Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-02-06
ECLI:NL:RBNNE:2023:365
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,663 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 23/365
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2021 in de zaak tussen
Stichting Natuurbeschermingswacht Meppel en omstreken, uit Meppel, verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),
en
de burgemeester van de gemeente Westerveld
(gemachtigden: [gemachtigden] ).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde belanghebbende] .
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van het college om een evenementenvergunning te verlenen voor het evenement “Wampex Boijl 2023” op 4 februari 2023 van 18:00 uur tot 03.00 uur. Het college heeft de vergunning bij besluit van 28 december 2022 verleend. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en aan de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster en de gemachtigden van het college. Voor verzoekster is verder nog verschenen [naam] . Voor derde partij zijn verschenen [namen] .
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang gegeven nu het evenement op 4 februari 2023 plaatsvindt.
2.2.
Bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening wordt bezien of het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de argumenten die zij hebben aangevoerd, de zogenoemde gronden.
Belanghebbendheid
3. De voorzieningenrechter ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of verzoekster als belanghebbende is aan te merken bij het bestreden besluit. Zij beantwoordt deze vraag bevestigend.
3.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat voor de vraag of verzoekster als belanghebbende kan worden aangemerkt de doelstellingen van verzoekster in samenhang met haar feitelijke werkzaamheden moeten worden beoordeeld. Weliswaar is de in de statuten neergelegde doelstelling – onder meer het bijdragen aan de kwaliteit van de natuur en het milieu - ruim geformuleerd, maar de feitelijke werkzaamheden bestaan uit het ten behoeve van dat doel bijdragen aan overleggen met bevoegde gezagen voorafgaand aan beleids- en besluitvorming en het samenwerken met andere natuurbeschermingsorganisaties. Bovendien beperken deze werkzaamheden zich met name tot Meppel en omstreken, waaronder ook de gemeente Westerveld. Dat verzoekster zich alleen zou beperken tot het voeren van juridische procedures is de rechtbank niet gebleken.
Inspraak
4. Verzoekster stelt dat op grond van artikel 6, derde lid, Habitatrichtlijn en artikel 6, eerste lid, onder b, in samenhang met het vierde lid, van het Verdrag van Aarhus, voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit inspraak had moeten worden geboden omdat het evenement aanzienlijke milieueffecten en significante effecten op de natuur kan hebben. Verzoekster heeft daartoe gewezen op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord Nederland van 3 februari 2022 (ECLI:NL:RBNNE:2022:270) en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord Nederland van 9 maart 2022 (ECLI:NL:RBNNE:2022:697). Nu de onjuiste procedure is gevolgd, is een tijdig herstelbesluit met een voortoets en inspraak niet meer mogelijk.
4.1.
Anders dan verzoekster meent is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in het onderhavige geval geen sprake van een besluit met aanzienlijke milieueffecten, zodat geen inspraak vooraf hoefde te worden geboden. In dat verband is van belang dat uit het – bij de vergunning behorende - ‘Draaiboek ter voorkoming van verstoring van beschermde soorten’ is gebleken dat het evenement zal worden bezocht door zo’n 150 bezoekers, die in groepjes van vijf of zes mensen op pad gaan, met tussenpozen van ongeveer tien minuten. Verder gaat de route over paden waarbij kwetsbare habitats en leefgebieden worden vermeden. Er wordt geen gebruik gemaakt van georganiseerde verlichting, podia of geluidsinstallaties. Deelnemers krijgen een roodlichtfilter voor hun zaklamp. In totaal worden ongeveer twintig auto’s van deelnemers en vijfentwintig auto’s van bezoekers verwacht. Er is een Aeriusberekening met betrekking tot stikstofuitstoot gemaakt waaruit blijkt dat geen sprake is van stikstofdepositie als gevolg van het evenement. Verder hebben de betrokken natuurorganisaties toestemming verleend.
4.2.
Verzoekster heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat ondanks het voorgaande sprake is van een besluit met aanzienlijke effecten op natuur of milieu. Zij hebben hun stellingen daaromtrent niet onderbouwd. De uitspraken waar verzoekster naar heeft verwezen zien bovendien op andere gevallen en zijn daarom niet vergelijkbaar. De uitspraak met nummer ECLI:NL:RBNNEE:2022:270 ziet op een omgevingsvergunning. De uitspraak met nummer ECLI:NL:RBNNE:2022:697 ziet weliswaar op een evenementenvergunning maar daarin was sprake van een ander toetsingskader. Daarbij was het evenement ook van een geheel andere aard dan het evenement waarvoor in het onderhavige geval vergunning is verleend.
4.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar voorlopig oordeel op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een besluit met aanzienlijke milieueffecten, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Verdrag van Aarhus. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder niet was gehouden om voorafgaand aan de besluitvorming inspraak te organiseren.
Natuurtoets
5. Verzoekster stelt dat de evenementenvergunning niet kon worden verleend zonder onderzoek naar de gevolgen van het evenement voor de natuur. Dat had wel gemoeten nu het evenement plaatsvindt in een N2000 gebied (gelet op de startplaats Boijl het Drents- Friese Wold) en kans bestaat op significante effecten voor een N2000 gebied en overtredingen ten aanzien van beschermde soorten. Verzoekster heeft ook in dat verband gewezen op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord Nederland van 9 maart 2022 (ECLI:NL:RBNNE:2022:697). Verzoekster heeft in dat verband gesteld dat de verkeersaantrekkende werking niet is onderzocht. Verder is voor een aantal vogelsoorten, waaronder de Zwarte Specht, de Bosuil en de Raaf in dit type biotoop het broedseizoen al begonnen Daarbij worden nachtactieve zoogdieren als Das, Wolf, en Ree verstoord. Niet gebleken is dat mitigerende maatregelen zijn genomen. Omdat geen natuurtoets is gemaakt ontbreekt de zekerheid dat nesten of nestplaatsen niet worden verstoord, terwijl de bewijslast bij verweerder ligt. Verzoekster heeft daartoe gewezen op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord Nederland van 11 maart 2021 (ECLI:NL:RBNNE:2021:810). Daarbij is het beleid van het college dat slechts een evenement kan worden vergund indien een vergunning of ontheffing van de Wet natuurbescherming (Wnb) niet is vereist.
5.1.
Indien niet wordt voldaan aan de Habitatrichtlijn is volgens verzoekster geen belangenafweging meer mogelijk. Verzoekster heeft in dat verband gewezen op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:EU:C:2014:330). Verzoekster stelt verder dat het aan artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, ten grondslag gelegde voorzorgsbeginsel een strikte uitleg van de Habitatrichtlijn vereist. Zij heeft in dat verband gewezen op uitspraken van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (AbRS), waaronder de uitspraak van 7 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2557) en 12 oktober 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2874).
5.2.
Op grond van artikel 2.25 (Evenement), eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Westerveld (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
5.2.1.
Ingevolge artikel 1:8 van de APV kan de vergunning of ontheffing door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van:
a. de openbare orde;
b. de openbare veiligheid;
c. de volksgezondheid;
d. de bescherming van het milieu.
5.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ziet het begrip “bescherming van het milieu” zoals in de APV opgenomen, - anders dan verzoekster meent - niet op de bescherming van het milieu in relatie tot natuur maar op de bescherming van het woon- en leefklimaat van mensen. Dit blijkt onder andere uit een uitspraak van de AbRS van 17 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1855).
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het evenement kan doorgaan. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorzieningen af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.K. Heiting, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2023.
griffier
voorzieningenrechter
de voorzieningenrechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie ook de uitspraak van de voorzieningenrechters van de rechtbank Gelderland van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5010, en van de rechtbank Noord Holland van 2 augustus 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:7040.