Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-10-18
ECLI:NL:RBNNE:2023:4327
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,405 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 23/360 ( [eiser] ) en LEE 23/371 ( [eiseres] )
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2023 in de zaken tussen
[eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. F. Bakker),
en
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: H. Nieuwendijk en A.A. Wups).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de definitieve vaststelling van de zorg- en huurtoeslag 2021 en de daarop gebaseerde terugvorderingen.
1.1.
Verweerder heeft bij besluit van 5 augustus 2022 de zorgtoeslag 2021 van eiser [naam] definitief berekend ter hoogte van € 1.370,00. Daarbij is bepaald dat het deel aan toeslag dat teveel als voorschot is ontvangen, ten bedrage van € 318,00, wordt teruggevorderd.
Verweerder heeft bij besluit van 5 augustus 2022 de huurtoeslag 2021 van eiseres [naam] definitief berekend ter hoogte van € 2.169,00. Daarbij is bepaald dat het deel aan toeslag dat teveel als voorschot is ontvangen, ten bedrage van € 562,00, wordt teruggevorderd.
Met de bestreden besluiten van 27 december 2022 op de bezwaren van eisers is verweerder bij die besluiten gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 5 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de hoogte van de definitieve vaststelling van de zorgtoeslag 2021 van eiser en definitieve vaststelling van de huurtoeslag 2021 van eiseres en de daarop gebaseerde terugvorderingen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser en eiseres voerden elk tot
1 september 2021 een apart huishouden. Met ingang van 1 september 2021 staan zij ingeschreven aan de [adres] in de basisregistratie personen (BRP) en voeren ze een gezamenlijk huishouden.
Zijn de huur- en zorgtoeslag correct vastgesteld?
6.1.
Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder bij de definitieve vaststelling van de zorg- en huurtoeslag 2021 ten onrechte is uitgegaan van het gehele jaarinkomen van eisers, omdat het toeslagpartnerschap pas sinds 1 september 2021 is ontstaan.
6.2.
Verweerder merkt op dat hij het over het berekeningsjaar 2021 vastgestelde toetsingsinkomen van beide eisers niet heeft betrokken bij de vaststelling het recht op zorg- en huurtoeslag over de periode van 1 januari 2021 tot en met
31 augustus 2021, maar alleen over de periode van 1 september 2021 tot en met
31 december 2021. Hierbij is het toetsingsinkomen van € 28.842,00 gehanteerd zoals dit is gebleken uit de melding van de basisregistratie inkomen (BRI) van 25 mei 2022. Verweerder heeft geen ruimte om af te wijken van het verzamelinkomen zoals dit volgt uit de melding van de BRI. Ter zitting heeft verweerder toegevoegd dat de reden voor het verschil tussen het voorschot en de definitieve vaststelling van de zorg- en huurtoeslag 2021 verband houdt met het feit dat eisers op 18 oktober 2021 een significant lagere schatting van hun inkomen (€ 19.100,00) hebben doorgegeven. Dit bleek later ten onrechte te zijn gedaan.
6.3.
De rechtbank overweegt dat het toetsingsinkomen voor de huur- en zorgtoeslag het verzamelinkomen betreft dat de inspecteur vaststelt in de aanslag inkomstenbelasting. Dit is het inkomensgegeven zoals volgt uit de (melding van de) BRI. Uit vaste rechtspraak volgt dat verweerder bij berekening van de toeslagen niet mag afwijken van het door de inspecteur vastgestelde verzamelinkomen. Verweerder is daarom terecht uitgegaan van het in de BRI opgenomen verzamelinkomen van eisers ter hoogte van € 28.842,00.
6.4.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is verweerder ingevolge artikel 7, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 8, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), bij de bepaling van de draagkracht gehouden het vastgestelde verzamelinkomen in aanmerking te nemen. Daarbij is niet van belang of het verzamelinkomen over een deel of over het gehele jaar is genoten. Het systeem van de Awir brengt mee dat inkomens steeds naar een jaarinkomen worden herleid en dat de zorgtoeslag of huurtoeslag wordt berekend aan de hand van deze herleide jaarinkomens in de periodes dat sprake is van toeslagpartnerschap of medebewoning (zie MvT Awir met betrekking tot artikel 8, Kamerstukken II 2004-2005).
6.5.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht het jaarinkomen van beiden meegewogen bij de bepaling van de draagkracht ter vaststelling van het recht op huurtoeslag van eiser en het recht op zorgtoeslag van eiseres over de periode
1 september 2021 tot en met 31 december 2021. De beroepsgronden geven geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde definitieve bedragen van de zorg- en huurtoeslag. Omdat de definitieve vaststelling van de zorg- en huurtoeslag lager is dan de bedragen die aan voorschotten zijn verstrekt, leidt dit tot terug te vorderen bedragen. Het bedrag van de terugvorderingen is als zodanig terecht vastgesteld op € 318,00 voor wat betreft de zorgtoeslag van eiser en € 562,00 voor wat betreft de huurtoeslag van eiseres. Het betoog van eisers slaagt niet.
Is de definitieve vaststelling van de huur- en zorgtoeslag in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
7.1.
Eisers stellen dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden en dat zij onevenredig door de besluiten zijn geraakt. Eisers verzoeken om toepassing van de menselijke maat.
7.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat toetsing van een wet in formele zin aan het evenredigheidsbeginsel niet mogelijk is.
7.3.
De rechtbank overweegt dat de onder overweging 6.4 genoemde artikelen van de Awir – artikel 7, eerste lid, en artikel 8, eerste lid – dwingend zijn geformuleerd. De tekst van de bepalingen is helder en laat geen ruimte voor verweerder om daarvan af te wijken. De Awir is bovendien een wet in formele zin. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van
1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, onder 9.6 en 9.10, kunnen deze bepalingen daarom niet worden getoetst aan artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het evenredigheidsbeginsel.
7.4.1.
In deze uitspraak heeft de Afdeling onder 9.11 e.v. uiteengezet dat in bepaalde gevallen aanleiding kan bestaan voor zogenoemde contra-legem toepassing van algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Dit is het geval indien zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene beginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
7.4.2.
De rechtbank is van oordeel dat eisers geen omstandigheden hebben aangevoerd waarvan gezegd kan worden dat de wetgever daarmee geen rekening heeft gehouden. Het ontstaan van toeslagpartnerschap is geen bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft af te wijken van de wet.
7.5.
De rechtbank oordeelt daarom dat de door eisers aangevoerde omstandigheden de toepassing van de wet niet zozeer in strijd doen zijn met het evenredigheidsbeginsel dat de toepassing daarvan achterwege moet blijven. Verweerder biedt – indien eisers daarom verzoeken – een betalingsregeling waarbij rekening kan worden gehouden met de financiële situatie van eisers.
Moest de hoogte van de terugvorderingen met toepassing van het evenredigheidsbeginsel gematigd worden?
8.1.
Eisers hebben naar voren gebracht dat gelet op hun financiële situatie de hoogte van de terugvorderingen gematigd hadden moeten worden.
8.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de nadelige gevolgen van de terugvorderingen voor eisers niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Het doel van de terugvorderingen omschrijft de verweerder als de rechtmatige besteding van publieke middelen. Van belang is dat uit het Verzamelbesluit Toeslagen volgt dat financiële problemen in het algemeen niet leiden tot matiging van een terugvordering. Verweerder wijst op de (eventuele) mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling. Zo kunnen eisers wellicht op verzoek en voor zover zij voldoen aan de voorwaarden in aanmerking komen voor een betalingsregeling op maat op grond van hun betalingscapaciteit.
Conclusie
9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 2
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:
o. inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 7
1. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.
Artikel 8
1. Toetsingsinkomen is: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.
Artikel 24
1. Een tegemoetkoming wordt uitbetaald binnen vier weken na dagtekening van de
beschikking.
2. Indien voorschotten zijn verleend, worden deze verrekend met de tegemoetkoming.
3. De in het tweede lid bedoelde verrekening kan leiden tot een terug te vorderen
bedrag.
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Artikel 21
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
e. inkomensgegeven:
1°. indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen;
(…)
Zie artikel 2, eerste lid en onder o, en artikel 8, eerste lid, van de Awir, en artikel 21, onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).
Zie de uitspraak van de ABRvS van 7 juli 2010, met nummer ECLI:NL:RVS:2010:BN0491, zoals te vinden op www.rechtspraak.nl.
Zie de uitspraak van de ABRvS van 2 februari 2011, met nummer ECLI:NL:RVS:2011: BP2836, zoals te vinden op www.rechtspraak.nl.
Zie artikel 24 van de Awir.
Zie de uitspraak van de ABRvS van 30 november 2022, met nummer ECLI:NL:RVS:2022:3491, zoals te vinden op www.rechtspraak.nl.