Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2020-01-24
ECLI:NL:RBNNE:2020:263
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,774 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 19/1917
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 januari 2020 in de zaak tussen
Stichting De Huismeesters, te Groningen,
Stichting Lefier, te Groningen,
Woningstichting Wierden en Borgen, te Bedum,
gezamenlijk: eiseressen
(gemachtigde: mr. E.A. van de Kuilen-Stap),
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
de Autoriteit Woningcorporaties, verweerder
(gemachtigden: mr. dr. H. Caglayankaya en mr. M. Maijer).
Procesverloop
Bij besluit van september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseressen om ontheffing van het verbod tot vermogensverschaffing aan een met hen verbonden onderneming op grond van de Woningwet afgewezen.
Bij besluit van 2 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard.
Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2019. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verder zijn namens Stichting De Huismeesters [bestuurder] (bestuurder) en [manager bedrijfsvoering] (manager bedrijfsvoering) aanwezig. Namens Stichting Lefier is [bedrijfsjurist] aanwezig (bedrijfsjurist). Namens Stichting Wierden en Borgen is [directeur-bestuurder] (directeur-bestuurder) aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Eiseressen zijn toegelaten instellingen in de zin van de Woningwet (wooncorporaties). Zij zijn (in)direct aandeelhouders van de vennootschap Vierwaarde B.V. (Vierwaarde).
1.2.
Bij besluit van 28 september 2017 is aan eiseressen door de Autoriteit Woningcorporaties, namens verweerder, een ontheffing verleend voor het (eenmalig) verstreken van vermogen aan Vierwaarde voor een bedrag van € 210.000,-.
1.3.
Op 9 augustus 2018, aangevuld op 26 september 2018, hebben eiseressen verweerder
verzocht om hen wederom een ontheffing te verlenen van het verbod tot het verstrekken van vermogen aan Vierwaarde. Ditmaal voor een bedrag van € 415.000,-. Dat bedrag is nodig om de juridische procedures waarin Vierwaarde is verwikkeld te kunnen voortzetten, zo hebben eiseressen aangevoerd. Vierwaarde heeft zelf vrijwel geen vermogen meer en zonder de vermogensverschaffing zal Vierwaarde de procedures moet staken. Eiseressen stellen dat in dat geval vermogen bestemd voor de volkshuisvesting uit de sector zal vloeien.
1.4.
Bij het primaire besluit heeft de Autoriteit Woningcorporaties, namens verweerder, geweigerd om aan eiseressen een ontheffing te verlenen op grond van artikel 12, tweede lid, onder a, van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (Btiv). Verweerder wijst er op dat de eerdere ontheffing is verleend, zodat eenmalig vermogen gestort kon worden. Verder stelt verweerder dat de uitkomst van de juridische procedures ongewis is. Voorts wijst verweerder er op dat bij de vorige aanvraag ook al werd gesteld dat het bedrag van de ontheffing voldoende is voor het afronden van de procedures en dat de nieuwe aanvraag leidt tot een verdubbeling van de proceskosten, zonder dat uitzicht is op een positieve uitkomst. Tevens stelt verweerder dat het volkshuisvestelijk belang van de procedure niet (meer) kan worden ingeschat.
1.5.
Op 14 februari 2019 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Na de hoorzitting heeft verweerder per e-mail aanvullende vragen gesteld, die door eiseressen zijn beantwoord.
1.6.
Verweerder heeft in het bestreden besluit zijn beslissing gehandhaafd. In reactie op de bezwaargronden heeft verweerder het volgende overwogen.
Het verzoek tot ontheffing is in feite een opvolgende aanvraag. Eiseressen hebben aangegeven dat de aanvraag een vervolg is op de eerdere aanvraag en zowel de partijen als de onderbouwing van de aanvraag komt in grote mate overeen met de vorige procedure. Gelet daarop en vanwege het feit dat eiseressen zelf refereren aan de eerdere stukken, stelt verweerder zich op het standpunt dat hij heeft kunnen meewegen dat reeds eerder ‘eenmalig’ ontheffing is verleend. Eiseressen hebben zelf aangegeven dat € 210.000,- voldoende zou zijn voor het voeren van de procedures en er is sprake van discretionaire ruimte in artikel 12 van het Btiv. Voorts meent verweerder dat hij heeft kunnen meewegen dat de uitkomst van de procedures (nog altijd) ongewis is en dat de (eerdere) kostenraming voor de betreffende procedures ruimschoots is overschreden. Verweerder stelt verder dat er alternatieven aanwezig zijn voor het financieren van de procedures. De afweging die verweerder maakt is of de ontheffing noodzakelijk is om te voorkomen dat de toegelaten instellingen gehouden zijn om schulden van de betrokken verbonden onderneming te voldoen. Verweerder bepaalt, anders dan eiseressen stellen, niet of de juridische procedures worden voortgezet. Voorts stelt verweerder dat er inderdaad een kans bestaat dat het beëindigen van de procedures het volkshuisvestelijke belang zal schaden in de vorm van financiële gevolgen voor de toegelaten instellingen en imagoschade. Daarom is in de eerdere procedure geoordeeld dat eenmalig vermogen verstrekt kon worden aan Vierwaarde om te kunnen procederen. Of de kansen aanzienlijk zijn vergroot in de lopende procedure is onduidelijk. Daarbij komt dat de kosten die gemoeid zijn met het procederen eveneens ten koste gaan van het volkshuisvestelijk vermogen. Bovendien betekent het niet verstrekken van vermogen aan Vierwaarde niet per definitie het einde van de procedures. Er zijn immers alternatieven voor het financieren van de procedures, zo stelt verweerder.
1.7.
Op 15 juli 2019 heeft tussen eiseressen en de Autoriteit Woningcorporaties een overleg plaatsgevonden. Verweerder heeft naar aanleiding van dat overleg geen reden gezien om alsnog de verzochte ontheffing te verlenen.
2. Hierna zal de rechtbank, voor zover van belang, ingaan op hetgeen eiseressen en verweerder in beroep naar voren hebben gebracht.
3. De rechtbank overweegt als volgt.
4. Op grond van artikel 21a, eerste lid, van de Woningwet verschaft een toegelaten instelling een met haar verbonden onderneming niet anderszins vermogen dan door middel van het bij haar oprichting storten van aandelenkapitaal of het aan die onderneming bij haar oprichting verstrekken van een lening als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel e. Zij stelt zich na die oprichting niet in enigerlei opzicht garant voor die onderneming.
Op grond van artikel 21a, derde lid, van de Woningwet kan een toegelaten instelling de minister verzoeken om een ontheffing van een verbod als bedoeld in het eerste lid, op welk verzoek de minister beslist overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur daaromtrent te geven voorschriften.
De algemene maatregel van bestuur is het Btiv.
Ingevolge artikel 12, tweede lid, van het Btiv kan de minister uitsluitend een ontheffing als bedoeld in artikel 21a, derde lid, van de Woningwet verlenen indien dat naar zijn oordeel noodzakelijk is:
a. om te voorkomen dat de toegelaten instelling gehouden is om schulden van de betrokken verbonden onderneming te voldoen; (…).
5. Uit de systematiek van de Woningwet volgt dat van een toegelaten instelling in normale situaties een bepaalde financiële discipline moet betrachten ten opzichte van aan haar verbonden ondernemingen. Uit de Nota van Toelichting bij het Btiv (Stb. 2015, 231, p. 141) volgt dat als die financiële discipline in bijzondere gevallen tot ongewenste gevolgen aanleiding geeft, een ontheffing kan worden verleend van het verbod tot vermogensverschaffing. Afwijking van dat verbod is slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk. Artikel 12 van het Btiv regelt de gevallen waarin door de Minister een ontheffing kan worden verleend. Gelet op de bewoordingen van deze bepaling gaat het om een discretionaire bevoegdheid van de Minister. Dat betekent dat de rechtbank in het kader van een geschil over de aanvraag van een ontheffing beoordeelt of verweerder bij het verlenen dan wel weigeren van de ontheffing in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Artikel 12 van het Btiv laat de Minister ruimte om van het verlenen van de ontheffing af te zien, ook als aannemelijk zou zijn dat een van de gevallen in dat artikel genoemd, zich voordoet. In dat geval beoordeelt de rechtbank of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de volkshuisvesting zich verzet tegen het verlenen van de ontheffing.
6. De rechtbank overweegt dat het (summier gemotiveerde) primaire besluit, zoals hierboven samengevat weergegeven onder 1.4., ten onrechte geen inzicht geeft in de door verweerder gemaakte belangenafweging. Dat gebrek is met het bestreden besluit niet hersteld.
In het bestreden besluit, zoals hierboven samengevat weergegeven onder 1.6., heeft verweerder een overzicht gegeven van de argumenten die door hem zijn betrokken bij zijn besluit en beargumenteerd waarom hij vindt dat het primaire besluit terecht is genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit op deze wijze niet draagkrachtig en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eiseressen te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 1.050,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Nieuwenhuis, voorzitter, en mr. M.W. de Jonge en mr. S. Dijkstra, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2020.
De voorzitter is buiten staat te tekenen.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.