Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-08-16
ECLI:NL:RBNNE:2023:3444
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,517 tokens
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Groningen
parketnummer 18.146773.22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 augustus 2023 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 augustus 2023. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.J.H. Lina, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 15 april 2020 tot en met 3 mei 2020 te [adres] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of methamfetamine (van in totaal ongeveer 9800 liter), zijnde amfetamine en/of methamfetamine (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe - kort gezegd - het volgende aangevoerd. Op 3 mei 2020 zijn in een loods aan de [adres] vaten aangetroffen met daarin een vloeistof die onder andere amfetamine en methamfetamine bevatte. Medeverdachte [naam 1] (hierna: [naam 1] ) huurde deze loods en verdachte en [naam 1] zijn meerdere malen in de loods geweest. In combinatie met onder meer het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het telefonische verhoor van getuige [naam 2] (hierna: [naam 2] ) kan bewezen worden dat verdachte en [naam 1] de vaten tezamen en in vereniging hebben vervoerd en aanwezig gehad.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat de in de loods aanwezige vaten kort gezegd - drugsafval bevatten, noch dat verdachte betrokken is geweest bij de opslag en het vervoeren van die vaten. Verdachte was af en toe in de betreffende loods omdat hij daar gereedschap voor zijn te starten klusbedrijf had opgeslagen, wat ook daadwekelijk in de loods is aangetroffen. Het is goed mogelijk dat anderen de vaten er hebben gebracht buiten zijn aanwezigheid en medeweten.
Met betrekking tot getuige [naam 2] heeft de raadsvrouw erop gewezen dat hij door de rechtercommissaris is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de politie heeft genoteerd met betrekking tot zijn telefonische verhoor onjuist is. [naam 2] heeft verklaard dat hij niet heeft gezien dat de blauwe vaten werden uitgeladen. Het betreffende proces-verbaal van bevindingen kan dan ook niet bijdragen aan het bewijs en ook overigens is er onvoldoende bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij de opslag en het vervoer van de vaten.
Oordeel van de rechtbank
Bruikbaarheid proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot verhoor [naam 2]
De rechtbank overweegt als volgt met betrekking tot (de bruikbaarheid van) hetgeen door de politie aangaande de (telefonische) verklaring(en) van [naam 2] is weergegeven.
Blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 mei 20201 werd de loods aan de [adres] ontruimd op 4 mei 2020. De daarbij aanwezige verbalisanten [naam 6] en [naam 7] werden die dag aangesproken door de eigenaar van het bedrijf gevestigd aan de [adres] . De man vertelde hen dat de vaten die zijn aangetroffen in het pand zijn uitgeladen uit een huurauto van [bedrijf] met kenteken [kenteken] . Naar aanleiding van deze informatie is vervolgens door verbalisant [naam 3] telefonisch contact opgenomen met deze man; dit bleek getuige [naam 2] te zijn. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 mei 20232 gaf [naam 2] ook aan [naam 3] vervolgens een kenteken van een huurauto door en verklaarde hij dat hij had gezien dat twee mannen blauwe vaten uit de auto haalden en in de loods zetten. Met name in het tweede procesverbaal van bevindingen zijn deze en nog andere door [naam 2] genoemde waarnemingen in detail weergegeven.
De rechtbank stelt voorop dat in het geval van een door een verbalisant op ambtseed opgemaakt proces-verbaal in beginsel wordt uitgegaan van de juistheid daarvan. Helemaal nu in dit geval maar liefst sprake is van drie verbalisanten die (in twee afzonderlijk opgemaakte processen-verbaal) op ambtseed hebben verklaard dat [naam 2] (een kenteken noemde en) sprak over het uitladen van vaten, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de bedoelde processen-verbaal.
Dat [naam 2] - op verzoek van de verdediging - op 29 maart 2023 is gehoord bij de rechtercommissaris en heeft verklaard dat de politie zijn verklaring destijds onjuist heeft genoteerd, maakt het voorgaande niet anders, temeer gelet op de aanleiding van dit verhoor, zoals blijkt uit een procesverbaal van bevindingen gedateerd 7 februari 2023.3 Hieruit volgt namelijk dat [naam 2] in december 2022 op zijn werk is bezocht door medeverdachte [naam 1] , die op dat moment al was veroordeeld wegens het vervoeren en aanwezig hebben van de vaten met drugsafval. Daarvan gaf [naam 1] [naam 2] de schuld. [naam 1] had zijn advocaat aan de telefoon, die vervolgens met [naam 2] in gesprek ging over zijn verklaring. Toen [naam 2] aangaf dat hij niet tegen de politie heeft gezegd dat hij [naam 1] had herkend, verzocht de advocaat [naam 2] om dit op papier te zetten. Later die dag ontving [naam 2] per mail een door de advocaat opgestelde verklaring die op allerlei punten afwijkt van [naam 2] eerdere verklaring. [naam 2] heeft deze niet ondertekend en heeft hier niet op gereageerd. Vervolgens is hij opgeroepen om bij de rechter-commissaris om als getuige te worden gehoord.
Uitgaand van de geschetste - en wat de rechtbank betreft zeer ongewenste - gang van zaken acht de rechtbank het goed voorstelbaar dat [naam 2] zich verre van vrij heeft gevoeld om bij zijn oorspronkelijke verklaring te blijven. Aan het wijzigen van zijn verklaring, bijna drie jaren na dato, hecht de rechtbank dan ook geen waarde. De rechtbank acht de betreffende processen-verbaal van bevindingen dan ook betrouwbaar en zal deze bezigen tot het bewijs.
Beoordeling
De rechtbank stelt op grond van de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen4 de volgende feiten vast.
Op zondag 3 mei 2020 trof de politie in een loods aan de [adres] 34 vaten (met een inhoud van 200 liter) en 106 jerrycans (met variërende inhoudsmaat) aan.56 De vaten waren afgedekt met een donker afdekkleed en in de loods was een chemische lucht waar te nemen.7 Door de politie werd de inhoud van de vaten onderzocht, waarna werd geconcludeerd dat met uitzondering van één vat de vaten en jerrycans geheel waren gevuld met synthetisch drugsafval afkomstig van de productie van BenzylMethylKeton(BMK) en amfetamine.8 De aan het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) ingestuurde monsters van uit de vaten afkomstige vloeistoffen bleken na laboratoriumonderzoek amfetamine en metamfetamine te bevatten.9
De betreffende loods is eigendom van getuige [naam 5] (hierna: [naam 5] ) en werd sinds 15 april 2020 verhuurd aan [naam 1] .10 Er waren drie sleutels van de loods. [naam 1] en verdachte hadden allebei een sleutel. [naam 5] herkent verdachte en [naam 1] op camerabeelden van het terrein. 11 Ook verdachte en [naam 1] herkennen zichzelf op camerabeelden van het terrein en hebben verklaard dat zij meermalen in de loods zijn geweest.1213
[naam 2] zag vanuit het tegen de loods overgelegen bedrijfspand dat twee mannen meerdere keren bij de loods waren. Hij zag dat de mannen op twee dagen gebruik maakten van een huurauto van [bedrijf] met het kenteken [kenteken] . [naam 2] zag dat de twee mannen blauwe vaten uit de auto haalden en in de loods zetten. Dit waren dezelfde mannen als de mannen die hij de dagen daarvoor veelvuldig bij de loods heeft gezien.14
De door [naam 2] waargenomen huurauto bleek op naam van verdachte te zijn gehuurd op 15 en 16 april 2020. In dat tijdsbestek was er 708 kilometer met de auto gereden.15. Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat hij de auto had gehuurd. Een door verdachte gebruikte telefoon straalde op 15 april 2020 op meerdere tijdstippen een zendmast aan in de nabijheid van de loods.16 Toen [naam 5] op 17 april 2020 in de loods was, lag het donkere dekkleed met daaronder vermoedelijk de vaten al in de loods.17
Gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [naam 1] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van - kort gezegd - drugsafval. De rechtbank zal het ten laste gelegde dan ook bewezen verklaren.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode van 15 april 2020 tot en met 3 mei 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en methamfetamine (van in totaal ongeveer 9800 liter), zijnde amfetamine en methamfetamine, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een taakstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan het vervoeren en het in bezit hebben van drugsafval, onder meer bestaande uit amfetamine en methamfetamine.
Het is niet duidelijk wat verdachte met het drugsafval van plan was. Het is echter algemeen bekend dat synthetische drugs, en verdovende middelen in het algemeen, zeer schadelijk zijn voor de volksgezondheid en bovenal voor de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Voornoemde drugs kunnen leiden tot een lichamelijke of geestelijke verslaving. Daarnaast is het algemeen bekend dat verslaafde gebruikers misdrijven plegen om aan geld te komen om in hun verslaving te kunnen voorzien. Ook is het een feit van algemene bekendheid dat de vervaardiging van en handel in synthetische drugs in handen is van grote, georganiseerde criminele verbanden die daarmee grote winsten maken en hun belangen in deze handel en productie beschermen met (grof) geweld en bedreiging met geweld.
Verdachte heeft door zijn handelen aan dit alles bijgedragen. Het vervoeren en opslaan van drugsafval is immers een wezenlijk onderdeel van het productieproces en is daarmee een zeer ernstig delict. De rechtbank rekent dit verdachte aan en betreurt het dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.
De reclassering heeft geen contact met verdachte kunnen krijgen. Ter zitting heeft verdachte over zijn persoonlijke omstandigheden weinig losgelaten, buiten dat hij geen vaste woonplaats of werk heeft.
Hoewel het LOVS geen oriëntatiepunten heeft vastgesteld ten aanzien van het voorhanden hebben en het vervoeren van drugsafval, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de aard en ernst van het strafbare feit, met name de grote hoeveelheid waarvan sprake is, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend.
In strafverzwarende zin heeft de rechtbank in aanmerking genomen verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor drugsgerelateerde feiten. De rechtbank weegt in strafverminderende zin mee dat niet is aangetoond dat verdachte een leidinggevende c.q. aansturende rol heeft gehad in het productieproces. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het om een korte pleegperiode gaat en dat het aangetroffen materiaal geen eindproduct betreft.
Mede gelet op het feit dat verdachte geen openheid van zaken lijkt te willen geven en niet is ingegaan op uitnodigingen van de reclassering, is de rechtbank van oordeel dat slechts oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.