Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-05-26
ECLI:NL:RBNNE:2023:3719
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,932 tokens
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-319573-22
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-033159-20
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 mei 2023 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 mei 2023.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Kappeyne van de Coppelo.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 december 2022 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, in/uit een winkel aan [adres] , een frameslot en/of een elektronische geurverspreider, van het merk: Ambi Pur, en/of vijf, althans meerdere, verpakkingen geurboosters, van het merk: Lenor, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 mei 2023;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 december 2022,opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PLO1002022325828, d.d. 8 december 2023, inhoudend de verklaring van A. Jorna, namens [bedrijf] , gevestigd op [adres] te Leeuwarden.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Verdachte op 6 december 2022 te Leeuwarden in een winkel aan [adres] een frameslot en een elektronische geurverspreider van het merk Ambi Pur en vijf verpakkingen geurboosters van het merk Lenor die aan [bedrijf] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op:
1. diefstal
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelstelmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat aan de voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel is voldaan en dat de beveiliging van de maatschappij oplegging van deze maatregel vereist. Ondanks het langdurige hulpverleningstraject van de reclassering, Verslavingszorg Noord-Nederland (VNN) en Wender blijft verdachte strafbare feiten plegen om zijn drugsgebruik te bekostigen en de kans op herhaling blijft onverminderd hoog.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot oplegging van de ISDmaatregel dient te worden afgewezen. Hij daartoe aangevoerd dat weliswaar aan de formele vereisten is voldaan, maar dat er nu sprake is van andere omstandigheden dan ten tijde van het plegen van de winkeldiefstal. Verdachte zat, mede door problemen met zijn bewindvoerder, in geldnood. Hij heeft nu een nieuwe bewindvoerder en het contact is goed. Hij krijgt weekgeld, hij heeft huisvesting, een dagbesteding en het middelengebruik is onder controle. Deze factoren maken de kans op herhaling lager. De ISD-maatregel is een ultimum remedium en de maatregel hoeft niet tot een lager recidiverisico te leiden. Bovendien zal verdachte zijn huurwoning verliezen waardoor hij na de maatregel zal moeten verblijven in een pension of nachtopvang. Daar is hij slechter af dan in zijn huidige huurwoning.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering van 22 februari en 28 maart 2023, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten die, naast materiële schade, veel hinder veroorzaken voor de gedupeerden. Winkeliers moeten bovendien kosten maken ter beveiliging van hun zaak om dit soort feiten te voorkomen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan vermogensfeiten.
De rechtbank leidt uit het reclasseringsadvies af dat verdachte is aangemerkt als veelpleger. Verdachte kent een lange verslavingsgeschiedenis, waarbij opvalt dat hij in de periode tussen 1992 en 2009 geen drugs gebruikte, stabiel functioneerde en hij 15 jaar lang niet in contact kwam met justitie. Door negatieve persoonlijke omstandigheden is hij teruggevallen in problematisch middelengebruik en daarmee het plegen van delicten. Het laatste jaar is volgens de reclassering ondanks een vermindering van het middelengebruik de kans op recidive toegenomen. Verdachte heeft door zijn zorgmijdende houding niet kunnen profiteren van hem aangeboden ambulante behandeling en begeleiding. De reclassering ziet een klinische opname in combinatie met een strafrechtelijk kader als enige mogelijkheid om een positieve gedragsverandering te bewerkstelligen en adviseert daarom de oplegging van de ISD-maatregel.
Uit hetgeen op zitting naar voren gekomen is, leidt de rechtbank af dat er voorzichtig gesproken kan worden van een positieve ontwikkeling in de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het langdurig verblijf in de penitentiaire inrichting heeft ertoe geleid dat verdachte stabieler is en dat zijn middelengebruik sterk is verminderd. Verder heeft hij, daar waar hij eerder problemen had met zijn oude bewindvoerder, inmiddels een nieuwe bewindvoerder, krijgt hij leefgeld, heeft hij dagbesteding en heeft hij een eigen (huur)woning. De reclassering houdt in het kader van een eerdere voorwaardelijke veroordeling toezicht en er is nog steeds sprake van begeleiding en ondersteuning van Wender en Verslavingszorg Noord-Nederland (VNN). Verdachte heeft op zitting aangeven dat hij afstand heeft genomen van de drugswereld, dat hij in gesprek is met VNN over een traumabehandeling en dat hij die behandeling graag voort wil zetten. Hij erkent dat hij zich beter aan de afspraken had moeten houden met de hulpverleners.
Geen ISD-maatregel
De rechtbank stelt op grond van de justitiële documentatie vast dat in beginsel is voldaan aan de strafrechtelijke criteria om aan verdachte een ISD-maatregel op te leggen.
Oplegging van de ISD-maatregel is een manier om gedurende langere tijd te voorkomen dat een verdachte strafbare feiten pleegt en de kans op recidive na afloop van de maatregel te verminderen. De ISD-maatregel is echter ook een ultimum remedium.
De rechtbank constateert dat verdachte eerder in staat is geweest om vijftien jaar lang een stabiel en een drugs- en delictvrij leven te leiden en de rechtbank ziet in de gewijzigde persoonlijke omstandigheden mogelijkheden voor een doorstart in de stabilisatie en ambulante behandeling van verdachte. De rechtbank wil verdachte nog een laatste kans geven om zijn leven een positieve wending geven en te stoppen met het plegen van strafbare feiten. Daarbij laat de rechtbank zwaar meewegen dat verdachte bij oplegging van de maatregel zijn huidige huurwoning zal verliezen en dat het ongewis is waar verdachte na afloop van de maatregel kan gaan wonen. Volgens de reclassering zit een huurwoning er waarschijnlijk niet in en kan verdachte dan terecht in een begeleidwonensetting of in een sociaal pension.
Dictum
18033159-20:
Verlengt de in het vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 26 oktober 2020 vastgestelde proeftijd met één jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. S.T. Kooistra en mr. M.E. Joha, rechters, bijgestaan door K. de Ruiter, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2023.
Mrs. Kooistra en Joha zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-319573-22
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-033159-20
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 mei 2023 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 mei 2023.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Kappeyne van de Coppelo.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 december 2022 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, in/uit een winkel aan [adres] , een frameslot en/of een elektronische geurverspreider, van het merk: Ambi Pur, en/of vijf, althans meerdere, verpakkingen geurboosters, van het merk: Lenor, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 mei 2023;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 december 2022,opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PLO1002022325828, d.d. 8 december 2023, inhoudend de verklaring van A. Jorna, namens [bedrijf] , gevestigd op [adres] te Leeuwarden.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Verdachte op 6 december 2022 te Leeuwarden in een winkel aan [adres] een frameslot en een elektronische geurverspreider van het merk Ambi Pur en vijf verpakkingen geurboosters van het merk Lenor die aan [bedrijf] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op:
1. diefstal
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelstelmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat aan de voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel is voldaan en dat de beveiliging van de maatschappij oplegging van deze maatregel vereist. Ondanks het langdurige hulpverleningstraject van de reclassering, Verslavingszorg Noord-Nederland (VNN) en Wender blijft verdachte strafbare feiten plegen om zijn drugsgebruik te bekostigen en de kans op herhaling blijft onverminderd hoog.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot oplegging van de ISDmaatregel dient te worden afgewezen. Hij daartoe aangevoerd dat weliswaar aan de formele vereisten is voldaan, maar dat er nu sprake is van andere omstandigheden dan ten tijde van het plegen van de winkeldiefstal. Verdachte zat, mede door problemen met zijn bewindvoerder, in geldnood. Hij heeft nu een nieuwe bewindvoerder en het contact is goed. Hij krijgt weekgeld, hij heeft huisvesting, een dagbesteding en het middelengebruik is onder controle. Deze factoren maken de kans op herhaling lager. De ISD-maatregel is een ultimum remedium en de maatregel hoeft niet tot een lager recidiverisico te leiden. Bovendien zal verdachte zijn huurwoning verliezen waardoor hij na de maatregel zal moeten verblijven in een pension of nachtopvang. Daar is hij slechter af dan in zijn huidige huurwoning.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering van 22 februari en 28 maart 2023, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten die, naast materiële schade, veel hinder veroorzaken voor de gedupeerden. Winkeliers moeten bovendien kosten maken ter beveiliging van hun zaak om dit soort feiten te voorkomen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan vermogensfeiten.
De rechtbank leidt uit het reclasseringsadvies af dat verdachte is aangemerkt als veelpleger. Verdachte kent een lange verslavingsgeschiedenis, waarbij opvalt dat hij in de periode tussen 1992 en 2009 geen drugs gebruikte, stabiel functioneerde en hij 15 jaar lang niet in contact kwam met justitie. Door negatieve persoonlijke omstandigheden is hij teruggevallen in problematisch middelengebruik en daarmee het plegen van delicten. Het laatste jaar is volgens de reclassering ondanks een vermindering van het middelengebruik de kans op recidive toegenomen. Verdachte heeft door zijn zorgmijdende houding niet kunnen profiteren van hem aangeboden ambulante behandeling en begeleiding. De reclassering ziet een klinische opname in combinatie met een strafrechtelijk kader als enige mogelijkheid om een positieve gedragsverandering te bewerkstelligen en adviseert daarom de oplegging van de ISD-maatregel.
Uit hetgeen op zitting naar voren gekomen is, leidt de rechtbank af dat er voorzichtig gesproken kan worden van een positieve ontwikkeling in de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het langdurig verblijf in de penitentiaire inrichting heeft ertoe geleid dat verdachte stabieler is en dat zijn middelengebruik sterk is verminderd. Verder heeft hij, daar waar hij eerder problemen had met zijn oude bewindvoerder, inmiddels een nieuwe bewindvoerder, krijgt hij leefgeld, heeft hij dagbesteding en heeft hij een eigen (huur)woning. De reclassering houdt in het kader van een eerdere voorwaardelijke veroordeling toezicht en er is nog steeds sprake van begeleiding en ondersteuning van Wender en Verslavingszorg Noord-Nederland (VNN). Verdachte heeft op zitting aangeven dat hij afstand heeft genomen van de drugswereld, dat hij in gesprek is met VNN over een traumabehandeling en dat hij die behandeling graag voort wil zetten. Hij erkent dat hij zich beter aan de afspraken had moeten houden met de hulpverleners.
Geen ISD-maatregel
De rechtbank stelt op grond van de justitiële documentatie vast dat in beginsel is voldaan aan de strafrechtelijke criteria om aan verdachte een ISD-maatregel op te leggen.
Oplegging van de ISD-maatregel is een manier om gedurende langere tijd te voorkomen dat een verdachte strafbare feiten pleegt en de kans op recidive na afloop van de maatregel te verminderen. De ISD-maatregel is echter ook een ultimum remedium.
De rechtbank constateert dat verdachte eerder in staat is geweest om vijftien jaar lang een stabiel en een drugs- en delictvrij leven te leiden en de rechtbank ziet in de gewijzigde persoonlijke omstandigheden mogelijkheden voor een doorstart in de stabilisatie en ambulante behandeling van verdachte. De rechtbank wil verdachte nog een laatste kans geven om zijn leven een positieve wending geven en te stoppen met het plegen van strafbare feiten. Daarbij laat de rechtbank zwaar meewegen dat verdachte bij oplegging van de maatregel zijn huidige huurwoning zal verliezen en dat het ongewis is waar verdachte na afloop van de maatregel kan gaan wonen. Volgens de reclassering zit een huurwoning er waarschijnlijk niet in en kan verdachte dan terecht in een begeleidwonensetting of in een sociaal pension.
Dictum
18033159-20:
Verlengt de in het vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 26 oktober 2020 vastgestelde proeftijd met één jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. S.T. Kooistra en mr. M.E. Joha, rechters, bijgestaan door K. de Ruiter, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2023.
Mrs. Kooistra en Joha zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.