Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-08-10
ECLI:NL:RBNNE:2023:3540
Civiel recht
Wraking
1,064 tokens
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker.
1
Procesverloop
1.1.
Bij brief van 13 juli 2023, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 1 augustus 2023, heeft verzoeker een verzoek ingediend tot wraking van mr. P.G. Wijtsma, rechter in de procedure met nummer LEE AWB 23/421, waarbij verzoeker als partij is betrokken.Mr. Wijtsma heeft aangegeven niet in de wraking te berusten en heeft bij e-mail van 3 augustus 2023 een reactie op het wrakingsverzoek aan de griffie van deze rechtbank doen toekomen.
2
Beoordeling
2.1.
Ingevolge artikel 8:15 Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.Ingevolge artikel 8:16, eerste lid, Awb wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
Dit laatstbedoelde artikellid borgt daarmee dat het ernstige gebrek dat aan de behandeling van een zaak kleeft wanneer de onpartijdigheid van een rechter in twijfel wordt getrokken, direct kenbaar wordt gemaakt.
2.2.
In de wetsgeschiedenis van artikel 37, eerste lid, Rv (MvT, Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 66), dat woordelijk gelijk is aan artikel 8:16, eerste lid, Awb is dienaangaande vermeld dat een wrakingsverzoek kan worden ingediend in elke stand van het geding, dus ook nog na afloop van de behandeling. Het is namelijk zeer wel mogelijk dat dan pas feiten of omstandigheden blijken waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit de toelichting volgt dat de mogelijkheid om na afloop van de behandeling een wrakingsverzoek in te dienen in beginsel niet geboden hoeft te worden indien terstond tijdens de zitting zich dergelijke feiten of omstandigheden voordoen.
2.3.
Uit het verzoekschrift is gebleken dat de grond voor het wrakingsverzoek is gelegen in hetgeen zich tijdens de mondelinge behandeling van het ingediende verzoek van verzoeker in de procedure met nummer LEE AWB 23/421 op 3 juli 2023 heeft voorgedaan. Het onderhavige wrakingsverzoek is op 1 augustus 2023 ingediend, zo blijkt uit twee verschillende zogenaamde ‘ingekomen’-stempels die de rechtbank gebruikt. Daarmee is het verzoek niet gedaan zodra die feiten en omstandigheden bekend zijn geworden, namelijk ten tijde van de zitting op 3 juli 2023. Ook indien het verzoekschrift meteen na de datering daarvan (13 juli 2023) zou zijn ingediend, zou het verzoek niet gedaan zijn zodra die feiten en omstandigheden bekend zijn geworden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verzoeker in zijn verzoek geen reden heeft aangegeven op grond waarvan het wrakingsverzoek eerst op 13 juli 2023 dan wel op 1 augustus 2023 is ingediend en niet meteen ter zitting. Bijzondere feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel nopen, zijn gesteld noch gebleken.
2.4.
Het verzoek is daarom te laat ingediend en verzoeker kan dan ook niet worden ontvangen in het verzoek. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek komt de rechtbank daarom niet toe.
2.5.
Uit het bodemdossier blijkt dat in de procedure LEE AWB 23/421 op 17 juli 2023 uitspraak is gedaan en dat deze op 19 juli aan verzoeker is toegezonden. De rechtbank zal derhalve niet bepalen dat de procedure met nummer LEE AWB 23/421 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
3.2.
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker en aanmr. Wijtsma.
Deze beslissing is gegeven door mrs. Th.A. Wiersma, J.Y.B. Jansen en A. Jongsma en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2023.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open
js (319)