Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-10-27
ECLI:NL:RBNNE:2023:4567
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,368 tokens
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/019183-22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 oktober 2023 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 oktober 2023.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Broerse.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op 21 januari 2022 te Hoogeveen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/ofvervoeren, en/of
het opzettelijk vervaardigen
van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, in elk geval een middel vermeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet doordat hij, verdachte,
1010,5 gram fenacetine voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en);
2 hij op of omstreeks 21 januari 2022 te Hoogeveen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 108 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor beide ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak van beide ten laste gelegde feiten bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat weliswaar de henneptoppen en fenacetine zijn aangetroffen in de auto van verdachte, maar dat niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze middelen in zijn auto en deze opzettelijk aanwezig had. Verdachte heeft verklaard dat er iemand achterin in de auto heeft gezeten. Het betreft een driedeursauto. Wanneer iemand uitstapt en die middelen vergeet, is het goed mogelijk dat verdachte de middelen niet heeft zien liggen in de auto. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat de zak met het witte poeder die in zijn auto werd aangetroffen een zak baking soda betrof. Dit wordt bij het opnemen van videoclips voor hiphopmuziek kennelijk gebruikt als imitatie van cocaïne. Verdachte had geen wetenschap dat de zak fenacetine bevatte. De in het dossier opgenomen chats betreffen schermafdrukken van de in de telefoon van verdachte aangetroffen chats. Er is geen overzicht gemaakt van de gesprekken. Een gedeelte bestaat uit WhatsAppgesprekken. Verdachte heeft verklaard dat hij geen gebruik maakt van WhatsApp, anders dan contact met zijn familie. Daarnaast heeft hij verklaard dat ook andere mensen gebruik maken van zijn telefoon. Er is daardoor niet komen vast te staan dat verdachte de afzender is van de berichten.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde 1
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Op 21 januari 2022, omstreeks 23:40 uur, zagen verbalisanten [naam] en [naam] over de [adres] te Hoogeveen een voertuig rijden. Na bevraging in het bedrijfsprocessensysteem van de politie bleek dat de tenaamgestelde van het voertuig niet in het bezit was van een rijbewijs. Ter controle van de naleving van de Wegenverkeerswet 1994 gaven de verbalisanten een stopteken, waaraan de bestuurder voldeed. Zij bevonden zich toen op de [adres] te Hoogeveen. De bestuurder overhandigde zijn rijbewijs. De bestuurder bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 te
[geboorteplaats] . Verbalisant [naam] liep een ronde rondom de auto en scheen met zijn zaklamp naar binnen. Verbalisant zag toen achterin het voertuig, op de grond, aan de bijrijderskant, een zwarte plastic tas liggen. Naast deze zwarte plastic tas zag hij een doorzichtige plastic sealbag liggen met daarin voor hem ambtshalve bekende gedroogde henneptoppen. Verbalisant [naam] deelde verdachte mede dat hij niet tot antwoorden verplicht was en vroeg hem van wie de aangetroffen henneptoppen waren. Verbalisanten hoorden verdachte zeggen dat dit henneptoppen waren die gebruikt waren voor een die middag opgenomen videoclip in Rotterdam en dat deze waarschijnlijk per ongeluk in zijn voertuig waren blijven liggen. Verbalisanten hebben verdachte toen aangehouden.
Verbalisant [naam] pakte de eerdergenoemde zwarte plastic tas vast en zag dat er twee doorzichtige boterhamzakjes met wit poeder inzaten. Hij schatte de hoeveelheid witte poeder in op ongeveer een kilo. Verbalisanten hoorden verdachte hierop direct zeggen:
''Dat is niet wat jullie denken, dat is baking soda''. Zij hoorden verdachte zeggen dat dit van hem was en dat die zak ook gebruikt was in de opgenomen videoclip, om de kijkers te laten denken dat het ging om cocaïne.2 In het middenconsole van het voertuig zagen verbalisanten een mobiele telefoon liggen. Verdachte zei dat dit zijn telefoon was. De telefoon is in beslag genomen.3
Op het politiebureau zijn de zakken wit poeder gewogen en deze bleken 508 en 512 gram te wegen. De zak met henneptoppen bleek 108 gram te wegen.4 Verbalisanten hebben de zakken wit poeder en de henneptoppen in beslag genomen voor waarheidsvinding. De zak met wit poeder van bruto 512 gram kreeg het goednummer PL0100-2022019137-1459145.5 De zak met wit poeder van bruto 508 gram kreeg het goednummer PL0100-2022019137-1459146.6 De zak met henneptoppen kreeg het goednummer PL0100-202201937-1459150.7
Op 24 januari 2022 is onderzoek verricht aan de partij vermoedelijk verdovende middelen. De goednummers werden apart bemonsterd en voorzien van een SIN-nummer.8 Er werd Fourier Transform Infrared Spectroscopy (hierna: FTIR) toegepast om informatie over de stof te verkrijgen. Het zakje met goednummer PL0100-2022019137-1459145 (SIN: AAPP7769NL) had een netto gewicht van 506,60 gram. Het FTIR-onderzoek gaf een indicatie voor fenacetine. Het zakje met goednummer PL01002022019137-1459146 (SIN: AAPP7768NL) had een netto gewicht van 503,09 gram. Het FTIRonderzoek gaf hier eveneens een indicatie voor fenacetine.9 Fenacetine is een bekend versnijdingsmiddel wat gebruikt wordt voor cocaïne.10 Verbalisant [naam] heeft op 26 januari 2022 de sealbag met vermoedelijk henneptoppen (goednummer 1459150) bekeken. Verbalisant herkende de henneptoppen aan de sterke geur die zij rook. Ambtshalve kent zij deze geur als hennep. Daarnaast heeft zij aan het uiterlijk van de henneptoppen gezien dat dit henneptoppen zijn.11
De telefoon van verdachte, een Iphone X, is onderzocht. Uit onderzoek bleek dat er op die telefoon meerdere WhatsAppgesprekken zijn gevoerd met diverse personen die kennelijk gingen over verdovende middelen. De gebruiker van de telefoon heeft de naam [naam] , wat staat voor [naam] .12 In een WhatsApp gesprek van 18 november 2021 tussen [naam] en [naam] zegt de gebruiker van de telefoon tegen [naam] : ‘‘Als je wiri nodig heb, Zoek ik geef je doekoe voor 200 gr.13 Daarnaast zijn op de telefoon diverse foto’s aangetroffen met afbeeldingen van hennep en brokken met mogelijk cocaïne.14
Bewijsoverwegingen
Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat op 21 januari 2022 in de auto waarin verdachte als bestuurder reed, zowel een doorzichtige zak henneptoppen als een tas met daarin twee kleinere zakken fenacetine zijn aangetroffen.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet wist dat de zakken in zijn auto lagen.
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de zakken met henneptoppen en fenacetine in zijn auto, en dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat in de zakken daadwerkelijk fenacetine zou zitten. Met betrekking tot dit verweer van de raadsman overweegt de rechtbank als volgt.
Bij het aantreffen van de zakken met wit poeder door verbalisanten zei verdachte direct dat die zakken van hem zijn en niet datgene bevatten wat verbalisanten dachten, maar dat het baking soda betrof. Dit zou nog in de auto liggen na het opnemen van een hiphopvideo. Ter terechtzitting maakt verdachte een draai in zijn verklaring en heeft hij verklaard dat hij helemaal niet wist dat er zakken met henneptoppen of wit poeder in de auto lagen. Verdachte verklaart dat hij die dag onderweg naar Assen was na het opnemen van een videoclip in Rotterdam. Mogelijk zouden de bijrijders de zakken in zijn auto hebben laten liggen. Dat verdachte de zakken niet heeft gezien, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De auto waarin verdachte reed betreft een driedeursauto. Om personen op de achterbank uit te laten stappen moet de bestuurder of de voorste bijrijder uitstappen en de stoel naar voren klappen. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat verdachte bij het laten uitstappen van zijn bijrijders niet de zak met henneptoppen en de zwarte tas heeft gezien. Dit te meer nu uit het procesverbaal volgt dat deze zakken voor verbalisant direct zichtbaar waren.
Beoordeling
De rechtbank acht eveneens ongeloofwaardig dat bijrijders zakken met hennep in de auto van verdachte zonder zijn medeweten zouden laten liggen, nu die zakken -gelet op het gewicht- een aanzienlijke waarde vertegenwoordigden.
De rechtbank acht nog minder geloofwaardig dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat de zakken wit poeder baking soda bevatten. In de telefoon van verdachte staan immers
WhatsAppgesprekken van kort voor het aantreffen van de verdovende middelen in de auto. Deze gesprekken duiden erop dat verdachte zich bezighoudt met de handel in verdovende middelen, waaronder in ieder geval hennep en cocaïne. Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de afzender van de berichten is overweegt de rechtbank als volgt. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de telefoon van hem is en dat anderen wel eens zijn telefoon gebruikten voor teksten, maar dat dit altijd zijn bijzijn gebeurde. Uit het dossier volgt dat de berichten in de chats over een langere periode op verschillende dagen en tijdstippen zijn gestuurd. De deelnemers van de chat reageren in een kort tijdsbestek op elkaar. Als de verklaring van verdachte zou worden gevolgd, zou hij telkens op het moment dat hij een bericht ontving zijn telefoon uitgeleend moeten hebben. De rechtbank acht dit niet geloofwaardig. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verdachte ook de afzender is van de berichten.
Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de verklaring van verdachte ter terechtzitting daarom ongeloofwaardig en zal deze buiten beschouwing laten.
De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte de zak henneptoppen opzettelijk aanwezig heeft gehad en dat hij de zakken fenacetine eveneens opzettelijk voorhanden heeft gehad. Fenacetine wordt tegenwoordig nog uitsluitend als versnijdingsmiddel voor cocaïne gebruikt. Gelet op de berichten in de telefoon van verdachte en het aantreffen van een hoeveelheid cocaïne in de woning van de vriendin van verdachte, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte wist dat de fenacetine was bestemd tot het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken of vervaardigen van cocaïne en dat het daarvoor ook zou worden gebruikt. Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: 1
hij op 21 januari 2022 te Hoogeveen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, te weten
het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, en/of
het opzettelijk vervaardigenvan een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, doordat hij, verdachte, 1009,69 gram fenacetine voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat dit bestemd was tot het plegen van dat feit;
2 hij op 21 januari 2022 te Hoogeveen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 108 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorte bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwetgegeven verbod.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Daarnaast heeft hij oplegging van een geldboete van € 750,00 gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een taakstraf of geldboete en heeft aangevoerd dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf onwenselijk is.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het
reclasseringsrapport van 29 september 2023 en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor het bewerken van cocaïne door stoffen voorhanden te hebben om cocaïne mee te versnijden. Dit is een ernstig feit, omdat verdachte daarmee mede verantwoordelijk is voor het in stand houden van de handel in cocaïne en voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van cocaïne worden veroorzaakt. Cocaïne is een zeer verslavende stof en is schadelijk voor de gezondheid. Het gebruik hiervan kan vanwege de randverschijnselen schade voor de samenleving meebrengen. Daarnaast heeft verdachte hennep aanwezig gehad. Ook hennep is schadelijk voor de volksgezondheid. Verdachte heeft zich daardoor niet laten weerhouden de delicten te plegen. Dat rekent de rechtbank verdachte aan.
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 september 2023, met betrekking tot overtredingen van de Opiumwet geen onbeschreven blad is. Hij is immers al tweemaal eerder veroordeeld wegens drugsgerelateerde feiten.
Blijkens voormeld reclasseringsrapport heeft verdachte eerder hulpverlening gehad. Verdachte heeft inmiddels stabiele huisvesting, geen ernstige psychische problemen en inkomen uit een Wajonguitkering. Hulpverlening wordt niet noodzakelijk geacht. Bovendien is verdachte hiervoor niet intrinsiek gemotiveerd.
Voor de strafmaat heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten (LOVS) die de rechtbank hanteert voor handel in harddrugs. Voor het vervoeren, verstrekken of vervaardigen van een kilo harddrugs wordt in de regel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden opgelegd. Op de voorbereidingshandelingen ten behoeve van de handel in harddrugs dient op een dergelijke gevangenisstraf naar het oordeel van de rechtbank een korting te worden toegepast. Daarnaast acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend, om verdachte ervan te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.