Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-07-13
ECLI:NL:RBNNE:2023:2862
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,118 tokens
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Groningen
parketnummer 18/325417-22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 juli 2023 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1948 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 juni 2023.
Verdachte is verschenen en het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 augustus 2019 te [plaats] , gemeente Zevenaar, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het (meermaals) (langdurig) vasthouden en/of omhelzen, althans tegen zich aanklemmen, deze [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het
(meermaals) (langdurig) betasten van haar borsten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 augustus 2019 te [plaats] , gemeente Zevenaar, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2005, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (meermaals) (langdurig) betasten van haar borsten.
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primaire feit tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs op grond van de aangifte van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), de getuigenverklaringen van de vader en moeder van [slachtoffer] alsmede de tussen verdachte en de vader van [slachtoffer] uitgewisselde e-mailberichten.
Standpunt van verdachte
Verdachte heeft aangegeven dat hij niets weet van de door aangeefster omschreven ontuchtige handelingen.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
De rechtbank acht het primaire en subsidiaire feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
[slachtoffer] heeft verklaard dat haar oudoom, verdachte, tijdens een familieweekend naast haar is komen zitten, zich tegen haar heeft aangeklampt en aangedrukt waardoor zij niet meer kon bewegen, en vervolgens boven haar kleding haar borsten heeft aangeraakt en gedurende vijf minuten heeft gestreeld. Verdachte heeft verklaard niets van een dergelijk incident te weten.
Zedenzaken zijn bewijstechnisch lastige zaken waarbij het veelal gaat om het woord van de aangever tegen dat van de verdachte. Dat geldt ook voor deze zaak: de belastende verklaring van aangeefster [slachtoffer] staat tegenover de verklaring van verdachte dat de door aangeefster beschreven situatie hem niets zegt. Op grond van slechts één getuigenverklaring mag de rechtbank echter niet tot een bewezenverklaring komen (artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering). Vereist is dan ook dat de verklaring van de aangever voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, waarbij geldt dat de verklaringen van getuigen over wat zij van de aangever hebben gehoord onvoldoende zijn om als steunbewijs te kunnen gelden. Immers zijn verklaringen van horen zeggen terug te herleiden tot de verklaring van de aangever, terwijl voor die verklaring nu juist steun gezocht dient te worden. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verklaring van [slachtoffer] , die op zichzelf betrouwbaar en daarmee bruikbaar als bewijsmiddel wordt geacht, voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.
Opgemerkt wordt dat sprake is van een summier dossier. Naast de aangifte bevinden zich in het dossier de verklaringen van de vader en moeder van [slachtoffer] . Ook zijn er in het dossier emailberichten opgenomen die uitgewisseld zijn tussen verdachte en de vader van [slachtoffer] .
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de verklaringen van de vader en moeder van [slachtoffer] onvoldoende steun bieden aan de aangifte van [slachtoffer] , omdat de ouders slechts hebben verklaard over wat zij van [slachtoffer] hebben gehoord. Zij hebben geen eigen waarnemingen gedaan. De inhoud van de door verdachte geschreven e-mails levert evenmin voldoende steunbewijs op, nu verdachte in de mails volhoudt van niets te weten. Gelet op het feit dat er geen ander concreet en noodzakelijk steunbewijs voorhanden is, komt de rechtbank tot de slotsom dat verdachte moet worden vrijgesproken.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 902,63 ter vergoeding van materiële schade en € 1.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Omdat de rechtbank het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen acht en verdachte daarvan geheel vrijspreekt, zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering verklaren.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. J. Duiven, rechters, bijgestaan door mr. L.F. Beitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 juli 2023.
Mr. J. Duiven en mr. L.F. Beitsma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Groningen
parketnummer 18/325417-22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 juli 2023 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1948 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 juni 2023.
Verdachte is verschenen en het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 augustus 2019 te [plaats] , gemeente Zevenaar, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het (meermaals) (langdurig) vasthouden en/of omhelzen, althans tegen zich aanklemmen, deze [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het
(meermaals) (langdurig) betasten van haar borsten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 augustus 2019 te [plaats] , gemeente Zevenaar, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2005, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (meermaals) (langdurig) betasten van haar borsten.
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primaire feit tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs op grond van de aangifte van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), de getuigenverklaringen van de vader en moeder van [slachtoffer] alsmede de tussen verdachte en de vader van [slachtoffer] uitgewisselde e-mailberichten.
Standpunt van verdachte
Verdachte heeft aangegeven dat hij niets weet van de door aangeefster omschreven ontuchtige handelingen.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
De rechtbank acht het primaire en subsidiaire feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
[slachtoffer] heeft verklaard dat haar oudoom, verdachte, tijdens een familieweekend naast haar is komen zitten, zich tegen haar heeft aangeklampt en aangedrukt waardoor zij niet meer kon bewegen, en vervolgens boven haar kleding haar borsten heeft aangeraakt en gedurende vijf minuten heeft gestreeld. Verdachte heeft verklaard niets van een dergelijk incident te weten.
Zedenzaken zijn bewijstechnisch lastige zaken waarbij het veelal gaat om het woord van de aangever tegen dat van de verdachte. Dat geldt ook voor deze zaak: de belastende verklaring van aangeefster [slachtoffer] staat tegenover de verklaring van verdachte dat de door aangeefster beschreven situatie hem niets zegt. Op grond van slechts één getuigenverklaring mag de rechtbank echter niet tot een bewezenverklaring komen (artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering). Vereist is dan ook dat de verklaring van de aangever voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, waarbij geldt dat de verklaringen van getuigen over wat zij van de aangever hebben gehoord onvoldoende zijn om als steunbewijs te kunnen gelden. Immers zijn verklaringen van horen zeggen terug te herleiden tot de verklaring van de aangever, terwijl voor die verklaring nu juist steun gezocht dient te worden. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verklaring van [slachtoffer] , die op zichzelf betrouwbaar en daarmee bruikbaar als bewijsmiddel wordt geacht, voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.
Opgemerkt wordt dat sprake is van een summier dossier. Naast de aangifte bevinden zich in het dossier de verklaringen van de vader en moeder van [slachtoffer] . Ook zijn er in het dossier emailberichten opgenomen die uitgewisseld zijn tussen verdachte en de vader van [slachtoffer] .
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de verklaringen van de vader en moeder van [slachtoffer] onvoldoende steun bieden aan de aangifte van [slachtoffer] , omdat de ouders slechts hebben verklaard over wat zij van [slachtoffer] hebben gehoord. Zij hebben geen eigen waarnemingen gedaan. De inhoud van de door verdachte geschreven e-mails levert evenmin voldoende steunbewijs op, nu verdachte in de mails volhoudt van niets te weten. Gelet op het feit dat er geen ander concreet en noodzakelijk steunbewijs voorhanden is, komt de rechtbank tot de slotsom dat verdachte moet worden vrijgesproken.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 902,63 ter vergoeding van materiële schade en € 1.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Omdat de rechtbank het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen acht en verdachte daarvan geheel vrijspreekt, zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering verklaren.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. J. Duiven, rechters, bijgestaan door mr. L.F. Beitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 juli 2023.
Mr. J. Duiven en mr. L.F. Beitsma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.