Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2021-05-10
ECLI:NL:RBNNE:2021:1742
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,765 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 20/3324
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 mei 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde van eiser] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente De Wolden, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde van verweerdeer] ).
Procesverloop
Bij besluit van 29 februari 2020 heeft verweerder op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats eiser] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2019, vastgesteld voor het kalenderjaar 2020 op € 223.000.
Bij uitspraak op bezwaar van 1 oktober 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft ter zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger van eiser] , kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam taxateur] , taxateur.
Overwegingen
Feiten
1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
1.1
De onroerende zaak is een in 1906 gebouwde vrijstaande woning met een inhoud van 636 m³ met een inpandige garage met een inhoud van 60 m3. De onroerende zaak omvat verder drie bergingen/schuren gebouwd in 1908, 1951 en 1992 met respectievelijk een oppervlakte van 8 m2, 61 m2 en 101 m2. De onroerende zaak heeft een
kaveloppervlakte van totaal 4.705 m².
1.2
Op 29 juli 2020 heeft in opdracht van verweerder een taxateur een inpandige opname van de onroerende zaak gedaan.
Geschil
2.1
Partijen verschillen van mening over de waarde van de onroerende zaak per
1 januari 2019. Eiser bepleit een waarde van € 175.000 en verweerder staat een waarde voor van € 223.000.
2.2
Ook is in geschil of verweerder de grondstaffel en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV (Kwaliteit, Onderhoud, Uitstraling, Doelmatigheid en Voorzieningen)- en liggingsfactoren in de bezwaarprocedure aan eiser had moeten verstrekken.
Standpunten
3. Eiser voert – samengevat – aan dat verweerder onvoldoende inzage heeft gegeven in de waardering van de onroerende zaak. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op zijn verzoek in het bezwaarschrift om de grondstaffel en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren van de onroerende zaak en van de door verweerder opgevoerde vergelijkingsobjecten vóór het plaatsvinden van de hoorzitting te verstrekken. Eiser stelt verder dat door verweerder onvoldoende rekening is gehouden met: (i) gedateerde voorzieningen in de woning, met name de badkamer, de keuken en het sanitair, (ii) dat de woning geen spouwmuren heeft waardoor de isolatie slechter is en er meer vochtproblemen zijn, (iii) de slechte dan wel achterstallige onderhoudstoestand van de onroerende zaak, (iv) dat het perceel niet optimaal te gebruiken is door de ligging van de woning achterop het perceel en een zandpad van 700 m2 en (v) het afnemend grensnut. Volgens eiser is het door verweerder gebruikte referentieobjecten [vergelijkingsobject 1] en [vergelijkingsobject 2] niet vergelijkbaar omdat deze van veel latere bouwjaren zijn.
4. Verweerder stelt – samengevat – het volgende. De in het kader van de bezwaarprocedure geboden inzage van de door eiser verzochte stukken is voldoende. Er bestaat geen verplichting om de stukken op te sturen. Er is reeds volgende rekening gehouden met de gedateerde voorzieningen en de onderhoudsstaat van de woning. Dit volgt uit de KOUDV-factoren welke allemaal onder gemiddeld staan. Ook met het afnemend grensnut is rekening gehouden. De woning is rond 1977 grondig gerenoveerd waardoor waarbij onder andere het voor- en achterhuis van spouwmuren zijn voorzien. Er is dus geen sprake van afwezigheid van spouwmuren. Met de ondoelmatigheid van het perceel is al rekening gehouden. Aan 445 m2 is een waarde van nihil toegekend. Door de grondige renovatie rond 1977 is de onroerende zaak juist wel goed vergelijkbaar met het in 1978 gebouwde vergelijkingsobject [vergelijkingsobject 2] .
Beoordeling
Verstrekken van de grondstaffel en de KOUDV- en liggingsfactoren in bezwaar
Artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht
5.1
Uit het black box-arrest volgt dat verweerder – ook wanneer de waardering van de onroerende zaak berust op een geautomatiseerde modelmatige waardebepaling – inzichtelijk moet maken op grond van welke gegevens, aannames en keuzes de waardering tot stand is gekomen. In het black box-arrest ging het specifiek om de zogenaamde grondstaffel die ten grondslag ligt aan de waardebepaling van de grond. Deze inzichtelijk gemaakte gegevens zijn dan ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, en artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dat brengt mee dat op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb verweerder deze gegevens voorafgaand aan het hoorgesprek voor eiser ter inzage moet leggen. In beroep moet verweerder deze gegevens op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb vervolgens aan de rechtbank verstrekken.
5.2
De rechtbank is van oordeel dat KOUDV- en liggingsfactoren, tezamen met wijze waarop die factoren van invloed zijn op de waardering, net als de grondstaffel zijn aan te merken als gegevens waarmee de modelmatige waardebepaling inzichtelijk gemaakt wordt. Voor de KOUDV- en liggingsfactoren gelden de verplichtingen uit artikel 7:4, tweede lid, en artikel 8:42, eerste lid, van de Awb dus evenzo.
5.3
Uit artikel 7:4 van de Awb volgt echter geen verplichting voor verweerder om stukken te verstrekken. Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb rust op verweerder enkel een passief inzageverplichting. Indien eiser bij de inzage verzoekt om afschrift van stukken, dan dient verweerder daar op grond van artikel 7:4, vierde lid, van de Awb gehoor aan te geven tegen ten hoogste vergoeding van de daadwerkelijke kosten. Eisers klacht over het niet op zijn verzoek verstrekken van deze gegevens slaagt daarom in zoverre niet. De rechtbank merkt hierbij voor de volledigheid op dat verweerder – conform het voorschrift van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb – de grondstaffel en de KOUDV- en liggingsfactoren bij het verweerschrift heeft overgelegd.
Artikel 40, twee lid, Wet WOZ
6.1
Eiser heeft voorts gesteld dat verweerder (ook) op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ de grondstaffel en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren had moeten verstrekken. De rechtbank begrijpt eiser zo dat hij stelt dat verweerder artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ heeft geschonden, door enkel inzage te geven en geen afschriften te verstrekken.
6.2
De rechtbank acht zich bevoegd om over deze vermeende schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ te oordelen in deze procedure.
6.3
Artikel 40, tweede lid, Wet WOZ luidt als volgt:
“De in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar verstrekt uitsluitend aan degene te wiens aanzien een beschikking is genomen, op verzoek een afschrift van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde.”
6.4
Verweerder heeft ter onderbouwing van de vastgestelde waarde in het taxatieverslag drie referentieobjecten gebruikt die niet identiek zijn aan de onroerende zaak. Gelet daarop moet verondersteld worden dat verweerder, middels een grondstaffel en de KOUDV- en liggingsfactoren, acht heeft geslagen op de relevante verschillen met de onroerende zaak. Ook uit het feit dat verweerder te kennen heeft gegeven dat de grondstaffel en de KOUDV- en liggingsfactoren ter inzage liggen, volgt dat verweerder deze kennelijk (mede) ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde.
6.5
Omdat de grondstaffel en de KOUDV- en liggingsfactoren gebruikt zijn bij de vaststelling van de waarde zijn dit naar het oordeel van de rechtbank ‘gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde’ in de zin van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ. In de wetgeschiedenis wordt in dit kader gesproken over ‘de gegevens die ten grondslag liggen aan de WOZ-waarde in het taxatieverslag, waarop onder andere enkele referentiepanden staan’ en over ‘de aan de taxatie onderliggende gegevens aan degene te wiens aanzien de beschikking is genomen op verzoek ter inzage worden gegeven’. De rechtbank merkt daarbij op dat zij noch in de tekst van deze bepaling noch in de parlementaire geschiedenis aanleiding ziet om aan te nemen dat onder ‘de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde’ enkel het taxatieverslag moet worden verstaan.
6.6
Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ voor verweerder wel de verplichting om – op verzoek van eiser – een afschrift van de grondstaffel en de KOUDV- en liggingsfactoren te verstrekken.
6.7
Uit voorgaande (zie 5.1 t/m 6.6) volgt dat artikel 7:4 van de Awb en artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ in deze voor verweerder verschillende verplichtingen scheppen. Op grond van artikel 7:4 van de Awb is verweerder enkel verplicht de grondstaffel en de KOUDV- en liggingsfactoren voor eiser ter inzage te leggen waarbij hij enkel afschrift hoeft te verstrekken als eiser gebruik maakt van zijn inzagerecht. Op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ dient verweerder diezelfde gegevens op verzoek te verstrekken. Naar het oordeel van de rechtbank doet artikel 7:4 van de Awb geen afbreuk aan verweerders verplichtingen uit hoofde van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ. Voor zover aan één van beide bepalingen voorrang gegeven zou moeten worden, dan zou dat in dit geval artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ zijn. Dat is in deze immers de lex specialis.
6.8
Tussen partijen is voorts niet in geschil dat eiser (in het bezwaarschrift) heeft verzocht om verstrekking van de grondstaffel en de KOUDV- en liggingsfactoren, en dat verweerder daaraan geen gehoor heeft gegeven. De mededeling van verweerder ter zake van het ter inzage liggen van deze stukken moet naar het oordeel van de rechtbank in deze gelezen worden als een afwijzing van het verzoek (zie 1.2). Het is de rechtbank echter niet gebleken dat verweerder het verzoek op goede gronden heeft afgewezen. Dit betekent dat verweerder het verzoek ten onrechte heeft afgewezen.
6.9
Dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ heeft niet tot gevolg dat het beroep tegen de waardebeschikking gegrond is. De schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ raakt noch de waardebeschikking noch de (motivering van) de uitspraak op bezwaar. Nu de gegevens in beroep alsnog verstrekt zijn, is er ook geen reden om verweerder gelasten de gegevens alsnog aan eiser te verstekken. Vanwege de schending zal de rechtbank verweerder echter wel veroordelen tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en de door eiser ter zake van de beroepsprocedure gemaakte kosten voor rechtsbijstand. De rechtbank acht dit een gepast gevolg nu eiser in de beroepsprocedure de schending van artikel 40, tweede lid, Wet WOZ aan de orde dient te stellen, en verweerder pas in beroep (als bijlage bij het verweerschrift) referentieobjecten met grondstaffel en de KOUDV- en liggingsfactoren heeft verstrekt.
De waardebepaling
7. De rechtbank stelt voorop dat op verweerder de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de door hem voorgestane waarde per 1 januari 2019 niet hoger is dan de waarde in het economische verkeer op die datum. Als verweerder niet in deze bewijslast slaagt, komt de vraag aan de orde of eiser de door hem bepleite waarde aannemelijk heeft gemaakt.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond.
Griffierecht en proceskosten
10. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt (zie 6.8).
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten voor de beroepsprocedure (zie 6.9). Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden en
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Kattenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier, op datum 10 mei 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.
w.g. griffier w.g. rechter
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Verweerder wijst hierbij op Gerechtshof Amsterdam 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4618.
Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316.
Zie onder meer Gerechtshof Amsterdam 31 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2706 en Gerechtshof Amsterdam 15 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:88.
Vergelijk Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2667 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2326.
Zie respectievelijk Kamerstukken II 2012/2013, 33462, nr. 3, p. 18 en Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 10, p. 3.
Vergelijk onderdeel 5.37 van de conclusie van A-G IJzerman van 25 september 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1051.
Zie Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300 en Hoge Raad 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2132.