Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-12-18
ECLI:NL:RBNNE:2023:5173
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,244 tokens
Dictum
in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna: veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft op 27 september 2022 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 183.965,18 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.178454.21 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling heeft er een schriftelijke ronde plaatsgevonden. De raadsman van veroordeelde mr. D. Nieuwenhuis, advocaat te Arnhem, heeft op 3 januari 2023 een schriftelijk standpunt ingebracht. De officier van justitie mr. S.E. Eijzenga heeft hierop schriftelijk gereageerd op 24 januari 2023.
De inhoudelijke behandeling van de ontnemingsvordering heeft vervolgens plaatsgevonden ter terechtzitting van 6 november 2023. Veroordeelde is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.
Standpunten
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering en heeft daartoe verwezen naar het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van
30 december 2021. Hieruit volgt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeelde als volgt is berekend:
voor de oplichting van [slachtoffer 1] 2.300,-;
voor de uitbuiting van [medeveroordeelde] 31.945,18;
voor de oplichting van [slachtoffer 3] 145.000,- en
voor de oplichting van [slachtoffer 4] van 4.720,-,
hetgeen maakt een totaalbedrag van 183.965,18. Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat veroordeelde vervolgd noch veroordeeld is voor de oplichting van [slachtoffer 1] en het bedrag van 2.300,- dan ook op de vordering in mindering dient te worden gebracht. Voorts heeft de raadsman met betrekking tot de uitbuiting van [medeveroordeelde] aangevoerd dat het onvoldoende aannemelijk is dat veroordeelde enig voordeel heeft genoten van de werkzaamheden van [medeveroordeelde] achter de webcam. Het deel van de vordering dat hier betrekking op heeft, een bedrag van totaal 23.419,18, moet daarom worden afgewezen. Het voorgaande geldt ook voor de opbrengsten van het sekswerk met [naam] , zijnde een bedrag van
2.475,-. Verder is volgens de raadsman het bedrag van 9.015,- dat door de [bedrijf 1] is overgemaakt naar de rekening van [medeveroordeelde] en vervolgens naar veroordeelde is overgeboekt, geen wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarnaast is het onvoldoende aannemelijk dat [medeveroordeelde] daadwerkelijk een bedrag van 8.000,- in contanten heeft verdiend met werkzaamheden in de prostitutie en dat veroordeelde dat als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Ook dit bedrag komt daarom niet voor ontneming in aanmerking, zodat de vordering in zoverre moet worden afgewezen, aldus de raadsman.
Daarnaast heeft de raadsman bepleit om de in de hoofdzaak aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] toegekende vordering tot schadevergoeding voor een bedrag van 4.720,- eveneens op de vordering in mindering te brengen.
De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat nu de rechtbank het medeplegen van de oplichting van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] bewezen heeft verklaard, een pondspondsgewijze toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de hand ligt.
Oordeel van de rechtbank
Veroordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 22 november 2022 in de zaak met parketnummer 18.178454.21 veroordeeld ter zake o.a. het (meermalen) medeplegen van oplichting van [slachtoffer 3] , het (meermalen) medeplegen van oplichting van [slachtoffer 4] en voor mensenhandel van [medeveroordeelde] . Dit vonnis is niet onherroepelijk, omdat hiertegen door veroordeelde hoger beroep is ingesteld.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
1. De inhoud van het vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van
22 november 2022, gewezen onder parketnummer 18.178454-21 en de ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18.950061-19 en 18.100562-19.
2. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict d.d. 30 december 2021.
Het voornoemd rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e, tweede lid, Sr (hierna: het rapport) vermeldt de wettige bewijsmiddelen waarop de berekening berust.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van de door hem gepleegde strafbare feiten staat niet ter discussie, wel de omvang.
De rechtbank baseert de schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op de wettige bewijsmiddelen zoals weergegeven in het rapport.
De rechtbank overweegt allereerst dat veroordeelde niet is vervolgd en aldus niet is veroordeeld voor de oplichting van [slachtoffer 1] . Het strafdossier bevat evenmin voldoende aanwijzingen dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft genoten van deze oplichting door [medeveroordeelde] . Een bedrag van 2.300,- zal daarom in mindering worden gebracht op de vordering.
Daarnaast overweegt de rechtbank ten aanzien van de uitbuiting van [medeveroordeelde] dat uit de wettige bewijsmiddelen is gebleken dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen uit dit feit. Ten aanzien van de door de raadsman in dit kader genoemde verweren met betrekking tot de girale opbrengsten van het sekswerk van 23.419,18, de girale opbrengsten m.b.t. sekswerk van
rekeninghouder [bedrijf 2] van 2.475,- (overgebleven deel na verrekening opbrengst sekswerk met
[naam] ) en de gelden van de [bedrijf 1] die werden doorgeboekt naar veroordeelde van 9.105,-, overweegt de rechtbank als volgt.
Uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat er aanzienlijke bedragen vanaf het rekeningnummer van [medeveroordeelde] worden afgeschreven naar een KNAB-rekening van veroordeelde. Verder verklaarde [medeveroordeelde] dat het (girale) geld dat zij verdiende met sekswerk was bestemd voor veroordeelde waarmee werd gegokt in het casino. Uit onder meer camerabeelden van het casino en verhoren van de casinomedewerkers blijkt ook dat veroordeelde een vaste gast was van het casino die grote geldbedragen vergokte, dat [medeveroordeelde] er soms bij was, maar er meer bij stond dan dat zij zelf iets deed en dat zij (als veroordeelde verloor of het geld was op ) de deur weer uitging en dan later terugkwam met geld. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het aannemelijk dat veroordeelde wel degelijk wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit deze opbrengsten zoals in het rapport vermeld. Ten aanzien van het door de [bedrijf 1] overgemaakte geldbedrag (online gokopbrengsten), is de rechtbank van oordeel dat sprake is van vervolgprofijt en op grond daarvan ook kan worden ontnomen.
Met betrekking tot de schatting van het voordeel uit sekswerk met overige klanten van totaal 8.000,- overweegt de rechtbank dat enkel [medeveroordeelde] verklaart over het aantal klanten, de duur van de afspraken en de omvang van de opbrengsten van dit sekswerk.
Een onderbouwing van deze verdiensten ontbreekt in het strafdossier en de exacte opbrengst is daarom niet te bepalen.
Dictum
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 173.665,18.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 173.665,18 (zegge: honderddrieënzeventigduizend zeshonderdvijfenzestig euro en achttien cent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op drie jaar.
Deze beslissing is gegeven door mr. G. Eelsing, voorzitter, mr. R.B. Maring en
mr. M.M. Spooren, rechters, bijgestaan door mr. H. Wachtmeester-Koning, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 december 2023.