Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2022-03-09
ECLI:NL:RBNNE:2022:799
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,785 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 22/609, LEE 22/610 en LEE 22/611
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 maart 2022 op het beroep en de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[naam verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. P.A.Th. Kostwinder),
en
het bestuur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: P.A. van Leerdam).
Procesverloop
In het besluit van 20 september 2021 (primair besluit A) heeft verweerder verzoeker een EMG opgelegd (Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer).
In het besluit van 4 februari 2022 (bestreden besluit A) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen bestreden besluit A beroep ingesteld (beroep met zaaknummer LEE 22/609). Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (verzoek met zaaknummer LEE 22/610).
In het besluit van 4 februari 2022 (primair besluit B) heeft verweerder het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen primair besluit B. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (verzoek met zaaknummer LEE 22/611).
De voorzieningenrechter heeft voornoemde zaken op 2 maart 2022 gevoegd op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. R. Kooijman, kantoorgenoot van mr. Kostwinder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter gaat uit van voldoende spoedeisend belang.
3. Verzoeker stelt zich samengevat op het standpunt dat er sprake was van een noodsituatie, waardoor hij destijds te hard reed. Verzoeker beroept zich (tevens) op het evenredigheidsbeginsel. Daarnaast acht verzoeker verweerders besluiten foutief, nu daarin niet expliciet staat vermeld wat de uiterlijke datum is waarop de uitvoeringskosten betaald hadden moeten zijn, alsmede voor welke categorieën het rijbewijs ongeldig is verklaard.
4. Verweerder handhaaft zijn in het bestreden besluit A en in het primaire besluit B opgenomen standpunt.
5. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak met betrekking tot de EMG. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten aanzien van de EMG niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening (zaaknummer LEE 22/610), maar ook op het beroep (zaaknummer LEE 22/609).
Ten aanzien van de opgelegde EMG (zaaknummers LEE 22/609 en LEE 22/610)
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat verzoeker ten tijde van belang 83 km per uur reed binnen de bebouwde kom en hij daarmee te hard heeft gereden.
7. Indien bij de daartoe aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid of de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan doen zij daarvan op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.
Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid. Dit volgt uit artikel 131, aanhef en onder a, van de WVW 1994.
8. Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) besluit verweerder tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag.
Bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag, onder 3, vermeld voor zover relevant het volgende: Incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:
d) op te korte afstand volgen van voorliggers;
Bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag, onder 4, vermeld voor zover hier relevant het volgende: Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van:
h. het als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom;
i. het als bestuurder van een motorrijtuig overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden.
9. De voorzieningenrechter overweegt dat het doel van artikel 130 van de WVW 1994 is het waarborgen van de verkeersveiligheid. Ook de bestuursrechtelijke maatregel die aan verzoeker is opgelegd, is gericht op de bevordering van de verkeersveiligheid. Er is voldoende basis voor het opleggen van de maatregel als er een vermoeden is dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid die hij nodig heeft voor het besturen van het motorrijtuig. De schriftelijke mededeling op grond van artikel 130 van de WVW 1994 en een mutatierapport kunnen voldoende grondslag bieden voor het opleggen van een maatregel (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2012, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder ECLI:NL:RVS:2012:BV6581).
10. Volgens de mededeling en de bijbehorende processen-verbaal heeft verzoeker binnen de bebouwde kom 83 km per uur gereden, waar de maximumsnelheid 30 km per uur was. Daarnaast is door de verbalisant gesignaleerd dat verzoeker zijn voorgangers zowat van de weg drukte, door kort achterop hen te rijden (kleven).
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat één of meerdere in de processen-verbaal weergegeven rijgedragingen onjuist door de verbalisant is waargenomen. Verzoeker heeft weliswaar betwist dat hij gezegd zou hebben dat hij dierenarts is, dan wel betwijfeld of de verbalisant op de motor überhaupt kon zien of er gekleefd werd, maar heeft geen twijfel weten te zaaien over de juistheid van hetgeen opgenomen in de processen-verbaal. Daarbij is van belang dat een verbalisant dergelijke stukken op grond van zijn professionele bevoegdheid heeft opgesteld en hij er geen belang bij heeft om onjuist te verklaren over het rijgedrag van verzoeker. Dat de strafzaak nog niet is beslecht, maakt niet dat verweerder niet heeft mogen uitgaan van de informatie die hij van de politie heeft gekregen.
12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op basis van de mededeling en de bijbehorende processen-verbaal kunnen vaststellen dat verzoeker tijdens de betreffende rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij de Regeling genoemde bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag, onder 3 en 4. Het gaat daarbij om het op te korte afstand volgen van voorliggers, het als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom, alsmede het als bestuurder van een motorrijtuig overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden. Verweerder was daarom gehouden – gelet op artikel 14 van de Regeling - om verzoeker een EMG op te leggen. De voorzieningenrechter ziet in het door verzoeker gestelde geen grond om te oordelen dat het evenredigheidsbeginsel in dit geval in de weg zou staan aan toepassing van deze dwingendrechtelijke bepaling door verweerder.
13. Gelet op het voorgaande is het beroep (zaaknummer LEE 22/609) ongegrond.
14. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek (zaaknummer LEE 22/610) wordt daarom afgewezen.
15. Er is in deze zaken geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Ten aanzien van de ongeldigverklaring van het rijbewijs (zaaknummer LEE 22/611)
16. Verweerder heeft het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard bij primair besluit B, omdat verzoeker de uitvoeringskosten voor de EMG niet tijdig heeft betaald. Het is niet in geschil dat verzoeker deze kosten inderdaad niet tijdig heeft voldaan.
17. Ingevolge artikel 24 van de Regeling verleent een betrokkene onder meer niet de vereiste medewerking aan het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid indien hij de kosten bedoeld in artikel 25, eerste lid, niet, niet tijdig of niet op de voorgeschreven dan wel overeengekomen wijze voldoet. Artikel 25, eerste lid, van de Regeling ziet op zowel de opleggingskosten als de uitvoeringskosten.
18. Nu het niet tijdig betalen van de uitvoeringskosten valt aan te merken als het niet verlenen van de vereiste medewerking aan het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, dient verweerder volgens artikel 132, tweede lid, van de WVW 1994, het rijbewijs onverwijld ongeldig te verklaren.
Dictum
De voorzieningenrechter:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van der Ven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
9 maart 2022.
De griffier is buiten staat om
deze uitspraak te ondertekenen.
De voorzieningenrechter is buiten staat om deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.