Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2019-02-19
ECLI:NL:RBNNE:2019:5943
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Assen parketnummer 18/271439-20 Vonnis van de politierechter d.d. 21 juni 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 mei 2021. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 7 juni 2021. De kantonrechter heeft bepaald dat schriftelijk vonnis wordt gewezen. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens. Het ingestelde verzet De raadsman heeft namens verdachte, op de voet van artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering, op 25 maart 2021 verzet ingesteld tegen de ten aanzien van verdachte uitgevaardigde strafbeschikking van 6 november 2020. In het verzetschrift schrijft de raadsman dat verdachte stelt dat hij eerst recent een tweede aanmaning, gedateerd 22 februari 2021, heeft ontvangen en dat hij de strafbeschikking zelf en de eerste aanmaning niet heeft ontvangen. Voorts stelt verdachte - aldus de raadsman - dat hij dadelijk na ontvangst van de tweede aanmaning contact met de raadsman heeft opgenomen voor het doen van verzet. De kantonrechter heeft ter terechtzitting geconstateerd dat zich in het strafdossier ten name van verdachte geen stuk bevindt betreffende uitreiking van de strafbeschikking, de eerste en tweede aanmaning aan verdachte in persoon. Desgevraagd heeft de officier van justitie ter terechtzitting aangegeven dat die constatering juist is. De kantonrechter heeft ter terechtzitting beslist dat zij, gelet op deze stand van zaken, verdachte ontvankelijk acht in zijn verzet. Tenlastelegging Bij aanvang van zijn repliek heeft de officier van justitie - in reactie op het pleidooi van de raadsman - medegedeeld dat de raadsman juist heeft begrepen dat de tenlastelegging ziet op de demonstratie in Wijster “bij [bedrijfsnaam] ” en dat het demonstratieverbod is uitgevaardigd door de burgemeester “in zijn rol als (plv) voorzitter van de veiligheidsregio Drenthe”. Vervolgens heeft de officier van justitie een vordering wijziging tenlastelegging ingediend, strekkende tot toevoeging van voornoemde zinsneden in de tenlastelegging. De kantonrechter heeft de vordering - gehoord de raadsman - toegewezen. Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 8 juli 2020 te Wijster, al dan niet tezamen en in vereniging, een demonstratie bij [bedrijfsnaam] heeft gehouden en/of heeft deelgenomen aan een demonstratie waarvoor een verbod is gegeven, te weten demonstraties, waarbij landbouwvoertuigen worden ingezet op wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, de daaraan liggende parkeerterreinen en andere openbare plaatsen en/of heeft gehandeld in strijd met een door de burgemeester in zijn rol als (plv) voorzitter van de veiligheidsregio Drenthe op grond van artikel 5 lid 1 Wet openbare manifestaties gestelde voorschrift en/of beperking, immers heeft verdachte - bij die demonstratie gereden met en/of zich bevonden in een trekker en/of landbouwvoertuig en/of - deelgenomen aan die demonstratie waarbij trekkers en/of landbouwvoertuigen zijn ingezet. Opmerking vooraf Op de terechtzitting van 31 mei 2021 zijn de zaak van verdachte en de zaken van de medeverdachten tegelijkertijd behandeld. Kort vóór het begin van de terechtzitting bleek dat er veel publieke belangstelling voor het bijwonen van de zitting was, in het bijzonder van familie, vrienden en medestanders van verdachte en de medeverdachten. In verband met de door de rechtspraak genomen maatregelen om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, kon niet iedereen die dat wilde, de terechtzitting bijwonen. De kantonrechter heeft aan het begin van de terechtzitting aangegeven, dat dat haar speet. Gelet op deze beperkte mogelijkheid voor publiek om bij de terechtzitting Die ruimte is door verdachten niet ten volle benut. Verdachten hebben ervoor gekozen met elkaar te praten en bij elkaar te staan. Wel is het een gegeven dat niet op alle momenten de corona-maatregel van anderhalve meter afstand kon worden nageleefd. Echter, het was in het kader van de aanhoudingen en de afhandeling van deze strafzaken, de voorgeleiding en de verhoren, noodzakelijk dat zij werden opgehouden. Dit is op een ruimhartige manier, met zoveel mogelijk vrijheid en ruimte, toegepast. Vandaar ook dat telkens een deel van de verdachten op de luchtplaats mocht verblijven gedurende de ophouding. Al met al levert de gang van zaken geen inbreuk op enig recht op. Ten aanzien van het strafdossier in het algemeen heeft de officier van justitie het volgende naar voren gebracht. De opbouw van het strafdossier is niet optimaal te noemen. Vooraf was besloten dat handhaving van het demonstratieverbod met landbouwvoertuigen, voor de hand en in de rede lag. Daarbij was vooraf ingezet op vastlegging via camera’s, met het oog op een goede dossieropbouw. Dat is niet gelukt, niet goed gegaan. Als gevolg hiervan is nu sprake van een gemankeerd onderzoek naar de feiten, waarbij vooral moet worden afgegaan op de specifieke bevindingen van enkele verbalisanten ter plaatse en de eigen verklaringen van verdachten. Het gemankeerde onderzoek heeft ertoe geleid dat is besloten een groot aantal verdachten niet te vervolgen (c.q. aan hen geen strafbeschikking op te leggen), omdat de bewijspositie te mager was. In de visie van het Openbaar Ministerie geldt evenwel voor een aantal verdachten dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat zij zich hebben opgehouden bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam] , bij welke demonstratie gebruik werd gemaakt van landbouwvoertuigen. Er zijn diverse processen-verbaal waaruit blijkt dat er blokkades met onder meer landbouwvoertuigen bij [bedrijfsnaam] hebben plaatsgevonden en dat de landbouwvoertuigen en overige voertuigen vervolgens naar [naam] zijn gegaan. Een aanhouding van een persoon bij [naam] impliceert derhalve dat die persoon daarvóór aanwezig is geweest bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam] . Ten aanzien van de (in de zaak van verdachte en/of van een of meer van de medeverdachten van toepassing zijnde) verweren heeft de officier het volgende naar voren gebracht. Het verweer dat het demonstratieverbod (tijdelijke beperking op het demonstratierecht) niet voor verdachten gold omdat zij niet met een landbouwvoertuig, maar met de auto of anderszins aanwezig waren, gaat niet op. Want zij maakten aldus wel deel uit van een demonstratie waar landbouwvoertuigen bij werden ingezet. Dat was het geldende verbod. Het was een gezamenlijke demonstratie en een ieder had opzet op het delict. De social media oproep over een trekker-tour, was daar ook op gericht. Het verweer dat verdachten niet wisten dat er een demonstratieverbod was, gaat niet op. Gelet op de landelijke aandacht die voor het verbod bestond, is onaannemelijk dat verdachten “het niet wisten”, waarbij komt dat zij deel uitmaken van de boerengemeenschap waarin dit een hot topic was. Het verweer dat de doodlopende weg, waaraan het loonbedrijf van [naam] ligt, een “eigen weg” op het perceel van [naam] is en daarmee geen “openbare weg” is waarvoor het demonstratieverbod gold, is niet relevant. De overtreding - de demonstratie bij [bedrijfsnaam] - was op de openbare weg. Alle verdachten hebben daaraan deelgenomen. Vervolgens zijn de verdachten aangehouden bij het loonbedrijf [naam] . Voor zover verdachten niet zelf al hebben verklaard aanwezig te zijn geweest bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam] , kan gelet op de diverse processen-verbaal van bevindingen worden vastgesteld dat alle verdachten daarvóór aanwezig waren bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam] . Het verweer dat sprake is van willekeur, gaat niet op. Er zijn 54 mensen aangehouden geweest. Er zijn 28 zaken geseponeerd wegens onvoldoende bewijs, 6 personen zijn onterecht als verdachte aangemerkt, in é Dat kan niets anders betekenen dan dat de politie kennelijk de locatie op het terrein van [naam] als pleegplaats ziet. Een en ander betekent dat de dagvaarding niet voldoet aan de eis dat het verwijt voldoende duidelijk en concreet moet zijn, zodanig dat de verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen. De dagvaarding is om die reden nietig. Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. De politie ter plaatse was de regie kwijt. Er is lukraak, willekeurig en zonder aandacht te hebben voor de concrete individuele rol van een persoon aangehouden. Uit het dossier blijkt slechts dat een groep bij de hoofdingang van [bedrijfsnaam] stond. De groep verplaatste zich naar het terrein van [naam] . Uren later is iedereen op het erf aangehouden. Daar zijn verdachten bij, van wie de zaken nadien door het Openbaar Ministerie zijn geseponeerd. De enkele aanwezigheid op het terrein was kennelijk voldoende om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan deelname aan een verbonden demonstratie. De aanhoudingen zijn dan ook willekeurig. Ook de vervolgingsbeslissingen zijn willekeurig. De groep bij de poort van [bedrijfsnaam] is niet geïndividualiseerd. Er zijn aangehouden personen die met de eigen auto zijn gekomen en die dus niet kunnen worden gelinkt aan een tractor. Maar sommigen van hen worden wél vervolgd, en anderen zijn niet vervolgd. Een bijrijder op een tractor is niet vervolgd. Een persoon die naar eigen zeggen aan het kijken was in Wijster en nadien op het erf van [naam] stond, is niet vervolgd. De rollen van de personen die wel en niet zijn vervolgd, zijn volkomen inwisselbaar. Uit niets blijkt dat ten aanzien van sommige verdachten meer of belastend materiaal aanwezig is waardoor zij - anders dan aanwezigen met een vergelijkbare rol - wel vervolgd zouden moeten worden. Dit levert schending van het gelijkheidsbeginsel op. Uitgangspunt is dat aan het Openbaar Ministerie op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering een ruime, zelfstandige beslissingsbevoegdheid toekomt ten aanzien van de vraag of na het opsporingsonderzoek wel of niet tot vervolging wordt overgegaan. Deze ruime bevoegdheid wordt begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Gelet op de geconstateerde schending van het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel leidt vervolging van verdachte en de medeverdachten tot schending van de beginselen van een goede procesorde. Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Er kleven nogal wat gebreken aan het voorbereidende onderzoek. Zo is de aanhouding onrechtmatig. Er is geen sprake van een heterdaadsituatie. Buiten heterdaad mag bij een overtreding niet worden aangehouden. Bovendien is in sommige gevallen de locatie van de aanhouding aantoonbaar onjuist geverbaliseerd. Zo is in sommige gevallen geverbaliseerd dat is aangehouden op de [adres] (het adres van [bedrijfsnaam] ), terwijl de aanhouding was op de [adres] (het adres van loonbedrijf [naam] ). Het tekent de onzorgvuldigheid. Maar er is meer. In sommige gevallen is het met de voorgeleiding fout gegaan. Verdachten zijn, in strijd met de wet, niet voorgeleid of (te) laat voorgeleid. De politie heeft, bij de aanhouding en overbrenging van de arrestanten naar het politiebureau, en ook op het politiebureau zelf, de corona-regels niet nageleefd. Zo zijn de verdachten met meerdere personen tegelijk in een politiebusje geplaatst. Verder zijn zij met tientallen op de luchtplaats van het politiebureau in Assen geplaatst. Aldus is gehandeld in strijd met verschillende zorgplichtbepalingen. Gelet op al het vorenstaande is sprake van diverse onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidende onderzoek. Daar komt nog bij het gebrek aan verbalisering. Opvallend is dat over de wijze van aanhouding en het vervoer naar en het verblijf op het bureau van politie niets is gerelateerd. Al deze vormverzuimen tezamen dienen te leiden tot niet- Ten aanzien van de individuele rol van verdachte heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Verdachte [verdachte] nam deel aan een toertocht, bestaande uit zo’n vijf tot zeven trekkers. Als gevolg van de aanhouding op het erf van [naam] heeft verdachte verklaard. Nu sprake is van een onrechtmatige aanhouding, dient die verklaring te worden uitgesloten van het bewijs. Het is een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Voor zover de verklaring van verdachte niet wordt uitgesloten van het bewijs, zij opgemerkt dat, buiten de eigen verklaring van verdachte, uit niets blijkt dat hij bij [bedrijfsnaam] is geweest.Een verdachte kan volgens de wet niet alleen op zijn eigen verklaring worden veroordeeld. Gelet op al het voorgaande dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman. Repliek van de officier van justitie Het verweer dat de dagvaarding nietig is, dient te worden verworpen. Alle verdachten wisten dat het ging om een demonstratie bij [bedrijfsnaam] in Wijster. Er is sprake van aanhoudingen op heterdaad. De heterdaadsituatie liep door. De politie had enige tijd nodig om zich gereed te maken voor het doen van de aanhoudingen, gelet op het aantal aan te houden personen en de situatie ter plekke. Wat de vervolgingsbeslissingen betreft: na de demonstratie bij [bedrijfsnaam] met onder meer landbouwvoertuigen, zijn de landbouwvoertuigen en overige voertuigen vervolgens naar [naam] gegaan. Derhalve zou kunnen worden geconcludeerd dat de personen die bij [naam] waren, daarvóór aanwezig waren is bij de demonstratie. Bij de te nemen vervolgingsbeslissingen is evenwel besloten om niet louter te kijken naar de aanwezigheid bij [naam] , maar om eerst tot vervolging over te gaan als er méér was, zoals bijvoorbeeld een proces-verbaal van bevindingen en/of de verklaring van de betrokkene, waaruit de aanwezigheid bij de demonstratie ondubbelzinnig volgde. Juist is dat er vormfouten zijn gemaakt bij de voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie. Zo zijn er verdachten die te laat zijn voorgeleid. Ook zijn er verdachten die in het geheel niet zijn voorgeleid. In sommige gevallen duurde het afhoren te lang. Dit alles had te maken met het grote aantal verdachten. Het nadeel voor verdachten is beperkt gebleven. Vastgesteld kan worden dat er sprake is geweest van vormverzuim, zonder daar verdere consequenties aan te verbinden. Dat de coronamaatregelen niet (steeds) konden worden nageleefd, vloeit eveneens voort uit het grote aantal verdachten waarmee de politie werd geconfronteerd. Niet handhaven was geen optie. De raadsman heeft in zijn dupliek aangegeven dat hij de verweren handhaaft. Verklaring van verdachte ter terechtzitting Ter terechtzitting heeft verdachte, op vragen van de kantonrechter, verklaard dat hij blijft bij zijn bij de politie afgelegde verklaring. Die verklaring houdt in dat hij wel had gelezen dat er een verbod was op manifestaties met landbouwvoertuigen; dat hij op social media had gelezen dat er, op 8 juli 2020, in de buurt een toertocht bij nacht werd gehouden; dat hij daaraan heeft meegedaan met zijn trekker; dat hij, al toerende waarbij hij simpelweg bleef rijden achter de trekker die vóór hem reed, bij [bedrijfsnaam] in Wijster aanbelandde; dat hij daar toen is gestopt omdat iedereen daar stopte; en dat hij er niet van op de hoogte was dat er bij [bedrijfsnaam] zou worden gedemonstreerd. OORDEEL VAN DE KANTONRECHTER Hierboven zijn - meer uitgebreid - de standpunten van de officier van justitie en de verdediging weergegeven. Verder is de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte opgenomen. In het hiernavolgende geeft de kantonrechter haar oordeel. Op basis van de stukken in het dossier kan het volgende worden vastgesteld. Bij besluit van 6 juli 2020 heeft de plv. voorzitter van de Veiligheidsregio Drenthe - op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties - demonstraties, waarbij landbouwvoertuigen worden ingezet op wegen in de zin van de Wegenv Dit betekent dat de kantonrechter al hetgeen door de verdediging is opgeworpen omtrent de vraag of de weg die naar het loonbedrijf van [naam] leidt, al dan niet een weg is in de zin van de Wegenverkeersweg 1994 en/of is aan te merken als een andere openbare plaats, niet meer hoeft te bespreken. Het verweer wordt verworpen. 2. Het tweede verweer van de verdediging is dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Het Openbaar Ministerie kan slechts dan niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van een verdachte als sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Van een dergelijke inbreuk is in het onderhavige geval niet gebleken. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. Het standpunt van de verdediging dat de aanhoudingen van verdachte en de medeverdachten en de nadien genomen vervolgingsbeslissingen willekeurig zijn en (daarmee) in strijd met het gelijkheidsbeginsel, volgt de kantonrechter niet. Wat de aanhoudingen betreft: de verdediging stelt dat de enkele aanwezigheid op het terrein van [naam] kennelijk voldoende was om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan deelname aan een verboden demonstratie. De kantonrechter onderschrijft die stelling in zoverre dat ook zij uit het dossier afleidt dat bijkans alle aanwezigen op het terrein van [naam] zijn aangehouden, hetgeen impliceert dat de enkele aanwezigheid op dat terrein kennelijk voldoende was om een redelijk vermoeden van schuld aan te nemen. Maar dit komt de kantonrechter op zich ook niet vreemd voor. De politie had rond 06:30 uur de stoet bij [bedrijfsnaam] naar het terrein van [naam] zien wegrijden. Het gedeelte van de [adres] dat leidt naar de boerderij van [naam] is doodlopend. Gelet voorts op de afsluiting, door de politie, van de omliggende wegen, is niet onbegrijpelijk dat de politie ervoor heeft gekozen om ten aanzien van alle aanwezigen op het terrein van [naam] uit te gaan van een redelijk vermoeden van schuld en over te gaan tot aanhouding. Gelet op de situatie ter plaatse en het grote aantal deelnemers aan de verboden demonstratie, die na het opbreken ervan zich allemaal naar [naam] hebben begeven, gaat de kantonrechter ervan uit dat het voor de politie ook niet doenlijk is geweest om, ten tijde van de aanhoudingen, te individualiseren naar, zoals de raadsman kennelijk voorstaat, de rol van de verschillende verdachten bij de deelname aan de verboden demonstratie. De politie was daar ook niet toe gehouden. Wat de vervolgingsbeslissingen betreft: krachtens het in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het Openbaar Ministerie om te beslissen óf, en zo ja, wíe wordt vervolgd, waarbij het Openbaar Ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid heeft. Slechts indien zou blijken dat het Openbaar Ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kunnen raken. Van strijd met de redelijkheid en billijkheid is de kantonrechter niet gebleken. De verdediging stelt dat de rollen van diegenen die wel en niet zijn vervolgd, volkomen inwisselbaar zijn. Dit valt uit de door de verdediging naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet af te leiden. De kantonrechter verwijst in dit verband verder naar hetgeen de officier van justitie hierover ter terechtzitting heeft meegedeeld in zijn repliek, te weten dat bij de vervolgingsbeslissingen niet louter is gekeken naar de aanwezigheid bij [naam] , maar om eerst tot vervolging over te gaan bij nader bewijs. Het verweer wordt verworpen. 3 Het derde verweer van de verdediging is dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Volgens In die uitspraak oordeelt de voorzieningenrechter over een gelijksoortig besluit van - eveneens - 6 juli 2020 betreffende de Veiligheidsregio Groningen, dat dat besluit rechtmatig is te achten. De kantonrechter verenigt zich met de overwegingen van de voorzieningenrechter in de uitspraak van 9 juli 2020 en maakt die - mutatis mutandis - tot de hare. Aldus is naar het oordeel van de kantonrechter bij het nemen van het besluit van 6 juli 2020 van de plv. voorzitter van de Veiligheidsregio Drenthe voldaan aan de voorwaarden waaronder enige beperking van het recht op demonstratie op grond van artikel 9 van de Grondwet en artikel 11 van het EVRM is toegestaan; dat is ook voldoende uitgelegd in het besluit van 6 juli 2020 en van een disproportioneel besluit is geen sprake. Voorts heeft de verdediging nog aangevoerd dat niet is kunnen worden vastgesteld dat het besluit van de Veiligheidsregio Drenthe is gepubliceerd. De kantonrechter wijst op het proces-verbaal van 26 augustus 2020 van verbalisant [verbalisant] waarin is vermeld dat het besluit is verstrekt aan de media en is gepubliceerd op diverse internetsites. De verdenking Aan verdachte wordt verweten dat hij op 8 juli 2020 bij [bedrijfsnaam] in Wijster heeft deelgenomen aan een demonstratie waarvoor een verbod is gegeven, te weten een demonstratie, waarbij landbouwvoertuigen worden ingezet op wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 2020. De kantonrechter stelt vast dat verdachte in de ochtend van 8 juli 2020 is aangehouden op het terrein van [naam] (pagina 454 van het dossier). Verdachte heeft bij het politieverhoor op 22 juli 2020 (pagina 460 van het dossier) verklaard dat hij met zijn trekker meedeed aan een toertocht bij nacht en dat hij aanbelandde bij [bedrijfsnaam] in Wijster. De kantonrechter overweegt dat wat ook zij van het waarheidsgehalte van deze verklaring, deze verklaring er niet aan afdoet dat verdachte, met een trekker, heeft deelgenomen aan de demonstratie in Wijster. Conclusie De kantonrechter is van oordeel dat op grond van al het voorgaande het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Bewezenverklaring De kantonrechter acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij op 8 juli 2020 te Wijster bij [bedrijfsnaam] heeft deelgenomen aan een demonstratie waarvoor een verbod is gegeven, te weten demonstraties, waarbij landbouwvoertuigen worden ingezet op wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, de daaraan liggende parkeerterreinen en andere openbare plaatsen en heeft gehandeld in strijd met een door de burgemeester in zijn rol als (plv) voorzitter van de Veiligheidsregio Drenthe op grond van artikel 5 lid 1 Wet openbare manifestaties gestelde beperking, immers heeft verdachte - bij die demonstratie gereden met een trekker en - deelgenomen aan die demonstratie waarbij trekkers en landbouwvoertuigen zijn ingezet. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de kantonrechter dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: Handelen in strijd met een gegeven voorschrift, beperking of verbod als bedoeld in artikel 5 van de Wet openbare manifestaties Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De kantonrechter acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Bij de bepaling van de straf heeft de kantonrechter rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van