Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-07-24
ECLI:NL:RBNNE:2023:3116
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,135 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
locatie Groningen
zaaknummer: LEE 22/110
uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 24 juli 2023 in de zaak tussen
[eisers], te [plaats], eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadiel, verweerder,
(gemachtigde: mr. D. Wielstra-Veenstra).
Als partijen hebben aan het geding deelgenomen:
- [naam], te [plaats], (melder),
- [naam], te [plaats], (maatschap), (gemachtigde: mr. S.N. van den Heykant).
Procesverloop
Op 24 augustus 2021 is namens melder een melding gedaan op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) van het veranderen van zijn inrichting aan de [adres] te [plaats]. Bij deze melding is aangegeven dat een deel van de ammoniakrechten uit deze inrichting verdwijnt en dat deze rechten bestemd zijn om te worden gebruikt voor het extern salderen ten behoeve van het bedrijf van de maatschap dat is gelegen aan de [adres] te [plaats].
Bij brief van 17 september 2021 heeft verweerder aan de melder de ontvangst van de melding bevestigd en medegedeeld de verkoop van de ammoniakrechten te verwerken in de administratie.
Bij besluit van 7 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres hebben nog een aanvullend stuk met bijlagen ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 16 mei 2023. Eisers zijn in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de maatschap is [naam] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Melder is niet verschenen.
Overwegingen
Onbevoegd genomen besluit
2. Eisers betogen dat er sprake is van een onbevoegd genomen besluit. In dit verband wijzen eisers erop dat het bestreden besluit is ondertekend door J.G. Bil die daartoe volgens hen niet bevoegd is.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is ondertekend door J.G. Bil, teamleider Fergunningferliening. Verweerder heeft met het verweerschrift een besluitvoorstel in het geding gebracht waarover het college op 7 december 2021 heeft besloten. In dit voorstel is onder meer opgenomen dat verweerder besluit het bezwaarschrift van eisers niet-ontvankelijk te verklaren en dat aan de teamleider Fergunningferliening mandaat wordt verleend om de te brieven met de beslissing op het bezwaarschrift te ondertekenen. De rechtbank stelt vast dat verweerder overeenkomstig dit voorstel heeft besloten. Hieruit volgt dat besloten is om in dit geval aan de teamleider Fergunningferliening een ondertekeningsmandaat te verlenen. Van een onbevoegd genomen bestreden besluit is derhalve - anders dan eisers betogen - geen sprake. Deze grond van eisers slaagt niet.
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar
3. Ingevolge artikel 8:1, in samenhang gelezen met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het mogelijk tegen een besluit bezwaar te maken.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling is sprake indien de handeling is gericht op rechtsgevolg.
4. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat een beoordeling van de melding op grond van het Activiteitenbesluit geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Voor wat betreft de verkoop van ammoniakrechten heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat een dergelijke (private) overeenkomst geen besluit is in de zin van voormeld artikel van de Awb. Overigens geldt daarbij dat de gemeente Dantumadiel geen partij is bij deze overeenkomst.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 25 augustus 2021 een melding op grond van het Activiteitenbesluit heeft ontvangen voor het veranderen van de inrichting van melder. Deze melding leidt tot een inperking van de inrichting waarmee een deel van de ammoniakrechten uit de inrichting beschikbaar komt voor het extern salderen ten behoeve van het bedrijf van de maatschap. Verder wordt vastgesteld dat verweerder bij brief van
17 september 2021 heeft medegedeeld de verkoop van de ammoniakrechten te verwerken in de administratie.
6. Ingevolge artikel 1.10, eerste lid, van het Activiteitenbesluit meldt degene die een inrichting opricht, dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag. Ingevolge artikel 1.10, tweede lid, van het Activiteitenbesluit, voor zover van belang, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een inrichting en het veranderen van de werking daarvan.
7. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) is het wel of niet accepteren door verweerder van een (milieu)melding op grond van het Activiteitenbesluit geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaat (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRvS van 11 februari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO3401).
8. De rechtbank overweegt dat de reactie van verweerder op een gedane melding op grond van het Activiteitenbesluit slechts een mededeling is van feitelijke en informatieve aard die niet is gericht op enig rechtsgevolg, omdat het voor de gemelde activiteiten geldende rechtsregime, de algemene regels, voortvloeit uit de wettelijke voorschriften en niet uit de acceptatie van de melding. De wet noch het Activiteitenbesluit verplicht tot het geven van een dergelijke reactie op een melding. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder de bezwaren van eisers, gericht tegen voormelde brief, in zoverre terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze grond van eisers slaagt niet.
9. De rechtbank overweegt verder dat de tussen melder en de maatschap gesloten overeenkomst tot verkoop van ammoniakrechten niet kan worden beschouwd als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het enkele feit dat de gesloten overeenkomst relevant kan zijn voor extern salderen in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Gelet hierop kan voormelde brief niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden beschouwd. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder de bezwaren van eisers, gericht tegen voormelde brief, in zoverre terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze grond van eisers slaagt niet.
10. De rechtbank stelt vast dat eisers een grote hoeveelheid gronden hebben aangevoerd tegen het bestreden besluit waarbij eisers onder meer, maar niet alleen, ook ingaan op de situatie van het bedrijf van de maatschap en het (beoogde) extern salderen. De rechtbank heeft kennis genomen van de door eisers aangevoerde gronden maar komt tot de conclusie dat dit niet tot een ander oordeel kan leiden.
Conclusie
11. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eisers ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding.
Dictum
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep van eisers ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.L.A. van Kats als griffier.
Dictum
De griffier De rechter
Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Afschrift verzonden op: