Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-08-01
ECLI:NL:RBNNE:2023:3326
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,590 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht
Locatie Assen
zaaknummer / rolnummer: C/19/144345 / KG ZA 23-74
Vonnis in kort geding van 1 augustus 2023
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.A.M. Staal-Olislaegers te Winschoten,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde, hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M. Elderhuis te Assen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding;
de op 19 juli 2023 ontvangen producties van de zijde van de vrouw;
de mondelinge behandeling van 20 jul 2023 in aanwezigheid van partijen bijgestaan door hun advocaten en [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
de pleitaantekeningen van mr. Elderhuis.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 2019 [minderjarige] geboren.
2.2.
De vrouw heeft alleen het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
2.3.
Bij beschikking van 24 januari 2022 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling vastgesteld. De definitieve regeling is aangehouden in afwachting van de resultaten van het ONS-traject bij Yorneo waaraan partijen zullen deelnemen.
2.4.
Bij vonnis in kort geding van 27 oktober 2022 heeft de voorzieningenrechter de bij beschikking van 24 januari 2022 vastgestelde voorlopige omgangsregeling gewijzigd en een nieuwe voorlopige omgangsregeling vastgesteld.
2.5.
Bij beschikking van 14 december 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de man samen met de vrouw met het gezag over [minderjarige] wordt belast en voorts dat de man een kinderbijdrage dient te betalen van € 75,- per maand. De rechtbank heeft in deze beschikking tevens de bij kort geding vonnis bepaalde voorlopige zorgregeling gewijzigd. De beslissing met betrekking tot de definitieve zorgregeling is aangehouden in afwachting van het verloop van de voorlopige regeling.
2.6.
Bij beschikking van 2 maart 2023 heeft de rechtbank het verzoek van de man om een zorg- en contactregeling te bepalen, afgewezen.
2.7.
De vrouw is in beroep gekomen tegen de beschikking van 14 december 2022. De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 2 maart 2023.
Geschil
3.1.
De man vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat als voorlopige omgangsregeling zal gelden:
- [minderjarige] verblijft gedurende vier weken op de maandag van 08.00 uur tot 18.30 uur bij de man;
- vervolgens verblijft [minderjarige] gedurende vier weken twee dagen per week van maandag 08.00 uur tot dinsdag 18.30 uur bij de man;
- vervolgens verblijft [minderjarige] in de oneven weken van maandag 08.00 uur tot woensdag 18.30 uur en in de even weken van maandag 08.00 uur tot donderdag 18.30 uur bij de man;
waarbij de man [minderjarige] ophaalt bij de vrouw en de vrouw [minderjarige] weer ophaalt bij de man;
II. te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 100,- voor iedere keer dat zijde onder I. genoemde omgangsregeling niet nakomt;
III. de vrouw te veroordeling in de kosten van deze procedure.
De man voert daartoe aan dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 2 maart 2023 en daarin tevens een voorlopige voorziening heeft verzocht. De man had de verwachting dat de voorlopige voorziening voorafgaand aan het hoger beroep zou worden behandeld, maar dat is niet het geval. De behandeling van beide verzoeken zal pas plaats vinden op 21 september 2023. Dat duurt veel te lang. De man is van oordeel dat de procedure in hoger beroep niet kan worden afgewacht voor zover dit betreft het hervatten van de zorg- en contactregeling. De man heeft [minderjarige] voor het laatst gezien op 13 december 2022. [minderjarige] bevindt zich in een cruciale fase voor wat betreft de hechting en haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Het is van belang dat zij onbelast contact kan hebben met haar vader en in staat wordt gesteld om een band met hem op te bouwen.
3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer, dat hierna voor zover nodig, zal worden besproken.
Beoordeling
4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een vordering in kort geding toewijsbaar is, indien sprake is van feiten en omstandigheden, die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Bij de beoordeling hiervan spelen het voorlopige karakter van de voorziening in kort geding en de ingrijpendheid van de gevolgen bij het toewijzen dan wel afwijzen van de voorziening een rol. Indien zoals in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een beslissing heeft gegeven, dient de voorzieningenrechter de uitspraak in beginsel af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel, hetgeen het geval zal kunnen zijn indien de omstandigheden na het geven van de beslissing van de bodemrechter ingrijpend zijn gewijzigd en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat deze beschikking aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht.
4.2.
Uit de processtukken blijkt dat de man in de bodemprocedure die heeft geleid tot de beschikking van 2 maart 2023, hetzelfde heeft verzocht als in deze procedure, namelijk een uitgebreide zorgregeling met [minderjarige] . De bodemrechter heeft in de beschikking van 2 maart 2023 het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling afgewezen. De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen:
"Het opstarten van een contactregeling en deze vervolgens weer stopzetten, hetgeen in deze zaak is gebeurd, is naar het oordeel van de rechtbank uitermate schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Als een zorgregeling is bepaald, dient [minderjarige] er op te kunnen vertrouwen dat deze regeling ook daadwerkelijk wordt nakomen. De onzekerheid die het al dan niet nakomen van een contactregeling met zich meebrengt, is schadelijk voor haar ontwikkeling. De man heeft door zijn houding onvoldoende aangetoond dat hij continuïteit in de nakoming van een contactregeling met [minderjarige] kan bieden. Het vaststellen van een zorgregeling waarvan niet duidelijk is of deze ook daadwerkelijk wordt nagekomen acht de rechtbank in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] ."
4.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn in deze kort geding procedure geen wijziging van feiten en omstandigheden gebleken die thans tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Door de man is weliswaar gesteld dat hij de omgangsregeling slechts één keer heeft stopgezet, maar deze stelling is door de vrouw gemotiveerd betwist en vindt daarbij ook geen steun in de overgelegde producties, waaronder de door de vrouw overgelegde app berichten. Ook de niet onderbouwde stelling van de man dat hij hulp heeft gezocht voor zijn wijze van reageren, is door de man vrouw gemotiveerd betwist. Het blijft daardoor onzeker of de man continuïteit in de nakoming van een contactregeling kan bieden.
4.4.
De voorzieningenrechter overweegt voorts, net als de bodemrechter in voormelde beschikking heeft overwogen, dat het voor [minderjarige] van belang is dat als het contact met haar vader wordt opgestart, er vervolgens ook continuïteit in dit contact zit. Zoals hiervoor overwogen staat deze continuïteit niet althans onvoldoende vast. Het op dit moment vaststellen van een zorgregeling, terwijl er vooralsnog geen aanwijzingen zijn dat de verzoeken van de man in hoger beroep zullen worden toegewezen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in het belang van [minderjarige] .
4.5.
Op grond van voorgaande overwegingen zullen de vorderingen van de man worden afgewezen.
4.6.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Laman en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2023.
type:
coll:
Inleiding
vonnis
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht
Locatie Assen
zaaknummer / rolnummer: C/19/144345 / KG ZA 23-74
Vonnis in kort geding van 1 augustus 2023
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.A.M. Staal-Olislaegers te Winschoten,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde, hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M. Elderhuis te Assen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding;
de op 19 juli 2023 ontvangen producties van de zijde van de vrouw;
de mondelinge behandeling van 20 jul 2023 in aanwezigheid van partijen bijgestaan door hun advocaten en [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
de pleitaantekeningen van mr. Elderhuis.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 2019 [minderjarige] geboren.
2.2.
De vrouw heeft alleen het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
2.3.
Bij beschikking van 24 januari 2022 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling vastgesteld. De definitieve regeling is aangehouden in afwachting van de resultaten van het ONS-traject bij Yorneo waaraan partijen zullen deelnemen.
2.4.
Bij vonnis in kort geding van 27 oktober 2022 heeft de voorzieningenrechter de bij beschikking van 24 januari 2022 vastgestelde voorlopige omgangsregeling gewijzigd en een nieuwe voorlopige omgangsregeling vastgesteld.
2.5.
Bij beschikking van 14 december 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de man samen met de vrouw met het gezag over [minderjarige] wordt belast en voorts dat de man een kinderbijdrage dient te betalen van € 75,- per maand. De rechtbank heeft in deze beschikking tevens de bij kort geding vonnis bepaalde voorlopige zorgregeling gewijzigd. De beslissing met betrekking tot de definitieve zorgregeling is aangehouden in afwachting van het verloop van de voorlopige regeling.
2.6.
Bij beschikking van 2 maart 2023 heeft de rechtbank het verzoek van de man om een zorg- en contactregeling te bepalen, afgewezen.
2.7.
De vrouw is in beroep gekomen tegen de beschikking van 14 december 2022. De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 2 maart 2023.
Geschil
3.1.
De man vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat als voorlopige omgangsregeling zal gelden:
- [minderjarige] verblijft gedurende vier weken op de maandag van 08.00 uur tot 18.30 uur bij de man;
- vervolgens verblijft [minderjarige] gedurende vier weken twee dagen per week van maandag 08.00 uur tot dinsdag 18.30 uur bij de man;
- vervolgens verblijft [minderjarige] in de oneven weken van maandag 08.00 uur tot woensdag 18.30 uur en in de even weken van maandag 08.00 uur tot donderdag 18.30 uur bij de man;
waarbij de man [minderjarige] ophaalt bij de vrouw en de vrouw [minderjarige] weer ophaalt bij de man;
II. te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 100,- voor iedere keer dat zijde onder I. genoemde omgangsregeling niet nakomt;
III. de vrouw te veroordeling in de kosten van deze procedure.
De man voert daartoe aan dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 2 maart 2023 en daarin tevens een voorlopige voorziening heeft verzocht. De man had de verwachting dat de voorlopige voorziening voorafgaand aan het hoger beroep zou worden behandeld, maar dat is niet het geval. De behandeling van beide verzoeken zal pas plaats vinden op 21 september 2023. Dat duurt veel te lang. De man is van oordeel dat de procedure in hoger beroep niet kan worden afgewacht voor zover dit betreft het hervatten van de zorg- en contactregeling. De man heeft [minderjarige] voor het laatst gezien op 13 december 2022. [minderjarige] bevindt zich in een cruciale fase voor wat betreft de hechting en haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Het is van belang dat zij onbelast contact kan hebben met haar vader en in staat wordt gesteld om een band met hem op te bouwen.
3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer, dat hierna voor zover nodig, zal worden besproken.
Beoordeling
4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een vordering in kort geding toewijsbaar is, indien sprake is van feiten en omstandigheden, die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Bij de beoordeling hiervan spelen het voorlopige karakter van de voorziening in kort geding en de ingrijpendheid van de gevolgen bij het toewijzen dan wel afwijzen van de voorziening een rol. Indien zoals in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een beslissing heeft gegeven, dient de voorzieningenrechter de uitspraak in beginsel af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel, hetgeen het geval zal kunnen zijn indien de omstandigheden na het geven van de beslissing van de bodemrechter ingrijpend zijn gewijzigd en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat deze beschikking aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht.
4.2.
Uit de processtukken blijkt dat de man in de bodemprocedure die heeft geleid tot de beschikking van 2 maart 2023, hetzelfde heeft verzocht als in deze procedure, namelijk een uitgebreide zorgregeling met [minderjarige] . De bodemrechter heeft in de beschikking van 2 maart 2023 het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling afgewezen. De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen:
"Het opstarten van een contactregeling en deze vervolgens weer stopzetten, hetgeen in deze zaak is gebeurd, is naar het oordeel van de rechtbank uitermate schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Als een zorgregeling is bepaald, dient [minderjarige] er op te kunnen vertrouwen dat deze regeling ook daadwerkelijk wordt nakomen. De onzekerheid die het al dan niet nakomen van een contactregeling met zich meebrengt, is schadelijk voor haar ontwikkeling. De man heeft door zijn houding onvoldoende aangetoond dat hij continuïteit in de nakoming van een contactregeling met [minderjarige] kan bieden. Het vaststellen van een zorgregeling waarvan niet duidelijk is of deze ook daadwerkelijk wordt nagekomen acht de rechtbank in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] ."
4.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn in deze kort geding procedure geen wijziging van feiten en omstandigheden gebleken die thans tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Door de man is weliswaar gesteld dat hij de omgangsregeling slechts één keer heeft stopgezet, maar deze stelling is door de vrouw gemotiveerd betwist en vindt daarbij ook geen steun in de overgelegde producties, waaronder de door de vrouw overgelegde app berichten. Ook de niet onderbouwde stelling van de man dat hij hulp heeft gezocht voor zijn wijze van reageren, is door de man vrouw gemotiveerd betwist. Het blijft daardoor onzeker of de man continuïteit in de nakoming van een contactregeling kan bieden.
4.4.
De voorzieningenrechter overweegt voorts, net als de bodemrechter in voormelde beschikking heeft overwogen, dat het voor [minderjarige] van belang is dat als het contact met haar vader wordt opgestart, er vervolgens ook continuïteit in dit contact zit. Zoals hiervoor overwogen staat deze continuïteit niet althans onvoldoende vast. Het op dit moment vaststellen van een zorgregeling, terwijl er vooralsnog geen aanwijzingen zijn dat de verzoeken van de man in hoger beroep zullen worden toegewezen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in het belang van [minderjarige] .
4.5.
Op grond van voorgaande overwegingen zullen de vorderingen van de man worden afgewezen.
4.6.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Laman en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2023.
type:
coll: