Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-11-10
ECLI:NL:RBNNE:2023:4620
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,212 tokens
Dictum
in de zaak tegen
[veroordeelde]
veroordeelde, geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .
Procesverloop
De officier van justitie heeft op 6 oktober 2023 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 42.795,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.304521.21 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 19 en 20 oktober 2023.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 10 november 2023 in de zaak met parketnummer 18.304521.21 veroordeeld ter zake het in vereniging plegen van mensenhandel in de zin van seksuele uitbuiting gepleegd ten opzichte van drie slachtoffers, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , en witwassen. Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van die door hem gepleegde strafbare feiten. Het gaat dan om door de uitgebuite prostituees afgestane verdiensten.
De rechtbank constateert dat in het dossier twee berekeningen wederrechtelijk verkregen voordeel zijn gevoegd met betrekking tot veroordeelde; een rapport gedateerd 21 maart 2022 dat ziet op zowel veroordeelde als medeveroordeelde [medeveroordeelde] en een rapport gedateerd 28 april 2022 dat enkel ziet op veroordeelde.
Het eerstgenoemde rapport neemt als uitgangspunt de geschatte verdiensten van twee van de drie slachtoffers, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , waarvan vervolgens de geschatte door veroordeelde gemaakte kosten van worden afgetrokken, hetgeen leidt tot een geschat ontnemingsbedrag van € 28.632,86. De rechtbank is van oordeel dat dit bedrag onvoldoende recht doet aan het daadwerkelijk genoten wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, onder meer nu de rechtbank bewezen heeft verklaard dat veroordeelde zich niet alleen schuldig heeft gemaakt aan (het in vereniging plegen van) seksuele uitbuiting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , maar ook aan seksuele uitbuiting van [slachtoffer 3] , van wie hij en [medeveroordeelde] eveneens verdiensten hebben ontvangen.
Het rapport van 28 april 2022 neemt als uitgangspunt het verschil tussen het bij de belastingdienst bekende inkomen van veroordeelde en het meerdere dat in de vorm van Tikkies is ontvangen op zijn bankrekening. Dit verschil bedraagt € 42.795,- en wordt aangemerkt als inkomsten uit illegale bron, namelijk prostitutiewerk.
De rechtbank is van oordeel dat dit rapport evenmin recht doet aan het daadwerkelijke door veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel. De herkomst van alle Tikkies is niet te herleiden en hoogstwaarschijnlijk betreffen dit tevens bedragen die door klanten zijn betaald voor de seksuele diensten van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , terwijl veroordeelde is vrijgesproken van de seksuele uitbuiting van deze dames. Bovendien is ten aanzien van de dames van wie wel bewezen is dat veroordeelde hen seksueel heeft uitgebuit, komen vast te staan dat sprake was van een 50/50 (en in een enkel geval 40/60) verdeling van die verdiensten. Dus hoewel (een deel van) de klanten aan veroordeelde betaalden voor de diensten, werd daarvan vervolgens door veroordeelde 50% (of 40 %) weer aan de betreffende dame betaald. Voorts staat vast dat de toenmalige partner van veroordeelde, medeveroordeelde [medeveroordeelde] , binnen de ten laste gelegde periode ook zelf in de (thuis)prostitutie heeft gewerkt en dat haar verdiensten ook deels bij veroordeelde terechtkwamen. Deze verdiensten zijn weliswaar niet opgegeven bij de belastingdienst, maar dat maakt niet deze illegaal zijn verkregen en dus voor ontneming vatbaar zijn.
De rechtbank zal het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde bepalen aan de hand van de geschatte verdiensten van de drie slachtoffers ten aanzien waarvan een bewezenverklaring is gevolgd, en met aftrek van de geschatte doorveroordeelde gemaakte kosten.
Ten aanzien van de aan veroordeelde afgestane verdiensten van [slachtoffer 2] sluit de rechtbank aan bij haar verklaring bij de politie, waarin zij spreekt over een bedrag van € 8.000,00.1
Ten aanzien van [slachtoffer 1] gaat de rechtbank uit van verdiensten van € 20.000,00, een en ander overeenkomstig de vaststelling van de geleden materiële schade in het kader van vordering benadeelde partij zoals opgenomen in het vonnis van 10 november 2023.
De rechtbank schat de verdiensten van [slachtoffer 3] op € 8.0000,00. Ten aanzien van [slachtoffer 3] ontbreekt enige berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het dossier. Ook ontbreekt een verklaring van haar hieromtrent. Afgaand op het WhatsApp-verkeer tussen [slachtoffer 3] en veroordeelde2 heeft zij ongeveer een zelfde aantal dagen verspreid over twee periodes als [slachtoffer 2] voor veroordeelden gewerkt. De rechtbank zal het geschatte bedrag aan afgestane verdiensten dan ook op hetzelfde bedrag vaststellen.
De rechtbank houdt voorts rekening met de in het rapport van 21 maart 20223 gestelde aftrek van door veroordeelde gemaakte kosten ten behoeve van de prostitutie van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Uit het dossier is namelijk gebleken dat veroordeelde en zijn mededader van de door hun ontvangen gelden diverse kosten hebben gemaakt, die in direct verband stonden met de door de slachtoffers uitgevoerde prostitutiewerkzaamheden. Zo zorgden zij onder meer voor huisvesting, vervoer, condooms en glijmiddel. Deze worden in het rapport van 21 maart 223 geschat op een bedrag van € 12.451,41. Aangezien bij de berekening van deze kosten in het rapport op bepaalde punten (zoals condooms en glijmiddel € 3.009,00) alleen is uitgegaan van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de rechtbank ook de kosten meeweegt die gemoeid waren met [slachtoffer 3] , zal de rechtbank de geschatte kosten enigszins verhogen en schatten op € 14.000,00. Daarbij zal de rechtbank de kosten voor de huur van het appartement aan de [adres 2] (€ 3.719,44) aftrekken, nu veroordeelde en de medeveroordeelde hier zelf ook verbleven of in de toekomst wilden verblijven.
Deze kosten zouden dus sowieso gemaakt zijn.
Dit levert de volgende berekening op:
(8.000 + 20.000 + 8.000 =) € 36.000,00
(14.000 – 3.719,44 ) € 10.280,56 -
------------------------------------
€ 25.719,44
Veroordeelde is in de strafzaak met een medepleger veroordeeld voor het voornoemde strafbare feit. De rechtbank gaat uit van een ponds-ponds gewijze verdeling; aanknopingspunten die nopen tot een andere verdeling zijn er niet. Het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt dus vastgesteld op (€ 25.719,44 : 2 =) € 12.859,72.
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde € 12.859,72 voordeel heeft genoten.
De rechtbank zal de bedragen die bij genoemd vonnis van 10 november 2023 aan de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn toegewezen, niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 36e, negende lid, Sr betrekken bij de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu dit vonnis nog niet onherroepelijk is.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 12.859,72.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 12.859,72 (zegge: twaalfduizendachthonderdnegenenvijftig euro en tweeënzeventig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 99 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. R.B. Maring en mr. M.M. Spooren, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 november 2023.
Mr. Dölle en mr. Van der Woude zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
De verklaring van [slachtoffer 2] d.d. 16 december 2021, opgenomen op p.1500 e.v. in het dossier NNRCC21011-HPV-01, gesloten op 21 maart 2022.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2021, opgenomen op p.1190 e.v. van voornoemd dossier.
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 maart 2022, opgenomen op p.2739 e.v. van voornoemd dossier.