Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-07-03
ECLI:NL:RBNNE:2023:2889
Bestuursrecht
Wraking
1,668 tokens
Dictum
op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker.
1
Procesverloop
1.1.
Bij de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, loopt een procedure, waarin [verzoeker] verzoeker is. Deze procedure is geregistreerd onder [zaaknummer] . In die zaak verzoekt verzoeker om rectificatie van politiegegevens. De korpschef van de politie heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken naar de rechtbank gezonden en verzocht om beperking van de kennisname van een deel van de processtukken (op grond van artikel 8:29 Awb). Bij tussenbeslissing van 15 mei 2023 heeft mr. H.J. Bastin het verzoek tot beperking van de kennisname ingewilligd.
1.2.
Op 21 juni 2023 heeft verzoeker een verzoek ingediend tot wraking van mr. H.J. Bastin.
Mr. Bastin heeft niet in de wraking berust.
2
Beoordeling
2.1.
Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - voor zover hier van belang - een ieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 8:15 Awb hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.
2.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees van bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.
2.3.
Voorts is van belang dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen de verzoeker onwelgevallige (processuele) beslissingen. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn, maar te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Slechts indien de genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat redelijkerwijs daarvoor geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven, bestaat aanleiding om vooringenomenheid te vermoeden.
2.4.
Verzoeker heeft - samengevat - aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat mr. Bastin hem, voor het nemen van de tussenbeslissing van 15 mei 2023, niet in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op het verzoek van de korpschef van de politie op grond van artikel 8:23 Awb, zodat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Verzoeker trekt daaruit de conclusie dat mr. Bastin kennelijk geen belang heeft gehecht aan de zienswijze van verzoeker. Daarmee is, zo stelt verzoeker, de schijn van partijdigheid gegeven.
2.5.
Mr. Bastin geeft toe dat het ongelukkig is dat verzoeker pas op de hoogte is gesteld van het verzoek van tot beperking van de kennisname, nadat de tussenbeslissing van 15 mei 2023 is gegeven. Hiervoor kan geen andere verklaring worden gegeven dan dat één en ander administratief niet (goed) is verwerkt, aldus mr. Bastin. Mr. Bastin is daarnaast van mening dat verzoeker geen redelijk belang heeft bij het wrakingsverzoek, omdat mr. Bastin niet belast zal zijn met de inhoudelijke behandeling van de zaak. Volgens mr. Bastin is het proces bij de rechtbank zodanig ingericht dat de rechter die heeft beslist op het verzoek tot beperking van de kennisname, de zaak niet inhoudelijk zal behandelen.
2.6.
De wrakingskamer stelt voorop dat het onderhavige wrakingsverzoek betrekking heeft op een (procedurele) beslissing van de rechter, waarover aan de wrakingskamer in beginsel geen oordeel toekomt. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.3. is overwogen, is er slechts aanleiding om vooringenomenheid te vermoeden, indien de genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven. Mr. Bastin heeft bij de beslissing van 15 mei 2023 geoordeeld dat er aanleiding was het verzoek tot beperking van de kennisname in te willigen. Hoewel het ongelukkig is dat aan verzoeker niet de gelegenheid is geboden om te reageren op het gedane verzoek tot beperking van de kennisname, is een en ander onvoldoende om reeds daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat daarmee de schijn van vooringenomenheid van mr. Bastin gegeven zou zijn.
2.7.
Daarenboven geeft artikel 8:15 Awb slechts de mogelijkheid om een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen. Aangezien mr. Bastin niet betrokken zal zijn bij de (inhoudelijke) behandeling van de zaak, dient het verzoek tot wraking, naar het oordeel van de wrakingskamer, ook om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard. Een mondelinge behandeling van het verzoek kan daarom achterwege blijven.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
3.2.
bepaalt dat de procedure met [zaaknummer] wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
3.3.
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker en aanmr. H.J. Bastin.
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en
mr. C.W. Couperus-van Kooten, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2023.
coll: 853