Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-09-28
ECLI:NL:RBNNE:2023:3968
Civiel recht
Wraking
2,703 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2023:3968 text/xml public 2026-05-11T11:01:14 2023-09-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2023-09-28 C18/226400 / KG RK 23-293 Uitspraak Wraking NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2023:3968 text/html public 2023-09-29T11:59:33 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2023:3968 Rechtbank Noord-Nederland , 28-09-2023 / C18/226400 / KG RK 23-293 Verzoek kennelijk ongegrond. Processuele beslissing. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer: C18/226400 / KG RK 23-293 beslissing van de meervoudige kamer van 28 september 2023 op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 512 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker. 1 1. Procesverloop 1.1. Bij de afdeling strafrecht van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, loopt een zaak (geregistreerd onder parketnummer 18/083073-23), waarin [verzoeker] verdachte is. 1.2. In die zaak heeft op 15 september 2023 een zitting plaatsgevonden ten overstaan van mr. A. de Jong, politierechter. Op die zitting heeft verzoeker de rechter gewraakt. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. Mr. De Jong heeft niet in de wraking berust. 2 2. Beoordeling 2.1. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - voor zover hier van belang - een ieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen. 2.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees van bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn. 2.3. Voorts is van belang dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen de verzoeker onwelgevallige (processuele) beslissingen. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn, maar te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Slechts indien de genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat redelijkerwijs daarvoor geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven, bestaat aanleiding om vooringenomenheid te vermoeden. 2.4. Verzoeker heeft - samengevat - aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat mr. De Jong vooringenomen zou zijn omdat zij geweigerd heeft de door hem overgelegde pleitnotitie te accepteren én omdat het arrest van het hof van 17 augustus 2023 en de daaraan ten grondslag liggende stukken inclusief de foto's geen onderdeel uitmaken van het dossier. 2.5. De wrakingskamer oordeelt dat de beslissing van de rechter om een partij al dan niet de gelegenheid te geven een pleitnotitie voor te dragen een (processuele) beslissing betreft, waarover aan de wrakingskamer in beginsel geen oordeel toekomt. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.3. is overwogen, is er slechts aanleiding om vooringenomenheid te vermoeden, indien de genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven. Dat van dergelijke feiten of omstandigheden sprake is, is gesteld noch gebleken. Ook het feit dat de door verzoeker genoemde uitspraak en de daarin ten grondslag liggende stukken inclusief de foto's niet in het dossier zitten, betreft geen omstandigheid waaruit de partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid. 2.6. Het vorenstaande brengt, naar het oordeel van de wrakingskamer, met zich dat het verzoek kennelijk ongegrond verklaard dient te worden. 2.7. De wrakingskamer komt aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek niet toe. Een mondelinge behandeling van het verzoek kan daarom achterwege blijven. 3 Beslissing De rechtbank: 3.1. verklaart het verzoek kennelijk ongegrond; 3.2. bepaalt dat de zaak met parketnummer 18/083073-23 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking; 3.3. beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker en aan mr. A. de Jong. Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. H.J. Idzenga en mr. S.T. Kooistra, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2023. coll: 853
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2023:3968 text/xml public 2026-05-11T11:01:14 2023-09-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2023-09-28 C18/226400 / KG RK 23-293 Uitspraak Wraking NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2023:3968 text/html public 2023-09-29T11:59:33 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2023:3968 Rechtbank Noord-Nederland , 28-09-2023 / C18/226400 / KG RK 23-293 Verzoek kennelijk ongegrond. Processuele beslissing. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer: C18/226400 / KG RK 23-293 beslissing van de meervoudige kamer van 28 september 2023 op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 512 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker. 1 1. Procesverloop 1.1. Bij de afdeling strafrecht van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, loopt een zaak (geregistreerd onder parketnummer 18/083073-23), waarin [verzoeker] verdachte is. 1.2. In die zaak heeft op 15 september 2023 een zitting plaatsgevonden ten overstaan van mr. A. de Jong, politierechter. Op die zitting heeft verzoeker de rechter gewraakt. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. Mr. De Jong heeft niet in de wraking berust. 2 2. Beoordeling 2.1. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - voor zover hier van belang - een ieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen. 2.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees van bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn. 2.3. Voorts is van belang dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen de verzoeker onwelgevallige (processuele) beslissingen. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn, maar te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Slechts indien de genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat redelijkerwijs daarvoor geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven, bestaat aanleiding om vooringenomenheid te vermoeden. 2.4. Verzoeker heeft - samengevat - aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat mr. De Jong vooringenomen zou zijn omdat zij geweigerd heeft de door hem overgelegde pleitnotitie te accepteren én omdat het arrest van het hof van 17 augustus 2023 en de daaraan ten grondslag liggende stukken inclusief de foto's geen onderdeel uitmaken van het dossier. 2.5. De wrakingskamer oordeelt dat de beslissing van de rechter om een partij al dan niet de gelegenheid te geven een pleitnotitie voor te dragen een (processuele) beslissing betreft, waarover aan de wrakingskamer in beginsel geen oordeel toekomt. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.3. is overwogen, is er slechts aanleiding om vooringenomenheid te vermoeden, indien de genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven. Dat van dergelijke feiten of omstandigheden sprake is, is gesteld noch gebleken. Ook het feit dat de door verzoeker genoemde uitspraak en de daarin ten grondslag liggende stukken inclusief de foto's niet in het dossier zitten, betreft geen omstandigheid waaruit de partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid. 2.6. Het vorenstaande brengt, naar het oordeel van de wrakingskamer, met zich dat het verzoek kennelijk ongegrond verklaard dient te worden. 2.7. De wrakingskamer komt aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek niet toe. Een mondelinge behandeling van het verzoek kan daarom achterwege blijven. 3 Beslissing De rechtbank: 3.1. verklaart het verzoek kennelijk ongegrond; 3.2. bepaalt dat de zaak met parketnummer 18/083073-23 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking; 3.3. beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker en aanmr. A. de Jong. Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. H.J. Idzenga en mr. S.T. Kooistra, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2023. coll: 853