Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-04-07
ECLI:NL:RBNNE:2023:1870
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,883 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 22/1166
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2023 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit Leeuwarden, eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren tegen een verleende omgevingsvergunning.
1.1.
Het college heeft op 28 oktober 2021 een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van zorgappartementen aan [adres] in Leeuwarden.
1.2.
Met het bestreden besluit van 4 februari 2022 heeft het college de bezwaren van eisers kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.
1.3.
Het college heeft op het beroep van eisers gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Het college heeft nog stukken in het geding gebracht.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigden van het college. Deze zaak is op zitting gezamenlijk behandeld met de zaak met het nummer LEE 22/1167. In beide procedures wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de niet-ontvankelijkverklaring door het college van de bezwaren van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
3. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Dit is geregeld in artikel 6:7 van de van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.1.
Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb begint de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
3.2.
De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht , gebeurt door toezending of uitreiking aan hen. Dit vloeit voort uit artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.
3.3.
In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat een te laat gemaakt bezwaar toch ontvankelijk is als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In dat geval is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Hebben eisers tijdig bezwaar gemaakt?
4. Het college heeft de door eisers in bezwaar bestreden omgevingsvergunning verleend op 28 oktober 2021. Op dezelfde dag heeft het college het besluit toegezonden aan de aanvrager. Het gaat om een via de reguliere procedure verleende omgevingsvergunning.
4.1.
Op 11 november 2021 heeft het college van de verlening van deze omgevingsvergunning mededeling gedaan in het Gemeenteblad en in het huis-aan-huisblad Huis aan Huis Leeuwarden. In de mededeling in het Gemeenteblad is vermeld dat de verleende omgevingsvergunning op 28 oktober 2021 is verzonden.
4.2.
Eisers hebben bezwaar gemaakt met een op 8 december 2021 gedagtekend bezwaarschrift. Op de envelop waarin het bezwaarschrift is verzonden staat een poststempel met de datum 23 december 2021. Op het door het college ontvangen bezwaarschrift staat een stempel van de gemeente met als ontvangstdatum 24 december 2021.
4.3.
De bezwaartermijn is op 29 oktober 2021 gaan lopen (artikel 6:8, eerste lid, van de Awb) en het bezwaarschrift had gelet op de bezwaartermijn van zes weken (artikel 6:7 van de Awb) uiterlijk op 9 december 2021 moeten zijn ingediend.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar niet tijdig is ingediend. Weliswaar bevat het bezwaarschrift een dagtekening op 8 december 2021, maar de rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat het bezwaarschrift pas na 9 december 2021 daadwerkelijk is verzonden en dus niet tijdig is verzonden. De rechtbank ziet daarvoor bevestiging in de poststempel op de envelop van 23 december 2021 en de ontvangststempel van de gemeente van 24 december 2021. Eisers hebben bovendien niet inhoudelijk gemotiveerd betwist dat het bezwaarschrift na 9 december 2021 is verzonden.
4.5.
Eisers hebben op zitting nog wel gesteld dat volgens bij een van rechtswege verleende vergunning de bezwaartermijn pas gaat lopen nadat de eigenaren en/of gebruikers van naburige gebouwen daarover door de gemeente zijn geïnformeerd. Het gaat in deze zaak echter niet om een van rechtswege verleende vergunning, maar om de verlening van een omgevingsvergunning via de reguliere procedure. Hiervoor is al toegelicht dat de bezwaartermijn dan gaat lopen op de dag na verzending van het besluit tot verlening van die omgevingsvergunning.
4.6.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich in het bestreden terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift van eisers te laat is ingediend. De vervolgvraag is dan of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding (artikel 6:11 van de Awb). Dat bespreekt de rechtbank hierna.
Is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding?
5. Eisers voeren aan dat zij twee weken na de bekendmaking van de omgevingsvergunning via overheid.nl (het Gemeenteblad) van de vergunningverlening op de hoogte raakten. Zij verwijzen ook naar de mededeling in de Huis aan Huis Leeuwarden. Zij hebben vervolgens contact opgenomen met de gemeente om de stukken in te zien. Eisers stellen dat zij daartoe pas op 7 december 2021 in de gelegenheid zijn gesteld. De kast bij de gemeente waarin het dossier was opgeborgen kon niet worden geopend en de betrokken medewerker was afwezig in verband met het thuiswerken in de coronaperiode. Dat zij te laat bezwaar hebben gemaakt is volgens eisers niet aan hen toe te rekenen.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat eisers niet eerder dan twee weken nadat zij hebben kennisgenomen van de mededeling in het Gemeenteblad en de Huis aan Huis Leeuwarden om inzage in de stukken hebben verzocht. Het college erkent dat er vervolgens enige tijd is verstreken totdat eisers de stukken daadwerkelijk konden inzien. Dat betekent volgens het college niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het college stelt daartoe dat eiseres ter zekerstelling van hun rechten een pro forma bezwaarschrift hadden kunnen indienen.
5.2.
Deze beroepsgrond van eisers slaagt niet. De rechtbank licht dat hierna verder toe.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat het college op een juiste wijze mededeling heeft gedaan van het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van zorgappartementen aan [adres] in Leeuwarden. Die mededeling is op de correcte wijze gedaan in het Gemeenteblad. In die mededeling is de juiste verzenddatum van het besluit vermeld en bovendien is aangegeven dat tot zes weken na die verzenddatum bezwaar kan worden gemaakt. Eisers hebben in hun beroepsgronden gesteld dat zij 14 dagen na verlening van de omgevingsvergunning daarvan op de hoogte zijn geraakt via overheid.nl. Zij hebben op zitting ook erkend dat zij de mededeling in het Staatsblad rond 10 november 2021 hebben gezien en dat deze mededeling aanleiding was voor het verzoek om de stukken in te kunnen zien.
5.4.
Indien op een juiste wijze mededeling is gedaan van de vergunningverlening is de hoofdregel dat een termijnoverschrijding in beginsel niet verschoonbaar is. In dit geval is de mededeling in het Gemeenteblad juist geweest en had het eisers duidelijk kunnen zijn dat zij binnen zes weken na 28 oktober 2021 een bezwaarschrift konden indienen. Eisers hebben gelijk dat de mededeling in het Gemeenteblad pas twee weken na vergunningverlening heeft plaatsgevonden. Dat neemt echter naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat het, nu de mededeling in het Gemeenteblad ruim binnen de termijn waarbinnen een bezwaarschrift kon worden ingediend heeft plaatsgevonden, op de weg van eisers had gelegen om tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Een kort bezwaarschrift waarin zij aangeven het niet eens te zijn met de verleende vergunning (een pro forma-bezwaarschrift) zou daarvoor voldoende zijn geweest, zoals het college ook heeft gesteld. Met wat eisers hebben aangevoerd hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat dit niet voor hen niet mogelijk is geweest. Dat zij daarvoor, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van eisers, niet de volle zes weken hebben gehad maakt dat niet anders. Na de mededeling van de verlening van de vergunning hadden zij naar het oordeel van de rechtbank voldoende tijd voor het indienen van een pro forma-bezwaarschrift.
5.5.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat eisers op 7 december 2021 de stukken hebben kunnen ingezien.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit waarbij het college hun bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2023.
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De rechtbank doelt hiermee op de reguliere procedure als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 7 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ9536.
Vergelijk de uitspraak van de AbRvS van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2461, r.o. 4.5.