Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-12-12
ECLI:NL:RBNNE:2023:5132
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,580 tokens
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-269744-22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken
d.d. 12 december 2023 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] , wonende [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 november 2023. De strafzaak tegen verdachte is eerder behandeld op de zitting van 17 februari 2023.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Jager, advocaat te Utrecht.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in de periode van 17 mei 2022 tot en met 15 november 2022 te Leeuwarden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of
een hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne,
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Beoordeling
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van het ten laste gelegde. Op basis van de observatieverslagen waarbij verdachte en medeverdachte [medeverdachte] vanaf 29 september 2022 worden herkend bij drugsdeals, de inhoud van de gesprekken en sms-berichten die door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn gevoerd met de dealtelefoon en gelet op de verklaringen van afnemers [naam] , [naam] , [naam] , [naam] , [naam] en [naam] kan de gehele ten laste gelegde pleegperiode alsook het medeplegen wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat slechts een kortere dealperiode, vanaf 21 oktober 2022 tot en met 15 november 2022, wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hoewel verdachte al eerder, op 30 september 2022, samen met medeverdachte [medeverdachte] staande wordt gehouden in Leeuwarden, is er op dat moment nog geen sprake van illegale activiteiten. De verklaring van verdachte ter terechtzitting wordt ondersteund door het feit dat verdachte pas vanaf 21 oktober 2022 voor het eerst wordt herkend bij een observatie. Voorts zijn de verklaringen van de diverse getuigen te arbitrair en wisselend om voor het bewijs van de dealperiode gebezigd te kunnen worden. Verdachte heeft het bezit en gebruik van de
getapte dealtelefoon ontkend. De dealtelefoon wordt niet onder verdachte aangetroffen en de stemherkenning wordt niet ondersteund door enig feitelijk bewijs. Het dossier bevat immers geen zendmastgegevens waaruit blijkt dat de dealtelefoon zich in de getapte periode gelijktijdig met de telefoon van verdachte heeft verplaatst.
Beoordeling
Op 30 september 2022 worden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] tezamen staande gehouden in Leeuwarden.2Uit de verklaring van harddrugsgebruiker [naam] volgt dat zij wel eens cocaïne en heroïne heeft gekocht van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Zij heeft ook verklaard dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] met elkaar samenwerkten.3Verdachte heeft verklaard dat hij tot aan zijn aanhouding op 15 november 2022 één maand lang in Leeuwarden heeft gefungeerd als drugskoerier. In die maand heeft hij elke dag cocaïne en heroïne verkocht en afgeleverd. Hiervoor ontving hij elke dag een vast bedrag van 150,00.4
Bewijsoverweging pleegperiode
De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van afnemers geen eenduidig beeld is ontstaan om de volledige ten laste gelegde pleegperiode te kunnen vaststellen. Voorts is de identiteit niet vast komen te staan van de personen die zijn geobserveerd in de periode voorafgaand aan 30 september 2022. De gesprekken van de dealtelefoon zijn pas vanaf 28 oktober 2022 opgenomen. Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij hooguit één maand harddrugs heeft gedeald in Leeuwarden, is de rechtbank van oordeel dat de dealperiode op een eerder moment is aangevangen.
Op 30 september 2022 wordt verdachte voor het eerst tezamen met medeverdachte [medeverdachte] in Leeuwarden staande gehouden. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven waarom hij die dag naar het Noorden van het land is afgereisd. Niet is gebleken dat hij daar afspraken had of dat hij anderszins enige binding met het Noorden van het land heeft. Daar komt bij dat getuige [naam] op 27 oktober 2022 heeft verklaard dat sinds vier weken steeds dezelfde vermoedelijke dealer korte bezoekjes komt brengen aan een woning met bekende harddrugsgebruikers, waarbij deze dealer op 27 oktober 2022 in een witte Volkswagen met een Duits kenteken aan kwam rijden. Op de door getuige [naam] aangeleverde fotos van het genoemde voertuig en de bestuurder heeft de verbalisant medeverdachte [medeverdachte] herkend.
Uit de observaties na 30 september 2022 blijkt dat ook verdachte regelmatig in deze auto is gesignaleerd. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij voor het afleveren van de drugs gebruik heeft gemaakt van deze auto.
Gelet op het feit dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 30 september 2022 zonder duidelijke reden in Leeuwarden zijn aangetroffen, dat medeverdachte [medeverdachte] rond die datum herkend wordt als de dealer die regelmatig bij een woning met harddrugsgebruikers komt en uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samenwerkten ten aanzien van de drugshandel, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in elk geval vanaf 30 september 2022 harddrugs heeft gedeald.
Anders dan de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank dan ook een pleegperiode van 30 september 2022 tot en met 15 november 2022 wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode van 30 september 2022 tot en met 15 november 2022 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander meermalen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd, cocaïne en heroïne, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 337 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren. Ook dient rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest met daarbij nog een voorwaardelijk strafdeel. Op deze wijze heeft verdachte een stok achter de deur om in de toekomst een soortgelijk
drugskoerier-aanbod te weigeren. De raadsvrouw heeft uitdrukkelijk bepleit verdachte geen taakstraf op te leggen, omdat verdachte op 18 augustus 2023 wegens Opiumwetfeiten is veroordeeld tot een taakstraf.
Ook dient rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 63 Sr. Het oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het rapport van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met een ander in een periode van anderhalve maand schuldig gemaakt aan het dagelijks verkopen en afleveren van cocaïne en heroïne in Leeuwarden.
De rechtbank is van oordeel dat het handelen in harddrugs een ernstig feit is. Gebruik van harddrugs is schadelijk voor de gezondheid en zeer verslavend. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat verslaafden aan harddrugs, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Voorts brengt de handel in harddrugs met zich mee dat er een zwartgeldcircuit ontstaat met alle voor de economie schadelijke gevolgen van dien. Dit alles is de reden dat op de handel in harddrugs zware straffen zijn gesteld.
Hoewel de rechtbank niet de indruk heeft gekregen dat verdachte een grootschalige en professionele dealer was, rekent de rechtbank het verdachte wel aan dat hij zich niet om de schadelijke gevolgen ervan heeft bekommerd en enkel heeft gehandeld uit eigen financieel belang.
Strafblad
De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van 6 november 2023, waaruit blijkt dat verdachte eerder (niet onherroepelijk) is veroordeeld voor Opiumwetfeiten en vermogensfeiten.
Conclusie
Doordat de rechtbank een kortere pleegperiode bewezen acht dan waar de officier van justitie bij zijn eis vanuit is gegaan, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan is gevorderd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat een vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en de ernst van het bewezen verklaarde door afdoening met een lichtere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf miskend zou worden.
Verdachte heeft sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis een positieve ontwikkeling doorgemaakt en heeft ter terechtzitting te kennen gegeven dat hij deze positieve lijn wil voortzetten door een nieuw pad in te slaan en niet meer met politie en justitie in aanmerking te komen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf overeenkomstig het voorarrest van 157 dagen met aftrek voldoende recht doet aan de ernst van het feit. Dit betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rechtbank zal verdachte geen voorwaardelijk deel opleggen, omdat het nu aan verdachte zelf is om te bewijzen dat hij de positieve lijn kan vasthouden. De rechtbank ziet geen aanleiding om naast de gevangenisstraf nog een taakstraf op te leggen.
In beslag genomen goederen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat zowel de jas als het geldbedrag verbeurd verklaard moeten worden, omdat de goederen voortkomen uit de drugshandel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over de in beslag genomen goederen.
Beoordeling
De rechtbank acht de in beslag genomen jas en het in beslag genomen geldbedrag vatbaar voor verbeurdverklaring, omdat deze voorwerpen uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen en aan verdachte toebehoren.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 47 en 63 van het Sr en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
Een gevangenisstraf voor de duur van 157 dagen.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen:
- jas van het merk Moose Knuckles;
- 915,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. M.E. Joha en mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door mr. M. Linde, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2023.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpaginas betreft dit delen van ambtsedige
processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met nummer PL0100-2022257658, doorgenummerd 1 tot en met 487.
2 Paginas 268 en 336.
3 Paginas 188 en 189.
4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 november 2023.
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-269744-22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken
d.d. 12 december 2023 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] , wonende [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 november 2023. De strafzaak tegen verdachte is eerder behandeld op de zitting van 17 februari 2023.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Jager, advocaat te Utrecht.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in de periode van 17 mei 2022 tot en met 15 november 2022 te Leeuwarden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of
een hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne,
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Beoordeling
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van het ten laste gelegde. Op basis van de observatieverslagen waarbij verdachte en medeverdachte [medeverdachte] vanaf 29 september 2022 worden herkend bij drugsdeals, de inhoud van de gesprekken en sms-berichten die door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn gevoerd met de dealtelefoon en gelet op de verklaringen van afnemers [naam] , [naam] , [naam] , [naam] , [naam] en [naam] kan de gehele ten laste gelegde pleegperiode alsook het medeplegen wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat slechts een kortere dealperiode, vanaf 21 oktober 2022 tot en met 15 november 2022, wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hoewel verdachte al eerder, op 30 september 2022, samen met medeverdachte [medeverdachte] staande wordt gehouden in Leeuwarden, is er op dat moment nog geen sprake van illegale activiteiten. De verklaring van verdachte ter terechtzitting wordt ondersteund door het feit dat verdachte pas vanaf 21 oktober 2022 voor het eerst wordt herkend bij een observatie. Voorts zijn de verklaringen van de diverse getuigen te arbitrair en wisselend om voor het bewijs van de dealperiode gebezigd te kunnen worden. Verdachte heeft het bezit en gebruik van de
getapte dealtelefoon ontkend. De dealtelefoon wordt niet onder verdachte aangetroffen en de stemherkenning wordt niet ondersteund door enig feitelijk bewijs. Het dossier bevat immers geen zendmastgegevens waaruit blijkt dat de dealtelefoon zich in de getapte periode gelijktijdig met de telefoon van verdachte heeft verplaatst.
Beoordeling
Op 30 september 2022 worden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] tezamen staande gehouden in Leeuwarden.2Uit de verklaring van harddrugsgebruiker [naam] volgt dat zij wel eens cocaïne en heroïne heeft gekocht van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Zij heeft ook verklaard dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] met elkaar samenwerkten.3Verdachte heeft verklaard dat hij tot aan zijn aanhouding op 15 november 2022 één maand lang in Leeuwarden heeft gefungeerd als drugskoerier. In die maand heeft hij elke dag cocaïne en heroïne verkocht en afgeleverd. Hiervoor ontving hij elke dag een vast bedrag van 150,00.4
Bewijsoverweging pleegperiode
De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van afnemers geen eenduidig beeld is ontstaan om de volledige ten laste gelegde pleegperiode te kunnen vaststellen. Voorts is de identiteit niet vast komen te staan van de personen die zijn geobserveerd in de periode voorafgaand aan 30 september 2022. De gesprekken van de dealtelefoon zijn pas vanaf 28 oktober 2022 opgenomen. Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij hooguit één maand harddrugs heeft gedeald in Leeuwarden, is de rechtbank van oordeel dat de dealperiode op een eerder moment is aangevangen.
Op 30 september 2022 wordt verdachte voor het eerst tezamen met medeverdachte [medeverdachte] in Leeuwarden staande gehouden. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven waarom hij die dag naar het Noorden van het land is afgereisd. Niet is gebleken dat hij daar afspraken had of dat hij anderszins enige binding met het Noorden van het land heeft. Daar komt bij dat getuige [naam] op 27 oktober 2022 heeft verklaard dat sinds vier weken steeds dezelfde vermoedelijke dealer korte bezoekjes komt brengen aan een woning met bekende harddrugsgebruikers, waarbij deze dealer op 27 oktober 2022 in een witte Volkswagen met een Duits kenteken aan kwam rijden. Op de door getuige [naam] aangeleverde fotos van het genoemde voertuig en de bestuurder heeft de verbalisant medeverdachte [medeverdachte] herkend.
Uit de observaties na 30 september 2022 blijkt dat ook verdachte regelmatig in deze auto is gesignaleerd. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij voor het afleveren van de drugs gebruik heeft gemaakt van deze auto.
Gelet op het feit dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 30 september 2022 zonder duidelijke reden in Leeuwarden zijn aangetroffen, dat medeverdachte [medeverdachte] rond die datum herkend wordt als de dealer die regelmatig bij een woning met harddrugsgebruikers komt en uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samenwerkten ten aanzien van de drugshandel, is de rechtbank van oordeel dat verdachte in elk geval vanaf 30 september 2022 harddrugs heeft gedeald.
Anders dan de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank dan ook een pleegperiode van 30 september 2022 tot en met 15 november 2022 wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode van 30 september 2022 tot en met 15 november 2022 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander meermalen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd, cocaïne en heroïne, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 337 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren. Ook dient rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest met daarbij nog een voorwaardelijk strafdeel. Op deze wijze heeft verdachte een stok achter de deur om in de toekomst een soortgelijk
drugskoerier-aanbod te weigeren. De raadsvrouw heeft uitdrukkelijk bepleit verdachte geen taakstraf op te leggen, omdat verdachte op 18 augustus 2023 wegens Opiumwetfeiten is veroordeeld tot een taakstraf.
Ook dient rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 63 Sr. Het oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het rapport van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met een ander in een periode van anderhalve maand schuldig gemaakt aan het dagelijks verkopen en afleveren van cocaïne en heroïne in Leeuwarden.
De rechtbank is van oordeel dat het handelen in harddrugs een ernstig feit is. Gebruik van harddrugs is schadelijk voor de gezondheid en zeer verslavend. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat verslaafden aan harddrugs, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Voorts brengt de handel in harddrugs met zich mee dat er een zwartgeldcircuit ontstaat met alle voor de economie schadelijke gevolgen van dien. Dit alles is de reden dat op de handel in harddrugs zware straffen zijn gesteld.
Hoewel de rechtbank niet de indruk heeft gekregen dat verdachte een grootschalige en professionele dealer was, rekent de rechtbank het verdachte wel aan dat hij zich niet om de schadelijke gevolgen ervan heeft bekommerd en enkel heeft gehandeld uit eigen financieel belang.
Strafblad
De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van 6 november 2023, waaruit blijkt dat verdachte eerder (niet onherroepelijk) is veroordeeld voor Opiumwetfeiten en vermogensfeiten.
Conclusie
Doordat de rechtbank een kortere pleegperiode bewezen acht dan waar de officier van justitie bij zijn eis vanuit is gegaan, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan is gevorderd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat een vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en de ernst van het bewezen verklaarde door afdoening met een lichtere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf miskend zou worden.
Verdachte heeft sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis een positieve ontwikkeling doorgemaakt en heeft ter terechtzitting te kennen gegeven dat hij deze positieve lijn wil voortzetten door een nieuw pad in te slaan en niet meer met politie en justitie in aanmerking te komen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf overeenkomstig het voorarrest van 157 dagen met aftrek voldoende recht doet aan de ernst van het feit. Dit betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rechtbank zal verdachte geen voorwaardelijk deel opleggen, omdat het nu aan verdachte zelf is om te bewijzen dat hij de positieve lijn kan vasthouden. De rechtbank ziet geen aanleiding om naast de gevangenisstraf nog een taakstraf op te leggen.
In beslag genomen goederen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat zowel de jas als het geldbedrag verbeurd verklaard moeten worden, omdat de goederen voortkomen uit de drugshandel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over de in beslag genomen goederen.
Beoordeling
De rechtbank acht de in beslag genomen jas en het in beslag genomen geldbedrag vatbaar voor verbeurdverklaring, omdat deze voorwerpen uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen en aan verdachte toebehoren.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 47 en 63 van het Sr en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
Een gevangenisstraf voor de duur van 157 dagen.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen:
- jas van het merk Moose Knuckles;
- 915,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. M.E. Joha en mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door mr. M. Linde, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2023.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpaginas betreft dit delen van ambtsedige
processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met nummer PL0100-2022257658, doorgenummerd 1 tot en met 487.
2 Paginas 268 en 336.
3 Paginas 188 en 189.
4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 november 2023.