Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-08-01
ECLI:NL:RBNNE:2023:3204
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,364 tokens
Dictum
in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Hierna: veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 27 september 2022 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 4.997.485,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.159130.21 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft ter terechtzitting van 25 oktober 2022 bepaald dat voorafgaand aan de behandeling van de ontnemingsvordering ter terechtzitting schriftelijke rondes zullen plaatsvinden. De raadsman heeft daarop d.d. 13 januari 2023 een conclusie van antwoord genomen. De officier van justitie heeft vervolgens d.d. 10 februari 2023 een conclusie van repliek ingediend.
De mondelinge behandeling van de ontnemingsvordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 20 juni 2023. Daarbij waren aanwezig mr. D. Roggen, officier van justitie en de gemachtigd raadsman van veroordeelde, mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam.
Standpunten
De officier van justitie
De officier van justitie heeft haar conclusie van repliek nader toegelicht en heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.
Zij heeft daartoe aangevoerd dat veroordeelde bij vonnis van deze rechtbank d.d. 15 november 2022 - onder meer - wegens het medeplegen van het telen van hennep te Emmen in de periode 1 mei 2021 tot en met 17 juni 2021 is veroordeeld.
Nu veroordeelde is vrijgesproken van een groot deel van de tenlastegelegde periode waarop de ontnemingsvordering betrekking heeft, de ter plaatse aangetroffen situatie en de verklaring van veroordeelde waarin hij aangeeft geen geld te hebben ontvangen nu er pas uitbetaald zou worden wanneer er geoogst zou worden, is niet aannemelijk geworden dat hij daadwerkelijk voordeel heeft genoten.
De verdediging
De raadsman heeft zijn conclusie van antwoord nader toegelicht en zich primair op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.
Hij heeft daartoe aangevoerd dat het onmogelijk is dat veroordeelde in de bewezenverklaarde periode van 1 mei 2021 tot en met 17 juni 2021, toen hij aldaar werkzaam was, voordeel heeft genoten. Ten tijde van de inval op 17 juni 2021 lagen in ruimte A, gedurende twee dagen, 63,68 kg hennepplanten te drogen en waren in ruimte B 785 hennepplanten nagenoeg oogstrijp. Veroordeelde werd uit de opbrengst van de oogst een bedrag van € 25.000 per oogst beloofd. In voornoemde periode heeft verdachte echter geen voordeel genoten uit een oogstopbrengst.
Beoordeling
De meervoudige strafkamer heeft veroordeelde bij vonnis van 15 november 2022 in de zaak met parketnummer 18.159130.21 veroordeeld ter zake van - kort samengevat -:
1. medeplegen van: op 17 juni 2021 te Emmen, opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 63,680 kilogram henneptoppen, 795 hennepplanten en 1808 hennepstekjes/ hennepplantjes;
2) medeplegen van: in de periode van 1 mei 2021 tot en met 17 juni 2021, (in de uitoefening van een beroep of bedrijf), opzettelijk telen, bereiden en verwerken van een hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, meermalen gepleegd.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de beperkte bewezenverklaarde periode ter zake van feit 2, de aanwezige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting, waaruit blijkt dat veroordeelde pas na de oogstopbrengst zou worden betaald, onvoldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van een of meer van de ten laste gelegde feiten en/of soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete kan worden opgelegd van de vijfde categorie terzake waarvan voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan.
De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd en door de raadsman is bepleit, afwijzen.
Dictum
Wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. G. Eelsing en mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 augustus 2023.
Zijnde mr. Janssen buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Dictum
in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Hierna: veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 27 september 2022 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 4.997.485,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.159130.21 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft ter terechtzitting van 25 oktober 2022 bepaald dat voorafgaand aan de behandeling van de ontnemingsvordering ter terechtzitting schriftelijke rondes zullen plaatsvinden. De raadsman heeft daarop d.d. 13 januari 2023 een conclusie van antwoord genomen. De officier van justitie heeft vervolgens d.d. 10 februari 2023 een conclusie van repliek ingediend.
De mondelinge behandeling van de ontnemingsvordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 20 juni 2023. Daarbij waren aanwezig mr. D. Roggen, officier van justitie en de gemachtigd raadsman van veroordeelde, mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam.
Standpunten
De officier van justitie
De officier van justitie heeft haar conclusie van repliek nader toegelicht en heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.
Zij heeft daartoe aangevoerd dat veroordeelde bij vonnis van deze rechtbank d.d. 15 november 2022 - onder meer - wegens het medeplegen van het telen van hennep te Emmen in de periode 1 mei 2021 tot en met 17 juni 2021 is veroordeeld.
Nu veroordeelde is vrijgesproken van een groot deel van de tenlastegelegde periode waarop de ontnemingsvordering betrekking heeft, de ter plaatse aangetroffen situatie en de verklaring van veroordeelde waarin hij aangeeft geen geld te hebben ontvangen nu er pas uitbetaald zou worden wanneer er geoogst zou worden, is niet aannemelijk geworden dat hij daadwerkelijk voordeel heeft genoten.
De verdediging
De raadsman heeft zijn conclusie van antwoord nader toegelicht en zich primair op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.
Hij heeft daartoe aangevoerd dat het onmogelijk is dat veroordeelde in de bewezenverklaarde periode van 1 mei 2021 tot en met 17 juni 2021, toen hij aldaar werkzaam was, voordeel heeft genoten. Ten tijde van de inval op 17 juni 2021 lagen in ruimte A, gedurende twee dagen, 63,68 kg hennepplanten te drogen en waren in ruimte B 785 hennepplanten nagenoeg oogstrijp. Veroordeelde werd uit de opbrengst van de oogst een bedrag van € 25.000 per oogst beloofd. In voornoemde periode heeft verdachte echter geen voordeel genoten uit een oogstopbrengst.
Beoordeling
De meervoudige strafkamer heeft veroordeelde bij vonnis van 15 november 2022 in de zaak met parketnummer 18.159130.21 veroordeeld ter zake van - kort samengevat -:
1. medeplegen van: op 17 juni 2021 te Emmen, opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 63,680 kilogram henneptoppen, 795 hennepplanten en 1808 hennepstekjes/ hennepplantjes;
2) medeplegen van: in de periode van 1 mei 2021 tot en met 17 juni 2021, (in de uitoefening van een beroep of bedrijf), opzettelijk telen, bereiden en verwerken van een hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, meermalen gepleegd.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de beperkte bewezenverklaarde periode ter zake van feit 2, de aanwezige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting, waaruit blijkt dat veroordeelde pas na de oogstopbrengst zou worden betaald, onvoldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van een of meer van de ten laste gelegde feiten en/of soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete kan worden opgelegd van de vijfde categorie terzake waarvan voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan.
De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd en door de raadsman is bepleit, afwijzen.
Dictum
Wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. G. Eelsing en mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 augustus 2023.
Zijnde mr. Janssen buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.