Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2021-07-30
ECLI:NL:RBNNE:2021:3225
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,333 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 21/585
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S. van Gent),
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Winterink).
Procesverloop
In het besluit van 15 augustus 2019 (primair besluit) heeft verweerder aan eiser in totaal een bedrag van € 9.276,49 aan schadevergoeding toegekend. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
In het besluit van 12 januari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen de deskundige J.N. Handgraaf (hierna: Handgraaf) van schade-expertisebureau 10BE.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
1.1
Eiser heeft begin 2015 bij de NAM een verzoek om schadevergoeding ingediend in verband met schade ontstaan aan zijn woning door mijnbouwactiviteiten. De NAM heeft eiser een schadevergoeding van € 12.527,32 toegekend.
1.2
Medio 2015 heeft eiser opnieuw een verzoek om schadevergoeding ingediend. In verband daarmee heeft er een inspectie van de woning plaatsgevonden. Verweerder heeft besloten geen vergoeding voor de geconstateerde schade toe te kennen, omdat de schade niet zelfstandig in verband gebracht kan worden met aardbevingen. De NAM heeft eiser als tegemoetkoming een voucher ter waarde van maximaal € 1.500,- aangeboden.
1.3
Op 18 februari 2015 heeft eiser wederom een verzoek om schadevergoeding ingediend.
1.4
Op 12 april 2019 heeft deskundige L. Siefkes (hierna: Siefkes) van D.O.G. ingenieurs in opdracht van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (hierna ook: verweerder) een adviesrapport uitgebracht. Dit rapport is gebaseerd op een opname van de schades op 12 februari 2019. In het rapport zijn 29 schades beschreven, waarvan er bij 13 schades is vermeld dat deze zijn veroorzaakt en/of verergerd door mijnbouwactiviteiten.
1.5
Eiser is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op het rapport in te brengen. Hij heeft dat op 16 april 2019 gedaan. Naar aanleiding van de door eiser ingediende zienswijze heeft D.O.G. Ingenieurs een addendum op het rapport van Siefkes overgelegd.
1.6
In het primaire besluit heeft verweerder eiser een schadevergoeding toegekend van
€ 9.276,49 (€ 7.992,30 vergoeding van de schade, € 1.035,-- bijkomende kosten en
€ 249,19 wettelijke rente).
1.7
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hij heeft in bezwaar een expertiserapport ingebracht van ing. R. Sleurink (hierna: Sleurink) van Tandem schade-expertise & advies van 25 november 2019. Verweerder heeft de deskundige D. de Beer (hierna: De Beer) van 10BE verzocht om op het rapport van Sleurink te reageren. De Beer heeft de woning van eiser op 9 maart 2020 bezocht. Op 25 maart 2020 heeft hij zijn adviesrapport bezwaar ingezonden.
1.8
Eiser heeft Sleurink verzocht om op het rapport van De Beer te reageren. Sleurink heeft dat in zijn brief van 22 juni 2020 gedaan.
1.9
Bij e-mail van 7 augustus 2020 heeft eiser aangegeven het niet nodig te vinden dat zijn bezwaar op een hoorzitting wordt behandeld.
1.10
In het besluit op bezwaar heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.
1.11
In beroep heeft verweerder een nader advies overgelegd van Handgraaf van 21 juni 2021.
2. De rechtbank overweegt als volgt.
Het juridisch kader
2.1
Niet in geschil is dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is. Op grond van deze bepaling wordt vermoed, bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld zou kunnen zijn, dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.
2.2
In een uitspraak van 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen die onder meer zien op de toepassing van het bewijsvermoeden. In dit kader heeft de Hoge Raad geantwoord dat als is voldaan aan de vereisten voor toepassing van het vermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het BW, de exploitant dat vermoeden alleen met succes weerlegt als hij er in slaagt te bewijzen dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of exploitatie van het mijnbouwwerk. Voor bewijs in het burgerlijk procesrecht is niet vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan: de te bewijzen feiten en omstandigheden moeten voldoende aannemelijk worden.
2.3
Verweerder heeft voor de toepassing van het bewijsvermoeden advies gevraagd aan het zogenoemde Panel van Deskundigen (het panel). Het panel heeft in een rapport van 22 januari 2019 geadviseerd om het wettelijk bewijsvermoeden weerlegd te achten als de schadeoorzaak evident en aantoonbaar een andere is dan de in artikel 6:177a BW bedoelde bodembeweging.
2.4
De door verweerder ingeschakelde deskundigen toetsen met inachtneming van het advies van het panel of zij met een voldoende grote mate van zekerheid kunnen uitsluiten dat de schade door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten is ontstaan, en zo ja, waardoor de schade dan wel is ontstaan. Het bewijsvermoeden wordt niet weerlegd geacht als het weliswaar aannemelijk is dat een schade niet door bodembeweging als gevolg van gaswinning is ontstaan of verergerd, maar onvoldoende zekerheid kan worden gegeven over de vraag waardoor de schade wel is ontstaan of verergerd.
2.5
In het kader van de vergewisplicht toetst verweerder aan de hand van welke feiten de deskundige tot de conclusie is gekomen dat er met een voldoende mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak van de schade is aan te wijzen. Verweerder acht het bewijsvermoeden pas weerlegd als de deskundige een hoge mate van zekerheid heeft over de oorzaak van de door hem aangewezen schade, wat aansluit bij de bedoelingen van het panel. Van de deskundige wordt niet gevergd dat hij met 100% zekerheid kan uitsluiten dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten.
2.6
De rechtbank verwijst verder naar het toetsingskader zoals uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374.
2.7
Verweerder heeft verschillende deskundigen ingeschakeld bij de beoordeling van de schade aan de woning van eiser. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS mag een bestuursorgaan, als in een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundige verrichte onderzoek en op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid naar voren zijn gebracht.
Overwegingen
2.8
De rechtbank stelt vast dat enkel nog in geschil is schade 28. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder er niet in is geslaagd aan te tonen dat de oorzaak van deze schade evident en aantoonbaar uitsluitend een andere is dan bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk.
2.9
In het addendum van D.O.G. Ingenieurs is over deze schade opgenomen:
“Hier is sprake van een in het werk gestorte vloer welke dient als balkon en waarop in het verleden lekkage is geweest.
In het rapport (van Liefkes) is het juiste proces van roestvorming omschreven. Hieronder volgt een uitgebreide toelichting waarom trillingen als gevolg van mijnbouw geen invloed hebben gehad op deze schade.
Ten eerste is de roestvorming bij alle staven gelijk en structureel. Er is inmiddels minimaal 3 mm roestvorming op de staven wat aangeeft dat dit proces al minimaal 30 jaar aan de gang is; 1 mm roestvorming in 10 jaar in een normale licht vochtige omgeving. De dekking van het beton aan de onderzijde was indertijd 10 mm wat nu minimaal 15 mm moet zijn. Bij verticale druk op de vloer zullen kleine verticale haarscheurtjes ontstaan in het beton. Als deze de lengte van 10 mm bereiken dan bereiken ze ook de wapening.
Ten tweede is hier sprake van een structurele vochtige omgeving boven het verwijderde systeemplafond. Er is in het verleden lekkage geweest en dit vocht heeft zich opgehoopt onder het systeemplafond. Dit vocht kon niet weg en heeft dus de roestvorming verergerd. Deze vochtige omgeving is ook te zien in de roestvorming op de houders van de elektrabuizen en de aluminium profielen van het systeemplafond.
Ten derde, de roestvorming is in de breedte gezien structureel bij bijna alle staven. Uit studie is gebleken dat bij trillingen vanuit 1 richting er horizontale krachten op het vloervlak optreden en daarbij scheurvorming optreedt aan de andere zijde van de vloer en niet verspreid over de gehele vloer. Er zullen dan ook (flinke) scheuren in de bouwmuren aldaar zichtbaar moeten zijn. Daar is hier geen sprake van.
-…-
Aangezien er hier sprake is van een bouwkundig probleem is het bewijsvermoeden weerlegd daar het evident om betonrot gaat en aantoonbaar niet door trillingen als gevolg van mijnbouw.”
2.10
De door eiser ingeschakelde deskundige Sleurink, heeft hier in zijn rapport van 25 november 2019 op gereageerd:
“De sterkte van de vloer is verzwakt door corroderen onderste wapeningsstaven. Schilfering betondekking heeft geen relatie met bevingen. Bijdrage van de onderhavige bevingen aan het door en door scheuren van de vloer valt niet uit te sluiten.
Enkel het corroderen van de onderste wapening lijkt niet voldoende om de vloer door en door te laten scheuren. De vloer heeft, gezien de dikte, boven en onder wapening en hangt niet zichtbaar door.
De schade is ook van relatief recente datum. Aan de buitenzijde is goed te zien dat die scheurvorming ook door het grijze sauswerk gaat.
2.11
De door verweerder ingeschakelde deskundige De Beer heeft op de vraag of er ten aanzien van schade 28 een ander uitsluitende oorzaak is dan mijnbouw die evident en aantoonbaar tot de schade heeft geleid, geantwoord:
“Ja. Een combinatie van onderstaande invloeden hebben overduidelijk en aantoonbaar zonder enige uitzondering tot de schade geleid. Kruip: Elke betonconstructie is onderhevig aan blijvende vormverandering onder invloed van krachten op het beton, zoals het eigen gewicht, veranderlijke belasting, etc. In deze situatie bestaat de vormverandering uit doorbuiging van de betonconstructie. Deze doorbuiging geeft materiaalspanningen door plaatselijke lengteveranderingen in het beton en daarmee scheurvorming aan de onderzijde van het betondak. De scheuren hebben een toelaatbare grens overschreden. Belangrijke zaken hierbij zijn de betondekking van het wapeningsstaal, staalkwaliteit (vloeigrens/elasticiteitsmodulus), milieuklasse temperatuurschommelingen, veroudering van materiaal. De betondekking in deze situatie is minimaal, 10 mm. De staalkwaliteit FeB220 (in verleden toegepaste glad staal) is minimaal. Tegenwoordig wordt een hogere staalkwaliteit B500B met een minimale betondekking van 35 mm voor een binnenmilieu aangehouden. Indringing van koolstofdioxide uit de lucht, maar ook vocht door de aanwezige scheurvorming van het beton veroorzaakt en versnelt een proces van oxidatie van het wapeningsstaal. Oxidatie van staal is een expansieve reactie (het zet uit) en zal verdere scheurvorming van het beton geven. Het proces is zeer nadelig voor de sterkte van het beton en dus ook voor de gehele betonconstructie. Het betonelement is niet goed ontworpen of niet goed uitgevoerd of heeft het einde van de levensduur bereikt. Het is een veelvoorkomend probleem bij oudere betonconstructies, ook buiten het effectgebied van mijnbouwactiviteiten.
Bouwfysisch: Er treden nadelige bouwfysische verschijnselen op, doordat het betonnen dak doorloopt tot aan de gevel en begrensd wordt met buiten, het betonnen dak aan de bovenzijde niet geïsoleerd is en de functie van de onderliggende ruimte een verblijfsfunctie heeft en daarom wordt verwarmd. De betonconstructie van het dak heeft een ‘koudebrug’ waardoor condensatie zal optreden in de vorm van waterdamp aan het oppervlak van het beton aan de warme onderzijde. Door onderliggend (dichte) gipsplafond kon de waterdamp niet afgevoerd worden. Indringing van vocht door de aanwezige scheurvorming van het beton heeft het proces van oxidatie van het wapeningsstaal versneld. Lekkage van oude dakbedekking: De oude dakbedekking gaf lekkage naar de onderliggende betonconstructie. De dakbedekking en het voegwerk van de gemetselde balkonafscheiding zijn recentelijke vernieuwd. Ten gevolge van de lekkage is regenwater in de dakconstructie gekomen. Door onderliggende (dichte) gipsplafond kon het regenwater niet afgevoerd worden. Door de vochtige omgeving zijn diverse andere metalen onderdelen ook gaan roesten, zoals de plafondliggers, elektrabeugels etc. Indringing van vocht door de aanwezige scheurvorming van het beton heeft het proces van oxidatie van het wapeningsstaal versneld. Overbelasting door trillingen in de ondergrond veroorzaakt door aardbevingen hebben geen invloed gehad op de gemelde schade. Er is hier geen causaal verband tussen de bodembeweging door mijnbouwactiviteit en de schade. De schade kan als niet gelijksoortig worden gekwalificeerd aan de in Groningen veel voorkomende schades.”
2.12
Sleurink heeft in zijn rapport van 22 juni 2020 op gereageerd. Hij heeft aangevoerd:
“Het kan echter ook goed zo zijn dat de bevingen, die voor alle andere schades in het pand hebben gezorgd, er ook voor hebben gezorgd dat de betonvloer op basis van de reeds aanwezige spanning geheel is doorgescheurd. Dat de spanning in de vloer is te wijten aan andere oorzaken dan mijnbouwactiviteiten is evident. Door te stellen dat ook een niet zichtbare doorbuiging voor dit soort schades
kan
zorgen, laat ook de deskundige de mogelijkheid open dat de optredende piekspanning vanuit een beving de feitelijke oorzaak is van het geheel doorscheuren van de betonvloer. Deze mogelijkheid kan feitelijk dan ook niet ontkend worden, waarmee derhalve nooit onderbouwd kan worden dat beving uitgesloten kan worden van bijdrage in het ontstaan dan wel verergeren van de zichtbare schade.
De redevoering van de deskundige is enkel antwoord op de vraag waarom er spanning in de betonconstructie is gekomen. Nergens geeft hij een onderbouwing voor de opmerking dat overbelasting door trillingen in de ondergrond veroorzaakt door aardbevingen geen invloed hebben gehad op de gemelde schade.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.A. van Loo, griffier, op 30 juli 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.