Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-06-16
ECLI:NL:RBNNE:2023:2418
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
9,733 tokens
Inleiding
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Groningen
parketnummer 18.176826.22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 juni 2023 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , thans verblijvende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 juni 2023.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Spijker, advocaat te Winschoten.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr T. Pitstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 juli 2022 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk,
-tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "dat het heel vervelend voor haar zou aflopen als ze niet met hem zou praten" en/of
-die [slachtoffer] (met kracht) met een mes in en/of door haar rechteronderarm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 juli 2022 te Groningen aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten, een steekwond in haar rechteronderarm (waarbij het mes door de rechteronderarm is gegaan en/of de wond gehecht moest worden en/of de arm gevoelloos is/was en/of met een beperking in het bewegen van de arm) heeft toegebracht door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk,
-tegen die [slachtoffer] te zeggen "dat het heel vervelend voor haar zou aflopen als ze niet met hem zou praten" en/of
-die [slachtoffer] (met kracht) met een mes in en/of door haar rechteronderarm te steken;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 juli 2022 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk,
-tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "dat het heel vervelend voor haar zou aflopen als ze niet met hem zou praten" en/of
-die [slachtoffer] (met kracht) met een mes in en/of door haar rechteronderarm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair ten laste gelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling gepleegd met voorbedachte rade.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het ontstane letsel niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van een relatief geringe steekwond in de arm, waarbij kortdurend medisch ingrijpen noodzakelijk was, zonder operatie. Het volledige herstel zou enkele maanden duren en uit de beschikbare medische informatie blijkt niet dat er blijvend letsel is ontstaan.
De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat niet bewezen kan worden geacht dat verdachte met voorbedachte rade heeft gehandeld. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte weliswaar de straat op is gegaan met een mes, maar dat verdachte geen duidelijk plan had. Verdachte heeft overwogen om iemand te verwonden om op die manier hulp te krijgen, maar hij heeft ook overwogen om hulp af te dwingen door iemand te bedreigen. Indien er al van een plan gesproken kan worden, dan is duidelijk dat dit plan iedere seconde veranderde. Voorts zat er geen enkele logica in de gedachtegang van verdachte. Verdachte hoopte, toen hij het slachtoffer zag, om met haar te kunnen praten en zo de juiste zorg te krijgen. Toen dat niet mogelijk bleek heeft verdachte op dat moment besloten om haar te verwonden. Niet is gebleken dat verdachte rustig heeft nagedacht over zijn voorgenomen daad en de gevolgen daarvan, zodat van voorbedachte rade niet gesproken kan worden.
De raadsvrouw heeft tot slot geconcludeerd dat de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling bewezen kan worden geacht.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak primair ten laste gelegde
De rechtbank acht, met de raadsvrouw en de officier van justitie, het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen nu niet bewezen kan worden geacht dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Het voorgaande maakt dat verdachte zal worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.
Bewezenverklaring subsidiair ten laste gelegde
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten, zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 2 juni 2023 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik overwoog op 13 juli 2022 om een misdrijf te plegen. Ik had psychische nood en wilde hulp krijgen. Ik was bij het vakbondshuis. Ik verwachtte [slachtoffer] daar te zien. Het klopt dat ik [slachtoffer] aan het opwachten was. Ik had het idee om [slachtoffer] zeven keer in haar ledematen te steken. Ik overwoog mijn opties. Ik heb nagedacht over de consequenties. Ik denk dat ik de tas mee heb genomen vanwege het mes dat erin zat. De gedachte daarachter was dat ik het mes kon gebruiken om iemand mee te verwonden. Toen ik [slachtoffer] zag heb ik het mes uit mijn tas gehaald. Ik heb het mes in haar arm gezet.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 juli 2022,opgenomen op pagina 10 e.v. het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2022180912 d.d. 23 oktober 2022 inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Vandaag [de rechtbank begrijpt: 13 juli 2022] zag ik [verdachte] staan in de straat bij het vakbondshuis. Ik zag dat [verdachte] achter mij aan liep. Hij zei dat hij wilde praten en pakte mij vast in dat steegje. Ik hoorde hem zeggen dat het heel vervelend voor mij uit zou pakken als hij niet met mij zou praten. Hij pakte vervolgens een mes met een omhulsel van plastic er om heen. Toen haalde hij het mes uit het omhulsel. Hij had mij nog vast. Toen stak hij. Ik heb veel pijn aan mijn rechter arm en hand. Ik heb een steekwond in mijn rechter onderarm, vermoedelijk helemaal door de arm heen.
3. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van huisarts [naam] d.d. 13 september 2022, alsbijlage bijgevoegd bij het verzoek tot schadevergoeding d.d. 15 september 2022, los bijgevoegd bij voornoemd dossier, voor zover inhoudende:
Betreft:
Mw. [slachtoffer] ( [slachtoffer] )
Bovenstaande patiënt is bij ons in de praktijk bekend met o.a. aanhoudende sensibiliteitsstoornissen onderarm rechts na steekincident 13-07-2022. Aan haar is uitgelegd dat dit herstel mogelijk nog enkele maanden kan duren. Zij ervaart wel verbetering wat betreft kracht en beweging in haar rechter hand, echter blijft dit nog erg beperkt.
Journaal
08-09-2022 arm voelt nog doof aan aan binnenzijde met name, kracht en beweging komt al wel meer terug.
08-09-2022 gehele onderarm binnenzijde doof gevoel, verder qua sensibiliteit gb. wond mooi geheeld
08-09-2022 Andere sensibiliteitstoornis/onwillekeurige bewegingen
08-09-2022 gaat met fysiotherapeut verder haar beweging en kracht opbouwen onderarm
25-07-2022 wondcontrole onderarm + hechtingen verwijderen
25-07-2022 rustige doorsteek wonden onderarm R met forse hematoom, 3tal hv verwijderd van entreewond; onderarm voelt nog wel wat doof aan
4. Een schriftelijk bescheid, te weten een schriftelijke slachtofferverklaring opgesteld door
[slachtoffer] , ter terechtzitting overlegd op 2 juni 2023 en los bijgevoegd bij voornoemd dossier, voor zover inhoudende:
Ik kamp nog altijd met de zowel fysieke als psychische gevolgen die de steekpartij heeft opgeleverd. In een groot deel van mijn arm heb ik weinig tot geen gevoel. Als iets of iemand mij aanraakt, ook al is het een lichte aanraking, dan doet dit pijn. Het is nog onzeker of ik ooit weer het gevoel in mijn arm terugkrijg. Ook de spieren in mijn hand zijn nog steeds niet volledig hersteld. Ik heb inmiddels ook fysiotherapie gevolgd in de hoop weer kracht in mijn hand te kunnen krijgen, en ben hier nog steeds mee aan het trainen. Er zijn bewegingen die ik nog steeds niet kan maken, ook hier is het de vraag of ik dat ooit nog zal kunnen.
Bewijsoverweging
Vaststaat dat verdachte het slachtoffer, zijn ex-vriendin, in de arm heeft gestoken. De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of verdachte daarbij heeft gehandeld met voorbedachte rade. Volgens vaste jurisprudentie moet voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ vast komen te staan, dat een verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat een verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
Uit de hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 13 juli 2022 heeft overwogen om een misdrijf te plegen en hij bij het verlaten van zijn woning bewust het mes heeft meegenomen om hier iemand mee te kunnen verwonden. Vervolgens is verdachte op een plek gaan wachten waar hij verwachtte dat hij het latere slachtoffer tegen zou komen.
Beoordeling
Toen verdachte het slachtoffer daadwerkelijk zag lopen, is hij achter haar aan gaan lopen en heeft hij tegen haar gezegd dat zij met hem moest gaan praten, omdat het anders vervelend met haar zou aflopen. Vervolgens heeft verdachte het mes gepakt, het slachtoffer vastgepakt en in haar arm gestoken.
De rechtbank maakt uit deze gang van zaken op dat verdachte niet vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld, maar van tevoren heeft nagedacht over zijn daad. Verdachte heeft voldoende tijd gehad om zich te beraden op zijn voorgenomen besluit om het slachtoffer iets aan te doen en op de mogelijke gevolgen daarvan, en heeft dat ook daadwerkelijk gedaan. Wat de raadsvrouw over de mogelijke psychische problematiek van de verdachte heeft aangevoerd doet naar het oordeel van de rechtbank aan het aannemen van voorbedachten rade niet af, nu niet is gebleken dat bij verdachte voorafgaand aan zijn daad ieder inzicht in zijn voorgenomen handelen of de gevolgen daarvan heeft ontbroken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat bij verdachte sprake was van voorbedachte raad.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of het bij het slachtoffer ontstane letsel gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht bevat een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Die opsomming is niet uitputtend. De bepaling laat de rechter de vrijheid om ook buiten de genoemde gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen, wanneer dat letsel voldoende ernstig is, om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Daarbij dienen de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel te worden betrokken.
Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer met zoveel kracht is gestoken dat het mes door haar arm heen is gegaan. Als gevolg van het incident heeft het slachtoffer tot op de dag van vandaag in een groot deel van haar rechterarm weinig tot geen gevoel en kan zij bepaalde bewegingen niet maken. Ook ervaart zij pijn als iemand haar arm aanraakt. Tot op heden volgt zij ook nog fysiotherapie voor deze klachten. Het is bovendien onzeker of het slachtoffer ooit weer het gevoel in haar arm en de kracht in haar hand volledig terugkrijgt. De rechtbank is gelet op het voorgaande – in onderlinge samenhang en verband bezien – van oordeel dat het letsel dat het slachtoffer door toedoen van verdachte heeft opgelopen, moet worden gezien als zwaar lichamelijk letsel.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling gepleegd met voorbedachte rade wettig en overtuigend bewezen acht.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 13 juli 2022 te Groningen aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond in haar rechteronderarm waarbij het mes door de rechteronderarm is gegaan, de wond gehecht moest worden en de arm gevoelloos is met een beperking in het bewegen van de arm, heeft toegebracht, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,
-tegen die [slachtoffer] te zeggen "dat het heel vervelend voor haar zou aflopen als ze niet met hem zou praten" en
-die [slachtoffer] met kracht met een mes in en door haar rechteronderarm te steken.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: subsidiair. zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 229 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden gevorderd, onder oplegging van de voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd in haar rapport van 8 mei 2023. Tevens heeft zij op grond van artikel 38 lid 6 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gevorderd dat de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid beveelt van de terbeschikkingstelling met voorwaarden. Tot slot heeft zij gevorderd om aan verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest. Daarnaast is verzocht om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen met daaraan verbonden de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van de opname in een zorginstelling. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis in een klinische setting verblijft, hetgeen verdachte alleen maar nadeel brengt. De raadsvrouw heeft in haar pleitnota gemotiveerd uiteengezet waarom een gedwongen klinische behandeling niet het gewenste resultaat zal opleveren. In plaats van de opname in een zorginstelling kan een verplichting tot het volgen van ambulante behandeling opgelegd worden, hetgeen de enige passende behandelwijze is voor verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf en de hierna te noemen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de gedragsdeskundigen en de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Aard en ernst van het bewezenverklaarde
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich op 13 juli 2022 in Groningen schuldig gemaakt aan zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, door zijn ex-vriendin met een mes in haar arm te steken. Als gevolg hiervan heeft het slachtoffer letsel opgelopen; tot op heden kan zij haar arm nog niet gebruiken zoals zij dat eerst wel kon. Door op deze manier te handelen heeft verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer op ernstige wijze aangetast en geen enkele rekening gehouden met de gevolgen hiervan voor het slachtoffer. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring is gebleken dat de impact van het voorval voor het slachtoffer enorm is en dat zij daar nog steeds de negatieve gevolgen van ondervindt. De rechtbank acht het daarbij zeer zorgelijk dat verdachte het gebruik van geweld kennelijk een legitieme manier vindt om aandacht te vragen voor zijn problemen en de rechtbank rekent verdachte dit aan.
Persoon van de verdachte
Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 7 april 2023 blijkt dat verdachte enkel in een ver verleden is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank zal dit dan ook niet in het nadeel van de verdachte laten meewegen.
Over verdachte zijn meerdere rapportages uitgebracht.
Beoordeling
De rechtbank heeft met name acht geslagen op de volgende rapportages:
het rapport van de reclassering van 8 mei 2023,
het aanvullende rapport van de reclassering van 31 mei 2023,
het psychologisch rapport van 18 januari 2023, opgesteld door N. van der Weegen, GZ-psycholoog,- het psychiatrisch rapport van 15 januari 2023, opgesteld door F. Harmanny-Wiersma, psychiater.
De psychiater en de psycholoog hebben beschreven dat er bij verdachte sprake is van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. De psychiater ziet hiernaast een recidiverende depressie en een stoornis in het gebruik van cannabis. Hiervan was ook sprake ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit en deze stoornissen hebben de gedragskeuzes van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde minstens ten dele beïnvloed en bepaald. De psycholoog en de psychiater adviseren om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt bovenstaande conclusies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid over, maakt die tot de hare en verklaart verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar.
De psychiater schat het risico op recidive in als matig tot hoog. Volgens de psychiater dient verdachte een stevig en verplichtend kader te hebben voor behandeling. Verdachte heeft aangegeven wel behandeling te willen, maar op zijn voorwaarden en zonder verplichtend strafrechtelijk kader. Gelet op de persoonlijkheidspathologie van verdachte zal het voor verdachte lastig zijn om een behandeling vol te houden en eerlijk naar zichzelf te kijken. De inschatting van rapporteur is dat verdachte snel afhaakt en dat zijn frustratietolerantie gering is. Verdachte geeft de schuld aan omstandigheden en anderen als behandeling niet slaagt. Om een behandeling van verdachte vorm te kunnen te geven is volgens de psychiater een gedwongen kader nodig. Gelet op het feit dat verdachte niets wil weten van voorwaarden en hij enkel behandeling in een vrijwillig kader wil, is het voor de psychiater moeilijk om hierin te adviseren. Het voorstel waar de psychiater uiteindelijk toe komt is om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen.
De psycholoog schat het risico op recidive in als hoog. Om het recidiverisico terug te dringen behoeft verdachte een langdurige klinische behandeling, gericht op het accepteren van zijn stoornis en het anders omgaan met zijn stoornis. Verdachte heeft veelvuldig contact gehad met hulpverlening. Hij was en is het echter niet eens met de diagnoses die ze stelden en conformeerde zich niet aan de behandeling. Door de krenkbaarheid van verdachte, zijn sterke neiging tot externaliseren en het devalueren van de ander, samenhangend met zijn narcistische-persoonlijkheidsstoornis, is behandeling volgens de psycholoog per definitie een moeizaam proces. Verdachte heeft de neiging de ander de schuld te geven van zijn problemen. Dit treedt ook op in therapie, waardoor hij geneigd is de therapie voortijdig te verlaten en de therapeut de schuld te geven van het mislukken van de behandeling. De psycholoog adviseert de behandeling binnen het kader van een terbeschikkingstelling plaats te laten vinden. Indien verdachte bereid is zich te conformeren aan een langdurige klinische behandeling en een daaropvolgend resocialisatietraject, zou deze behandeling binnen een kader van terbeschikkingstelling met voorwaarden plaats kunnen vinden. Indien verdachte niet bereid is zich hieraan te conformeren, zal een terbeschikkingstelling met dwangverpleging overwogen moeten worden, aldus de psycholoog. Verdachte is door zijn problematiek niet goed in staat zich te conformeren. Dit zal zowel binnen het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden als binnen een terbeschikkingstelling met dwangverpleging leiden tot een langdurig behandelproces.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het advies van de reclassering. Uit de reclasseringsrapportage volgt dat verdachte in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis sinds februari 2023 is opgenomen in de FPK te Assen. In de FPK presenteerde verdachte zich eerst als een rustige, correcte man, maar nu hij daar langer verblijft wordt ook een ander beeld van hem gezien. Zo heeft verdachte kritiek op de Pro Justitia rapportages, is hij het niet eens met de noodzaak van een klinische behandeling, is hij zichtbaar gefrustreerd en ervaart hij geen perspectief. De reclassering betwijfelt de haalbaarheid van een succesvolle behandeling van verdachte in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden en stelt in haar laatste rapport dat deze aarzeling nu ook wordt gestaafd door de in het rapport beschreven ervaringen die men met verdachte heeft opgedaan tijdens het lopende schorsingstoezicht. Er is bij verdachte sprake van een onvoldoende betrouwbare bereidheid om mee te werken aan een klinische behandeling, aldus de reclassering. Gelet op het feit dat verdachte wel zegt zich te conformeren aan de voorwaarden die hem bij schorsing van de voorlopige hechtenis zijn opgelegd en ook de FPK nog mogelijkheden ziet om de opname voort te zetten, adviseert de reclassering toch het behandel- en begeleidingstraject in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden een kans te geven.
De tbs-maatregel
De rechtbank is met alle deskundigen van oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte een intensieve en langdurige behandeling nodig heeft, die niet binnen een ander kader dan een tbsmaatregel kan plaatsvinden. De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan, nu bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, het door verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist.
De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van verdachte dient plaats te vinden in een klinische omgeving, in aanmerking genomen de bevindingen van de gedragsdeskundigen over de complexiteit van de problematiek van de verdachte. Uitsluitend ambulante behandeling, zoals voorgesteld door de raadsvrouw, zal naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend zijn om het herhalingsgevaar voldoende te beperken, te meer nu is gebleken dat verdachte, zoals hiervoor weergegeven, niet voldoende in staat is om zichzelf te conformeren aan de eisen die bij daaraan worden gesteld.
De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 38, vijfde lid, Sr, bij oplegging van terbeschikkingstelling met voorwaarden, slechts voorwaarden kunnen worden gesteld indien de ter beschikking gestelde zich bereid heeft verklaard tot naleving van die voorwaarden. De verdachte heeft ter terechtzitting meermalen verklaard niet mee te zullen werken aan een klinische behandeling zoals is geadviseerd. Verdachte heeft hierbij zelfs gezegd zelfmoord te zullen plegen als hij in de FPK zou moeten blijven. Uiteindelijk heeft verdachte na aandringen van de officier van justitie toch, met zichtbare aarzeling en onder het stellen van voorwaarden, gezegd in te stemmen met de geadviseerde klinische behandeling. De rechtbank ziet in deze instemming echter niet een voldoende betrouwbare bereidheid van verdachte om mee te werken aan de noodzakelijke klinische behandeling. De rechtbank gaat er, met andere woorden, vanuit dat verdachte onvoldoende in staat zal zijn zich aan de voorwaarde van een klinische behandeling in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden te houden.
Gelet hierop, in samenhang met het aanzienlijke recidiverisico en de complexe psychische problematiek van verdachte, biedt de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden onvoldoende garantie dat de (algemene) veiligheid van personen kan worden gewaarborgd.
Beoordeling
De rechtbank is, anders dan de officier van justitie en de raadsvrouw, daarom van oordeel dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging moet worden opgelegd, omdat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen dit vereist. De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en dat aan de duur van deze maatregel derhalve ingevolge artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht geen maximum is verbonden.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr
De rechtbank ziet geen meerwaarde in het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr zoals is geadviseerd door de reclassering. De veiligheid van de samenleving is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate gewaarborgd door het vangnet dat regeling van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging biedt.
Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr
De rechtbank ziet, ter beveiliging van het slachtoffer en ter voorkoming van strafbare feiten, wel aanleiding om op grond van artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel aan de verdachte op te leggen, inhoudend dat hij zich moet onthouden van contact met het slachtoffer. Omdat de verdachte voorafgaand aan het delict tegen de wil van het slachtoffer herhaaldelijk contact met haar is blijven zoeken en hij zich niet steeds heeft gehouden aan het in de schorsingsvoorwaarden opgenomen contactverbod, zal de rechtbank deze maatregel voor de maximale duur van vijf jaren opleggen. Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van één week, met een maximum van zes maanden. Gezien het gedrag dat verdachte rondom het delict en in de afgelopen periode blijkens de onderzoeksbevindingen heeft laten zien, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat de verdachte zich jegens het slachtoffer belastend zal blijven gedragen of opnieuw een strafbaar feit zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Gevangenisstraf
Gelet op de ernst van het gepleegde feit, maar ook op het gegeven dat verdachte ten aanzien hiervan verminderd toerekeningsvatbaar is, oordeelt de rechtbank dat aan de verdachte, naast genoemde maatregel, een gevangenisstraf moet worden opgelegd die gelijk is aan de duur van de periode die verdachte tot nu toe in voorarrest heeft gezeten.
Voorlopige hechtenis
Nu de rechtbank een maatregel oplegt die vrijheidsbeneming met zich brengt, zal zij de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 580,92 ter vergoeding van materiële schade en € 3.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Het oorspronkelijke gevorderde bedrag ter vergoeding van de immateriële schade à € 1.500,- is ter terechtzitting verhoogd tot genoemd bedrag van € 3.000,-.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel toegewezen dient te worden, vermeerderd met de wettelijke rente en onder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw aangevoerd dat deze toegewezen kan worden tot het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 1.500,-.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de post "kleding" gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de post "oordopjes" heeft de raadsvrouw aangevoerd dat deze post afgewezen dient te worden, nu niet valt in te zien hoe de oordopjes stuk gegaan kunnen zijn door het bloed, hetgeen ook niet nader is onderbouwd. Op de bijgevoegde foto’s is geen grote hoeveelheid bloed te zien waaruit zou moeten blijken dat de oordopjes niet meer werken. Ten aanzien van de post "reiskosten" heeft de raadsvrouw aangevoerd dat enkel de reiskosten van vader ten behoeve van het ondersteunen van het slachtoffer toegewezen kunnen worden.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de immateriële schade oordeelt de rechtbank als volgt.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, zal de rechtbank de gevorderde vergoeding niet matigen tot het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 1.500,-. De rechtbank overweegt daartoe dat zij het ter terechtzitting gevorderde immateriële bedrag van € 3.000,- passend acht gezien de bijzondere omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de aard en ernst van het letsel en de gevolgen die het feit voor het slachtoffer heeft. Dit deel van de vordering zal daarom volledig worden toegewezen.
Ten aanzien van de materiële schade oordeelt de rechtbank als volgt.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade onder de post "kleding" van € 53,98 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij ten aanzien van de post "oordopjes" ook voldoende aannemelijk gemaakt en voldoende onderbouwd, waarbij specifiek kan worden gewezen op de overgelegde foto’s, dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Hetgeen door de raadsvrouw hieromtrent is aangevoerd maakt dit oordeel niet anders. Ook dit deel van de vordering, van € 22,99, zal daarom worden toegewezen..
Ten aanzien van de schadepost "reiskosten" oordeelt de rechtbank als volgt. Wat betreft de vergoeding voor reiskosten die benadeelde partij heeft gemaakt voor bezoek aan het kantoor van Slachtofferhulp, beslist de rechtbank dat deze wordt afgewezen, omdat deze kosten, zoals blijkt uit jurisprudentie, niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in art 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Daarnaast wijst de rechtbank de gevorderde vergoeding ter zake van de reiskosten voor het bijwonen van de zittingen van de rechtbank af. Deze reiskosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking als door de partij die aanspraak heeft op proceskostenvergoeding in persoon mag worden geprocedeerd en deze ook daadwerkelijk in persoon heeft geprocedeerd.
Beoordeling
Nu de benadeelde partij ter zitting bijstand heeft ontvangen van slachtofferhulp, zal de gevorderde vergoeding van deze reiskosten worden afgewezen.
De rechtbank wijst de overige reiskosten van € 398,40, die zijn gemaakt ten behoeve van de medische behandeling van het slachtoffer en bezoek aan het politiebureau, toe.
Gelet op het bovenstaande wijst de rechtbank een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding toe en een bedrag van (€ 53,98 + € 22,99 + € 398,40 =) € 475,37 aan materiële schadevergoeding, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan tot aan de vergoeding van de schade
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38v, 38w, 302 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 229 dagen.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Legt op de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 (een) week voor iedere keer dat niet aan deze maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden, waarbij toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
Beveelt dat de opgelegde maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar is.
Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
het bedrag van € 3.475,37 (zegge: drieduizendvierhonderdvijfenzeventig euro en zevenendertigeurocent);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 juli 2022 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerleggingvan deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.475,37 (zegge: drieduizendvierhonderdvijfenzeventig euro en zevenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2022 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 475,37 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 44 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Brouwer, voorzitter, mr. G.H. Boekaar en mr. W. de Weijer, rechters, bijgestaan door mr. S. Fokkert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juni 2023.