Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-07-06
ECLI:NL:RBNNE:2023:2787
Civiel recht
Wraking
2,730 tokens
Dictum
op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. V.S.M. Sturkenboom.
1
Procesverloop
1.1.
Bij de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, loopt een procedure, waarin [verzoekster] eiseres is en de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor verweerder. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer 22/1307. Het betreft een geschil over de WOZ-waarde van de onroerende zaak voor het jaar 2021.
1.2.
In genoemde procedure heeft op 22 juni 2023 een mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van mr. F. Brekelmans, rechter. Op die zitting is mr. Sturkenboom als gemachtigde namens verzoekster verschenen. Door mr. Sturkenboom is ter zitting een verzoek ingediend tot wraking van de rechter. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt.
Mr. Brekelmans heeft niet in de wraking berust.
2
Beoordeling
2.1.
Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - voor zover hier van belang - een ieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 8:15 Awb hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.
2.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees van bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.
2.3.
Voorts is van belang dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen de verzoeker onwelgevallige (processuele) beslissingen. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn, maar te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Slechts indien de genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat redelijkerwijs daarvoor geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven, bestaat aanleiding om vooringenomenheid te vermoeden.
2.4.
Verzoekster heeft - samengevat - aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat nu deze zaak een aardbevingskwestie betreft en de rechter geen onderdeel uitmaakt van de aardbevingskamer, de rechter geen gevoel en geen beeld kan hebben bij deze kwestie. Omdat deze zaak behandeld moet worden met kennis en kunde over aardbevingswetten en reglementen en mr. Brekelmans geweigerd heeft deze zaak te voegen met andere (aardbevings)zaken, heeft (de gemachtigde van) verzoekster het wrakingsverzoek gedaan.
2.5.
De wrakingskamer oordeelt dat de beslissing van de rechter om de zaak niet te voegen een (processuele) beslissing betreft, waarover aan de wrakingskamer in beginsel geen oordeel toekomt. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.3. is overwogen, is er slechts aanleiding om vooringenomenheid te vermoeden, indien de genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven. Dat van dergelijke feiten of omstandigheden sprake is, is gesteld noch gebleken.
2.6.
Het vorenstaande brengt, naar het oordeel van de wrakingskamer, met zich dat het verzoek kennelijk ongegrond verklaard dient te worden.
2.7.
De wrakingskamer komt aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek niet toe. Een mondelinge behandeling van het verzoek kan daarom achterwege blijven.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
verklaart het verzoek kennelijk ongegrond;
3.2.
bepaalt dat de procedure met nummer 22/1307 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
3.3.
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster en aanmr. F. Brekelmans.
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en
mr. C.W. Couperus-van Kooten, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2023.
coll: 853
Dictum
op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. V.S.M. Sturkenboom.
1
Procesverloop
1.1.
Bij de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, loopt een procedure, waarin [verzoekster] eiseres is en de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor verweerder. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer 22/1307. Het betreft een geschil over de WOZ-waarde van de onroerende zaak voor het jaar 2021.
1.2.
In genoemde procedure heeft op 22 juni 2023 een mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van mr. F. Brekelmans, rechter. Op die zitting is mr. Sturkenboom als gemachtigde namens verzoekster verschenen. Door mr. Sturkenboom is ter zitting een verzoek ingediend tot wraking van de rechter. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt.
Mr. Brekelmans heeft niet in de wraking berust.
2
Beoordeling
2.1.
Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - voor zover hier van belang - een ieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 8:15 Awb hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.
2.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees van bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.
2.3.
Voorts is van belang dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen de verzoeker onwelgevallige (processuele) beslissingen. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn, maar te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Slechts indien de genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat redelijkerwijs daarvoor geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven, bestaat aanleiding om vooringenomenheid te vermoeden.
2.4.
Verzoekster heeft - samengevat - aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat nu deze zaak een aardbevingskwestie betreft en de rechter geen onderdeel uitmaakt van de aardbevingskamer, de rechter geen gevoel en geen beeld kan hebben bij deze kwestie. Omdat deze zaak behandeld moet worden met kennis en kunde over aardbevingswetten en reglementen en mr. Brekelmans geweigerd heeft deze zaak te voegen met andere (aardbevings)zaken, heeft (de gemachtigde van) verzoekster het wrakingsverzoek gedaan.
2.5.
De wrakingskamer oordeelt dat de beslissing van de rechter om de zaak niet te voegen een (processuele) beslissing betreft, waarover aan de wrakingskamer in beginsel geen oordeel toekomt. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.3. is overwogen, is er slechts aanleiding om vooringenomenheid te vermoeden, indien de genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven. Dat van dergelijke feiten of omstandigheden sprake is, is gesteld noch gebleken.
2.6.
Het vorenstaande brengt, naar het oordeel van de wrakingskamer, met zich dat het verzoek kennelijk ongegrond verklaard dient te worden.
2.7.
De wrakingskamer komt aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek niet toe. Een mondelinge behandeling van het verzoek kan daarom achterwege blijven.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
verklaart het verzoek kennelijk ongegrond;
3.2.
bepaalt dat de procedure met nummer 22/1307 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
3.3.
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster en aanmr. F. Brekelmans.
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en
mr. C.W. Couperus-van Kooten, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2023.
coll: 853