor op het wegdek ging over in een krasspoor welke werd veroorzaakt door de
stalen velg van dit linker wiel. Hierdoor ontstonden er ook krassporen op de stalen velg van het linker wiel van de menkar. Vervolgens is de menkar gekanteld en op zijn linker zijkant op het wegdek terecht gekomen. Hierbij hebben delen van de bovenbouw van de menkar krassen op het wegdek afgetekend.
Tevens ontstonden er hierbij schaafsporen op het kokerprofiel van het frame van de bovenbouw van de menkar. Bij de aanrijding tussen de Mercedes en de menkar zijn er meerdere onderdelen van de menkar en de Mercedes beschadigd dan wel losgeraakt.
Wij, verbalisanten, zijn van mening dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek, doch dat de oorzaak moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurder van de Mercedes. Hij is immers met de voorzijde van zijn voertuig tegen de achterzijde van de menkar gebotst. Uit onderzoek is gebleken dat de bestuurder van de menkar voldoende rechts heeft gehouden op het moment van het ongeval.
Alle voertuigen verkeerden, voor zover wij na konden gaan, in een voldoende rijtechnische staat van onderhoud en vertoonden geen gebreken die eventueel de oorzaak of van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 september 2022, met nummer 2021307858-13 inhoudend als relaas van verbalisant [naam] :
Op verzoek van de parketsecretaris heb ik deze vragen en de door mij gegeven antwoorden verwerkt in dit proces-verbaal van bevindingen.
In jullie rapport schrijven jullie dat de positie van de menkar op het moment van botsen nagenoeg helemaal aan de rechterkant van de weg was. We begrijpen daaruit dat de menkar volgens jullie helemaal op de fietssuggestiestrook zou hebben gereden.
De menkar heeft volgens ons deels op de fietssuggestiestrook en deels op de rijbaan gereden. In tekeningen 1 en 3, welke bij het verbaal zijn gevoegd, wordt de plaats op de weg (bij benadering) van de menkar weergegeven. Wij zijn van mening dat de menkar voldoende rechts heeft gehouden.
Volgens ons baseren jullie dit op de sporen op de weg en jullie lijken daarvoor veel belang te hechten aan een schaafspoor (foto 11, spoor 1) en een wringspoor (foto 11, spoor 2). We vragen ons af waarop jullie baseren dat het wringspoor door het linker wiel van de menkar is veroorzaakt.
Het linker wiel van de menkar heeft vrijwel zeker ingeklemd gezeten tijdens de botsing met de Mercedes. Vandaar dat het linker wiel van de menkar een wringspoor (2) heeft afgetekend op het wegdek. Dit wringspoor (2) ving aan iets links naast de fietssuggestiestrook (gezien vanuit zijn rijrichting) en had zijn verloop naar rechts (richting de geleiderail). Dit wringspoor (2) gaat langzaam over in een schuifspoor (5) op het moment dat de menkar op zijn linkerzijde kantelt. Als je kijkt naar het detail van dit schuifspoor (5) in foto 14 zie je ook een witte kras in dit schuifspoor. Deze witte kras is vrijwel zeker veroorzaakt door de velgrand van het linker wiel van de menkar. Deze velgrand was verbogen, en ook op de wang van de linker band van de menkar waren schaafsporen te zien. Zie foto 25 en 26.
Kan het ook het rechter wiel zijn geweest?
Dit is zeer onwaarschijnlijk. Het rechter wiel heeft niet ingeklemd gezeten, dus kon het ten tijde van het ongeval vrij draaien. Tevens bevindt het schaafspoor (1) (welke is veroorzaakt door het houten blokje aan de rechter onderzijde van de treeplank van de menkar) zich rechts ten opzichte van het wringspoor (2). Tevens is te zien dat dit schaafspoor (1) een curve heeft naar rechts (richting de geleiderail). Als het rechter wiel een wringspoor had afgetekend, dan zou je deze rechts ten opzichte van het schaafspoor (1) verwachten.
Ook valt ons op dat beide sporen van het midden van de weg naar de rechter zijkant van de weg lopen. Daaruit zou je ook kunnen opmaken dat de menkar deels op de weg en deels op de fietssuggestiestrook reed.
Het wringspoor vangt aan iets links van de fietssuggestiestrook (gezien vanuit de rijrichting). Dit betreft NIET het midden van de weg. Het klopt dat de menkar deels op de weg en deels op de fietssuggestiestrook reed.
In deze zaak is het verder natuurlijk opmerkelijk dat zowel de verdachte als de getuige verklaren dat de menkar ineens naar links kwam vlak voor en/of op het moment dat de verdachte hem inhaalde. Het voarapport zegt niets over de route van de menkar voor de aanrijding. Dat is natuurlijk ook onmogelijk.
Als de menkar ineens naar links was gekomen, dan zou je verwachten dat de ponys meer letsel zouden hebben, c.q. gewond zouden zijn. Dit was niet het geval. Uit de door ons aangetroffen sporen is niet gebleken dat de menkar ineens naar links is gekomen.
We vragen ons daarom af of beide visies waar zouden kunnen zijn. Dat de menkar op de rechter weghelft (misschien zelf de fietssuggestiestrook) reed en toen ineens naar links (meer de rijbaan opkwam.
Beoordeling
In dat geval zou verdachte onvoldoende afstand hebben gehouden of onvoldoende hebben gereageerd op de stuuractie van de menkar.
Op het moment van botsen bevond de menkar zich deels op de rijbaan en voor het grootste gedeelte op de fietssuggestiestrook. Aan de rechterzijde van de weg, gezien vanuit de rijrichting, bevond zich een geleiderail. Gelet op de aangetroffen sporen ten opzichte van de geleiderail zijn wij van mening dat de menkar zich voldoende rechts bevond op het moment van de botsing. Zie tekening 1 en 3.
4. Een geneeskundige verklaring, op 13 september 2021 opgemaakt en ondertekend door Benjamin Lindeboom, forensisch arts in opleiding, voor zover inhoudend, als zijn schouwverslag:
[slachtoffer 1]
12 september 2021 22:00 uur
Betrokkene is van de wagen gevallen en hieronder terecht gekomen. Aansluitend is hij vervoerd naar het UMCG. Daar werd een schedelbreuk met onderliggende bloeding gevonden en een tweetal fracturen van de wervelkolom. Daarnaast waren er verspreid over het hele lichaam vele schaafverwondingen en bloeduitstortingen zichtbaar. Deze letsels waren los van elkaar niet dodelijk. Betrokkene leek iets te herstellen aan het begin van de opname, maar ontwikkelde een beeld met ernstige verwardheid. Dit was vermoedelijk op
basis van een infectie. Betrokkene werd hiervoor behandeld, maar de conditie ging enkel maar verder achteruit waarbij hij ernstige ademhalingsklachten kreeg. In de avond van 12 september 2021 is betrokkene hierop komen te overlijden. Derhalve was sprake van een niet-natuurlijk overlijden.
De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 8 september 2021, nabij [adres] , als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de [adres] , met dat door hem, verdachte, bestuurde voertuig,
in plaats van tijdig en voldoende uit te wijken voor en voldoende afstand te bewaren tot en zoveelmogelijk rekening te houden met een in dezelfde richting als verdachte rijdende menkar die door verdachte van achteren werd genaderd en ingehaald, althans getracht werd in te halen,
tegen die menkar is aangereden of aangebotst, door welke gedraging(en) van verdachte de bestuurdervan die paardenkar, te weten [slachtoffer 1] , werd gedood en gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd;
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het bewezen verklaarde levert op:
Subsidiair. Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete ten bedrage van 1.000,00 en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gelet op de bepleite vrijspraken geen strafmaatverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting het reclasseringsadvies van 28 september 2023, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 oktober 2023, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door onvoldoende naar links uit te wijken tijdens een inhaalmanoeuvre. Hierdoor heeft verdachte gevaar veroorzaakt op de weg, welk gevaar zich heeft verwezenlijkt in een aanrijding met het slachtoffer die zich bevond op de menkar. Ten gevolge van dit verkeersongeval is het slachtoffer komen te overlijden.
Verdachte heeft door zijn handelen diep en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Een van de zonen van het slachtoffer heeft in zijn schriftelijke slachtofferverklaring, die ter terechtzitting is voorgelezen, op invoelbare wijze verwoord wat het verlies voor hem en de rest van de familie betekent en dat hun leven nooit meer hetzelfde zal zijn.
De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf deze impact ongedaan kan maken, laat staan dat zij de pijn en het verdriet door het overlijden van het slachtoffer kan wegnemen. Er zal echter wel een strafrechtelijke reactie moeten volgen.
Artikel 5 WVW verbiedt iedere verkeersdeelnemer zich zo te gedragen dat gevaar wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt. De op te leggen straf dient dan ook in het bijzonder gerelateerd te zijn aan de mate van gevaarzetting en niet zozeer aan de ernst van de gevolgen, waarbij het opmerking verdient dat het ongeval wel aan verdachte is te wijten, maar dat het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt in juridische zin de lichtste vorm van verwijtbaarheid betreft.
De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Daarnaast heeft het verkeersongeval, niet alleen op de nabestaanden, maar ook op het leven van verdachte een grote impact gehad, zoals ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich het lot van het slachtoffer zeer aangetrokken en was merkbaar aangedaan. Verder is ter terechtzitting gebleken dat verdachte heeft geprobeerd om in contact te komen met de nabestaanden, maar op advies van slachtofferhulp hebben de nabestaanden besloten om niet in gesprek te gaan met verdachte.
Alles afwegende, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke geldboete van 1.000,00, passend en geboden. De rechtbank ziet mede gelet op het tijdsverloop van de zaak, geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, nu de kans dat verdachte zich na dit feit opnieuw schuldig zal maken aan een dergelijk verkeersdelict niet te verwachten valt.
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. slachtoffer 2] (zoon van het slachtoffer), tot een bedrag van 2.285,51 ter zake van materiële schade en 3.750,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. En veroordeling van verdachte in de proceskosten ter hoogte van 136,00; 2. [slachtoffer 3] (zoon van het slachtoffer), tot een bedrag van 2.281,87 ter vergoeding van materiële schade en 3.750,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan; En veroordeling van verdachte in de proceskosten ter hoogte van 136,00;
3. [ [slachtoffer 4] (dochter van het slachtoffer), tot een bedrag van 2.260,03 ter vergoeding van materiëleschade en 3.750,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan; En veroordeling van verdachte in de proceskosten ter hoogte van 136,00;
3.
Beoordeling
[ [slachtoffer 1] (zoon van het slachtoffer), tot een bedrag van 2.285,51 ter vergoeding van materiëleschade en 3.750,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan; En veroordeling van verdachte in de proceskosten ter hoogte van 136,00.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de benadeelde partijen gevorderde materiële schade toewijsbaar is. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde immateriële schade.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank gelet op de bepleite vrijspraken verzocht om de vordering van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren, nu geen sprake is van een ondubbelzinnige en eenvoudige vordering.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal eerst de schadeposten in het algemeen bespreken en dan ingaan op de schadeposten per benadeelde partij.
Ten aanzien van de gevorderde ziekenhuis daggeldvergoeding ter hoogte van 38,50 per benadeelde partij en de reiskosten naar het ziekenhuis (waarvan de hoogte verschilt per benadeelde partij), geldt dat deze voldoende zijn onderbouwd en de hoogte van de vordering niet door verdachte is betwist. Deze schadevordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen.
Tevens is gevorderd de kosten voor het inwinnen van medisch advies ten aanzien van het letsel wat hun vader aan het ongeval had overgehouden indien hij in leven was gebleven. Nu zoals hierna wordt overwogen, dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de rechtbank de vordering betreffende deze kosten eveneens niet-ontvankelijk verklaren.
De benadeelde partijen hebben vergoeding van vererfde immateriële schade gevorderd. Aangegeven is dat de WA-verzekering van verdachte reeds tot uitkering is gekomen van 15.000,- per persoon aan affectieschade en zich bereid heeft verklaard daarboven nog 2.500 per persoon te zullen uitkeren indien niet de overtreding, maar het misdrijf bewezen wordt verklaard. In deze procedure wordt door de benadeelden de immateriële schade waar hun overleden vader aanspraak op had kunnen maken in de situatie dat hij na het ongeval in leven was gebleven, gevorderd. Deze immateriële schade ziet enerzijds op het leed gedurende de periode dat hun overleden vader ten gevolge van het ongeval in het ziekenhuis verbleef en anderzijds op het letsel wat hun vader aan het ongeval had overgehouden indien hij in leven was gebleven.
De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het strafproces zich niet leent voor behandeling van deze vordering.
De rechtbank stelt vast dat in het licht van het standaardarrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:793) steeds getracht moet worden om vorderingen van benadeelden in het strafproces ten gronde te beoordelen. Desalniettemin, dient daarbij voor ogen te worden gehouden dat de positie van een verdachte, bijgestaan door een strafrechtadvocaat, niet gelijkgesteld kan worden met die van een gedaagde in het civiel proces. De Hoge Raad heeft in dit kader overwogen dat de rechter ook steeds dient te toetsen aan artikel 6 EVRM, het recht op een eerlijk proces. Wanneer wordt vastgesteld dat de benadeelde partijen, bijgestaan door een letselschadeadvocaat, in het strafproces een vordering hebben ingediend tot vergoeding van schade, vererfd onder algemene titel, waarbij het mededelingsvereiste van artikel 6:95 BW niet strikt dient te worden uitgelegd, kan naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de stelling van de raadsvrouw van verdachte, niet verzekerd worden geacht dat verdachte voldoende in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen wat tot verweer tegen de vordering kan worden aangevoerd. De rechtbank zal daarom dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Voorgaande geldt nog sterker voor de gevorderde vererfde immateriële schadevergoeding voor het letsel dat het slachtoffer aan het ongeval zou hebben overgehouden indien hij in leven was gebleven. Ook dit deel van de vordering zal bij iedere benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Toegang tot de burgerlijke rechter blijft open staan.
De benadeelde partijen vorderen ieder veroordeling van verdachte in de proceskosten ter hoogte van
136,00, in de vorm van reiskosten voor het bijwonen van de zitting en gesprekken met een lid/vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
De civiele proceskostenregeling bevat een (in beginsel) limitatieve en exclusieve regeling voor de proceskostenvergoeding (ECLI:NL:HR:2015:1600). Op grond van artikel 238, eerste en tweede lid, en artikel 239 Rechtsvordering, in onderlinge samenhang bezien, komen alleen voor vergoeding in aanmerking voor het bijwonen van de zitting van de partij die aanspraak heeft op proceskostenvergoeding indien in persoon mag worden geprocedeerd en ook daadwerkelijk in persoon is geprocedeerd. De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige voegingsprocedure de benadeelde partij met behulp van een advocaat heeft geprocedeerd, die ook ter terechtzitting de vordering heeft toegelicht. De gevorderde kosten die verband houden met het bijwonen van de zitting komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.
Voor andere reiskosten zoals voor het bezoeken van leden van het openbaar ministerie kent de proceskostenregeling geen vergoeding. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde reiskosten die zien op de gesprekken met de officier van justitie niet toewijsbaar zijn als proceskosten op grond van de toe te passen civiele proceskostenregeling. Zij worden in die regeling immers niet genoemd. De rechtbank zal daarom de gevorderde proceskosten ter hoogte van 136,00 per benadeelde partij afwijzen.
De raadsvrouw van de benadeelde partijen heeft daarnaast namens de benadeelden verzocht om vergoeding van de volledige kosten van haar werkzaamheden, ter hoogte van 7.599,41, te verdelen over de vier benadeelde partijen, zijnde een bedrag van 1.899,86.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat voor deze kosten het liquidatietarief van de rechtbanken wordt gehanteerd. De rechtbank ziet niet in waarom dat in dit geval anders zou moeten zijn. De rechtbank rekent daarbij met 1 punt voor indiening van het verzoekschrift per benadeelde en een punt voor verschijning ter zitting voor alle vier de benadeelde partijen. Dit houdt in dat per benadeelde een bedrag van 635,- (508 + 127,-) aan advocaatkosten kan worden toegekend. De rechtbank zal aldus beslissen.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van materiële schade zal gedeeltelijk worden toegewezen. Het gaat om de volgende posten:
reiskosten ziekenhuis: 174,72
ziekenhuis daggeldvergoeding: 38,75
Concluderend wijst de rechtbank een bedrag van 213,47 toe ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 september 2021. Voor het overige zal de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Onder verwijzing naar de overwegingen hiervoor zal dit deel niet ontvankelijk worden verklaard.
Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De gevorderde proceskosten ad 136,- zullen als hiervoor overwogen, worden afgewezen. Aan advocaatkosten zal een bedrag van 635,- worden toegekend.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van materiële schade zal gedeeltelijk worden toegewezen. Het gaat om de volgende posten:
reiskosten ziekenhuis: 171,08
ziekenhuis daggeldvergoeding: 38,75
Concluderend wijst de rechtbank een bedrag van 209,83 toe ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 september 2021.
Beoordeling
Voor het overige zal de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Onder verwijzing naar de overwegingen hiervoor zal dit deel niet ontvankelijk worden verklaard.
Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De gevorderde proceskosten ad 136,- zullen als hiervoor overwogen, worden afgewezen. Aan advocaatkosten zal een bedrag van 635,- worden toegekend.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van materiële schade zal gedeeltelijk worden toegewezen. Het gaat om de volgende posten:
reiskosten ziekenhuis: 149,24
ziekenhuis daggeldvergoeding: 38,75
Concluderend wijst de rechtbank een bedrag van 187,99 toe ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 september 2021. Voor het overige zal de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Onder verwijzing naar de overwegingen hiervoor zal dit deel niet ontvankelijk worden verklaard.
Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De gevorderde proceskosten ad 136,- zullen als hiervoor overwogen, worden afgewezen. Aan advocaatkosten zal een bedrag van 635,- worden toegekend.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van materiële schade zal gedeeltelijk worden toegewezen. Het gaat om de volgende posten:
reiskosten ziekenhuis: 174,72
ziekenhuis daggeldvergoeding: 38,75
Concluderend wijst de rechtbank een bedrag van 213,47 toe ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 september 2021. Voor het overige zal de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Onder verwijzing naar de overwegingen hiervoor zal dit deel niet ontvankelijk worden verklaard.
Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De gevorderde proceskosten ad 136,- zullen als hiervoor overwogen, worden afgewezen. Aan advocaatkosten zal een bedrag van 635,- worden toegekend.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 23, 24c en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
betaling van een (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om aan benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen:
het bedrag van (zegge: tweehonderddertien euro en zevenenveertig eurocent);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 september 2021 tot de dag van algehele voldoening.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Veroordeelt verdachte tot betaling van een bedrag van 635,- aan proceskosten, zijnde de advocaatkosten.
Wijst de proceskosten ad 136,- (reiskosten) af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 213,47 (zegge: tweehonderddertien euro en zevenenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 september 2021 tot de dag van algehele voldoening.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 4 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om aan benadeelde partij [slachtoffer 3] te betalen:
het bedrag van (zegge: tweehonderdnegen euro en drieëntachtig eurocent);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 september 2021 tot de dag van algehele voldoening.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Veroordeelt verdachte tot betaling van een bedrag van 635,- aan proceskosten, zijnde de advocaatkosten.
Wijst de proceskosten ad 136,- (reiskosten) af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 209,83 (zegge: tweehonderdnegen euro en drieëntachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 september 2021 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 4 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om aan benadeelde partij [slachtoffer 4] te betalen:
het bedrag van (zegge: honderdzevenentachtig euro en negenennegentig eurocent);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 september 2021 tot de dag van algehele voldoening.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 4] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Veroordeelt verdachte tot betaling van een bedrag van 635,- aan proceskosten, zijnde de advocaatkosten.
Wijst de proceskosten ad 136,- (reiskosten) af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 4] aan de Staat te betalen een bedrag van 187,99 (zegge: honderdzevenentachtig euro en negenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 september 2021 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 3 dagen kan worden toegepast.