Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2019-02-19
ECLI:NL:RBNNE:2019:5941
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Assen parketnummer 18/271423-20 Vonnis van de politierechter d.d. 21 juni 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 mei 2021. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 7 juni 2021. De kantonrechter heeft bepaald dat schriftelijk vonnis wordt gewezen. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens. Het ingestelde verzet Verdachte heeft, op de voet van artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering, bij (gemotiveerd) verzetschrift van 18 november 2020 tijdig verzet ingesteld tegen de ten aanzien van verdachte uitgevaardigde strafbeschikking van 6 november 2020. Verdachte is ontvankelijk in zijn verzet. Tenlastelegging Bij aanvang van zijn repliek heeft de officier van justitie - in reactie op het pleidooi van de raadsman - medegedeeld dat de raadsman juist heeft begrepen dat de tenlastelegging ziet op de demonstratie in Wijster “bij [bedrijfsnaam] ” en dat het demonstratieverbod is uitgevaardigd door de burgemeester “in zijn rol als (plv) voorzitter van de veiligheidsregio Drenthe”. Vervolgens heeft de officier van justitie een vordering wijziging tenlastelegging ingediend, strekkende tot toevoeging van voornoemde zinsneden in de tenlastelegging. De kantonrechter heeft de vordering - gehoord de raadsman - toegewezen. Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks [adres] juli 2020 te Wijster, al dan niet tezamen en in vereniging, een demonstratie bij [bedrijfsnaam] heeft gehouden en/of heeft deelgenomen aan een demonstratie waarvoor een verbod is gegeven, te weten demonstraties, waarbij landbouwvoertuigen worden ingezet op wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, de daaraan liggende parkeerterreinen en andere openbare plaatsen en/of heeft gehandeld in strijd met een door de burgemeester in zijn rol als (plv) voorzitter van de veiligheidsregio Drenthe op grond van artikel 5 lid 1 Wet openbare manifestaties gestelde voorschrift en/of beperking, immers heeft verdachte - bij die demonstratie gereden met en/of zich bevonden in een trekker en/of landbouwvoertuig en/of - deelgenomen aan die demonstratie waarbij trekkers en/of landbouwvoertuigen zijn ingezet. Opmerking vooraf Op de terechtzitting van 31 mei 2021 zijn de zaak van verdachte en de zaken van de medeverdachten tegelijkertijd behandeld. Kort vóór het begin van de terechtzitting bleek dat er veel publieke belangstelling voor het bijwonen van de zitting was, in het bijzonder van familie, vrienden en medestanders van verdachte en de medeverdachten. In verband met de door de rechtspraak genomen maatregelen om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, kon niet iedereen die dat wilde, de terechtzitting bijwonen. De kantonrechter heeft aan het begin van de terechtzitting aangegeven, dat dat haar speet. Gelet op deze beperkte mogelijkheid voor publiek om bij de terechtzitting aanwezig te zijn, heeft de kantonrechter ervoor gekozen om, in dit vonnis, het standpunt van de officier van justitie en het standpunt van de raadsman meer uitgebreid weer te geven. Dit, om diegenen die de terechtzitting hadden willen bijwonen, toch zoveel mogelijk in de gelegenheid te stellen, kennis te nemen van het standpunt van enerzijds de officier van justitie en anderzijds de verdediging. Deze meer uitgebreide weergave van de standpunten van de officier van justitie en de raadsman maakt dit vonnis wel lang. Daarom volgt hier een leeswijzer: standpunt van de officier van justitie: pagina 2 tot en met 4; standpunt van de verdediging: pagina 4 tot en met 7; repliek en dupliek: pagina 7; verklaring ter terechtzitting van verdachte: pagina [adres] ; oordeel van de kantonrechter: De opbouw van het strafdossier is niet optimaal te noemen. Vooraf was besloten dat handhaving van het demonstratieverbod met landbouwvoertuigen, voor de hand en in de rede lag. Daarbij was vooraf ingezet op vastlegging via camera’s, met het oog op een goede dossieropbouw. Dat is niet gelukt, niet goed gegaan. Als gevolg hiervan is nu sprake van een gemankeerd onderzoek naar de feiten, waarbij vooral moet worden afgegaan op de specifieke bevindingen van enkele verbalisanten ter plaatse en de eigen verklaringen van verdachten. Het gemankeerde onderzoek heeft ertoe geleid dat is besloten een groot aantal verdachten niet te vervolgen (c.q. aan hen geen strafbeschikking op te leggen), omdat de bewijspositie te mager was. In de visie van het Openbaar Ministerie geldt evenwel voor een aantal verdachten dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat zij zich hebben opgehouden bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam] , bij welke demonstratie gebruik werd gemaakt van landbouwvoertuigen. Er zijn diverse processen-verbaal waaruit blijkt dat er blokkades met onder meer landbouwvoertuigen bij [bedrijfsnaam] hebben plaatsgevonden en dat de landbouwvoertuigen en overige voertuigen vervolgens naar [naam] zijn gegaan. Een aanhouding van een persoon bij [naam] impliceert derhalve dat die persoon daarvóór aanwezig is geweest bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam] . Ten aanzien van de (in de zaak van verdachte en/of van een of meer van de medeverdachten van toepassing zijnde) verweren heeft de officier het volgende naar voren gebracht. Het verweer dat het demonstratieverbod (tijdelijke beperking op het demonstratierecht) niet voor verdachten gold omdat zij niet met een landbouwvoertuig, maar met de auto of anderszins aanwezig waren, gaat niet op. Want zij maakten aldus wel deel uit van een demonstratie waar landbouwvoertuigen bij werden ingezet. Dat was het geldende verbod. Het was een gezamenlijke demonstratie en een ieder had opzet op het delict. De social media oproep over een trekker-tour, was daar ook op gericht. Het verweer dat verdachten niet wisten dat er een demonstratieverbod was, gaat niet op. Gelet op de landelijke aandacht die voor het verbod bestond, is onaannemelijk dat verdachten “het niet wisten”, waarbij komt dat zij deel uitmaken van de boerengemeenschap waarin dit een hot topic was. Het verweer dat de doodlopende weg, waaraan het loonbedrijf van [naam] ligt, een “eigen weg” op het perceel van [naam] is en daarmee geen “openbare weg” is waarvoor het demonstratieverbod gold, is niet relevant. De overtreding - de demonstratie bij [bedrijfsnaam] - was op de openbare weg. Alle verdachten hebben daaraan deelgenomen. Vervolgens zijn de verdachten aangehouden bij het loonbedrijf [naam] . Voor zover verdachten niet zelf al hebben verklaard aanwezig te zijn geweest bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam] , kan gelet op de diverse processen-verbaal van bevindingen worden vastgesteld dat alle verdachten daarvóór aanwezig waren bij de demonstratie bij [bedrijfsnaam] . Het verweer dat sprake is van willekeur, gaat niet op. Er zijn 54 mensen aangehouden geweest. Er zijn 28 zaken geseponeerd wegens onvoldoende bewijs, 6 personen zijn onterecht als verdachte aangemerkt, in één zaak achtte het openbaar ministerie zich niet-ontvankelijk en er zijn 19 strafbeschikkingen uitgevaardigd. De vervolgingsbeslissing laat zich slechts in beperkte mate toetsen. Bij het beoordelen van het bewijs is ruimhartig en in het voordeel van verdachten geredeneerd. Dit heeft geleid tot veel sepots, maar daardoor kan zeker niet worden gezegd dat er lichtzinnig zou zijn overgegaan tot het opleggen van strafbeschikkingen. Er is telkens een redelijke en billijke afweging gemaakt. De vervolging c.q. het opleggen van een strafbeschikking diende een voor strafrechtelijke handhaving beschermd belang, namelijk dat als er een verbod wordt ingesteld om onder meer de verkeersveiligheid te dienen, dit gehandhaafd wordt en het moedwillig overtreden ervan niet kan worden getolereerd Daar zijn verdachten bij, van wie de zaken nadien door het Openbaar Ministerie zijn geseponeerd. De enkele aanwezigheid op het terrein was kennelijk voldoende om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan deelname aan een verbonden demonstratie. De aanhoudingen zijn dan ook willekeurig. Ook de vervolgingsbeslissingen zijn willekeurig. De groep bij de poort van [bedrijfsnaam] is niet geïndividualiseerd. Er zijn aangehouden personen die met de eigen auto zijn gekomen en die dus niet kunnen worden gelinkt aan een tractor. Maar sommigen van hen worden wél vervolgd, en anderen zijn niet vervolgd. Een bijrijder op een tractor is niet vervolgd. Een persoon die naar eigen zeggen aan het kijken was in Wijster en nadien op het erf van [naam] stond, is niet vervolgd. De rollen van de personen die wel en niet zijn vervolgd, zijn volkomen inwisselbaar. Uit niets blijkt dat ten aanzien van sommige verdachten meer of belastend materiaal aanwezig is waardoor zij - anders dan aanwezigen met een vergelijkbare rol - wel vervolgd zouden moeten worden. Dit levert schending van het gelijkheidsbeginsel op. Uitgangspunt is dat aan het Openbaar Ministerie op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering een ruime, zelfstandige beslissingsbevoegdheid toekomt ten aanzien van de vraag of na het opsporingsonderzoek wel of niet tot vervolging wordt overgegaan. Deze ruime bevoegdheid wordt begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Gelet op de geconstateerde schending van het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel leidt vervolging van verdachte en de medeverdachten tot schending van de beginselen van een goede procesorde. Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Er kleven nogal wat gebreken aan het voorbereidende onderzoek. Zo is de aanhouding onrechtmatig. Er is geen sprake van een heterdaadsituatie. Buiten heterdaad mag bij een overtreding niet worden aangehouden. Bovendien is in sommige gevallen de locatie van de aanhouding aantoonbaar onjuist geverbaliseerd. Zo is in sommige gevallen geverbaliseerd dat is aangehouden op de [adres] (het adres van [bedrijfsnaam] ), terwijl de aanhouding was op de [adres] (het adres van loonbedrijf [naam] ). Het tekent de onzorgvuldigheid. Maar er is meer. In sommige gevallen is het met de voorgeleiding fout gegaan. Verdachten zijn, in strijd met de wet, niet voorgeleid of (te) laat voorgeleid. De politie heeft, bij de aanhouding en overbrenging van de arrestanten naar het politiebureau, en ook op het politiebureau zelf, de corona-regels niet nageleefd. Zo zijn de verdachten met meerdere personen tegelijk in een politiebusje geplaatst. Verder zijn zij met tientallen op de luchtplaats van het politiebureau in Assen geplaatst. Aldus is gehandeld in strijd met verschillende zorgplichtbepalingen. Gelet op al het vorenstaande is sprake van diverse onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidende onderzoek. Daar komt nog bij het gebrek aan verbalisering. Opvallend is dat over de wijze van aanhouding en het vervoer naar en het verblijf op het bureau van politie niets is gerelateerd. Al deze vormverzuimen tezamen dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Ten aanzien van het bewijs heeft de raadsman het volgende naar voren gebracht. Ten laste is gelegd dat is deelgenomen aan een demonstratie waarvoor een verbod is gegeven. Blijkens de tenlastelegging is dit verbod door de burgemeester uitgevaardigd. Dit is onjuist. Het is een verbod van de plv. voorzitter van de Veiligheidsregio. Om deze reden kan het deel van de tenlastelegging na ‘en/of’ niet bewezen worden. In artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 is ‘wegen’ gedefinieerd als: ‘alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden’. Openbare wegen en paden dus. De toegangsweg (vanaf de doorgaande [adres] ) naar het erf van [naam] is een pad (inmiddels asfaltweggetje). Dit pad is niet een voor het openbaar verkeer openstaande weg. H Alle verdachten wisten dat het ging om een demonstratie bij [bedrijfsnaam] in Wijster. Er is sprake van aanhoudingen op heterdaad. De heterdaadsituatie liep door. De politie had enige tijd nodig om zich gereed te maken voor het doen van de aanhoudingen, gelet op het aantal aan te houden personen en de situatie ter plekke. Wat de vervolgingsbeslissingen betreft: na de demonstratie bij [bedrijfsnaam] met onder meer landbouwvoertuigen, zijn de landbouwvoertuigen en overige voertuigen vervolgens naar [naam] gegaan. Derhalve zou kunnen worden geconcludeerd dat de personen die bij [naam] waren, daarvóór aanwezig waren is bij de demonstratie. Bij de te nemen vervolgingsbeslissingen is evenwel besloten om niet louter te kijken naar de aanwezigheid bij [naam] , maar om eerst tot vervolging over te gaan als er méér was, zoals bijvoorbeeld een proces-verbaal van bevindingen en/of de verklaring van de betrokkene, waaruit de aanwezigheid bij de demonstratie ondubbelzinnig volgde. Juist is dat er vormfouten zijn gemaakt bij de voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie. Zo zijn er verdachten die te laat zijn voorgeleid. Ook zijn er verdachten die in het geheel niet zijn voorgeleid. In sommige gevallen duurde het afhoren te lang. Dit alles had te maken met het grote aantal verdachten. Het nadeel voor verdachten is beperkt gebleven. Vastgesteld kan worden dat er sprake is geweest van vormverzuim, zonder daar verdere consequenties aan te verbinden. Dat de coronamaatregelen niet (steeds) konden worden nageleefd, vloeit eveneens voort uit het grote aantal verdachten waarmee de politie werd geconfronteerd. Niet handhaven was geen optie. De raadsman heeft in zijn dupliek aangegeven dat hij de verweren handhaaft. Verklaring van verdachte ter terechtzitting Ter terechtzitting heeft verdachte, op vragen van de kantonrechter, verklaard dat hij blijft bij zijn bij de politie afgelegde verklaring. Die verklaring houdt in dat hij in de vroege ochtend van 8 juli 2020 in Havelterberg is staande gehouden door de politie; dat hij daar met een landbouwvoertuig was; dat de politie hem toen heeft gezegd dat hij niet welkom was in Drenthe met een landbouwvoertuig; dat hij daarop de tractor naar huis heeft gebracht; dat hij vervolgens met de auto naar Wijster is gegaan; en dat hij daar, bij de ingang van [bedrijfsnaam] , heeft gedemonstreerd tegen het stikstofbeleid. Verdachte heeft verklaard dat hij van de politie had begrepen dat hij niet mocht demonsteren met een landbouwvoertuig, maar dat hij niet van de politie had begrepen dat hij ook niet mocht demonstreren met de auto. OORDEEL VAN DE KANTONRECHTER Hierboven zijn - meer uitgebreid - de standpunten van de officier van justitie en de verdediging weergegeven. Verder is de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte opgenomen. In het hiernavolgende geeft de kantonrechter haar oordeel. Op basis van de stukken in het dossier kan het volgende worden vastgesteld. Bij besluit van 6 juli 2020 heeft de plv. voorzitter van de Veiligheidsregio Drenthe - op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties - demonstraties, waarbij landbouwvoertuigen worden ingezet op wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, de daaraan liggende parkeerterreinen en andere openbare plaatsen, verboden. In het besluit is vermeld dat dit verbod geldt in het gebied van de Veiligheidsregio Drenthe, dat wil zeggen in de provincie Drenthe, voor de periode ingaande op maandag 6 juli 2020 om 20:00 uur en eindigend op maandag 13 juli [2020] om 07:00 uur. In het dossier bevinden zich diverse processen-verbaal van bevindingen over de gebeurtenissen op 8 juli 2020. Zo volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2020 van verbalisant [verbalisant] (pagina 6 e.v. van het dossier) dat die dag in ieder geval vanaf 04:30 uur bij de hoofdentree van [bedrijfsnaam] meerdere landbouwvoertuigen, vrachtwagens en personenauto’s stonden die de hoofdentree blokkeerden. De politie heeft daarop de omliggende wegen afgeslo Het standpunt van de verdediging dat de aanhoudingen van verdachte en de medeverdachten en de nadien genomen vervolgingsbeslissingen willekeurig zijn en (daarmee) in strijd met het gelijkheidsbeginsel, volgt de kantonrechter niet. Wat de aanhoudingen betreft: de verdediging stelt dat de enkele aanwezigheid op het terrein van [naam] kennelijk voldoende was om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan deelname aan een verboden demonstratie. De kantonrechter onderschrijft die stelling in zoverre dat ook zij uit het dossier afleidt dat bijkans alle aanwezigen op het terrein van [naam] zijn aangehouden, hetgeen impliceert dat de enkele aanwezigheid op dat terrein kennelijk voldoende was om een redelijk vermoeden van schuld aan te nemen. Maar dit komt de kantonrechter op zich ook niet vreemd voor. De politie had rond 06:30 uur de stoet bij [bedrijfsnaam] naar het terrein van [naam] zien wegrijden. Het gedeelte van de [adres] dat leidt naar de boerderij van [naam] is doodlopend. Gelet voorts op de afsluiting, door de politie, van de omliggende wegen, is niet onbegrijpelijk dat de politie ervoor heeft gekozen om ten aanzien van alle aanwezigen op het terrein van [naam] uit te gaan van een redelijk vermoeden van schuld en over te gaan tot aanhouding. Gelet op de situatie ter plaatse en het grote aantal deelnemers aan de verboden demonstratie, die na het opbreken ervan zich allemaal naar [naam] hebben begeven, gaat de kantonrechter ervan uit dat het voor de politie ook niet doenlijk is geweest om, ten tijde van de aanhoudingen, te individualiseren naar, zoals de raadsman kennelijk voorstaat, de rol van de verschillende verdachten bij de deelname aan de verboden demonstratie. De politie was daar ook niet toe gehouden. Wat de vervolgingsbeslissingen betreft: krachtens het in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het Openbaar Ministerie om te beslissen óf, en zo ja, wíe wordt vervolgd, waarbij het Openbaar Ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid heeft. Slechts indien zou blijken dat het Openbaar Ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kunnen raken. Van strijd met de redelijkheid en billijkheid is de kantonrechter niet gebleken. De verdediging stelt dat de rollen van diegenen die wel en niet zijn vervolgd, volkomen inwisselbaar zijn. Dit valt uit de door de verdediging naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet af te leiden. De kantonrechter verwijst in dit verband verder naar hetgeen de officier van justitie hierover ter terechtzitting heeft meegedeeld in zijn repliek, te weten dat bij de vervolgingsbeslissingen niet louter is gekeken naar de aanwezigheid bij [naam] , maar om eerst tot vervolging over te gaan bij nader bewijs. Het verweer wordt verworpen. 3 Het derde verweer van de verdediging is dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Volgens de verdediging is er sprake van zodanige vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek dat deze, alle tezamen, dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De kantonrechter volgt de verdediging hierin niet. Zij overweegt daartoe als volgt. Anders dan de verdediging stelt, is de aanhouding op heterdaad van verdachte (en de medeverdachten) rechtmatig. De kantonrechter verwijst naar hetgeen zij hiervoor onder 1, bij de bespreking van het eerste verweer van de verdediging, reeds heeft verwogen over de aanhouding op heterdaad. De verdediging heeft erop gewezen dat in sommige gevallen is geverbaliseerd dat is aangehouden op het adres [adres] , terwijl is aangehouden op het adres [adres] . De kantonrechter kan de verdediging volgen waar zij stelt dat dit slordig is. De kantonrechter verbindt hier geen consequenties aan. In sommige gevallen zijn de verdachten niet voorgeleid o De kantonrechter wijst op het proces-verbaal van 26 augustus 2020 van verbalisant Van de Belt waarin is vermeld dat het besluit is verstrekt aan de media en is gepubliceerd op diverse internetsites. De verdenking Aan verdachte wordt verweten dat hij op 8 juli 2020 bij [bedrijfsnaam] in Wijster heeft deelgenomen aan een demonstratie waarvoor een verbod is gegeven, te weten een demonstratie, waarbij landbouwvoertuigen worden ingezet op wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 2020. De kantonrechter stelt vast dat verdachte in de ochtend van 8 juli 2020 is aangehouden op het terrein van [naam] (pagina 374 van het dossier). Verdachte heeft bij het politieverhoor op 22 juli 2020 (pagina 380 e.v. van het dossier) verklaard dat hij met de auto bij de ingang van [bedrijfsnaam] in Wijster heeft gedemonstreerd tegen het stikstofbeleid. Verdachte heeft verklaard dat hij niet had begrepen dat ook niet mocht worden gedemonstreerd met de auto. Wat ook zij van het waarheidsgehalte van deze verklaring van verdachte, dit doet er niet aan af dat hij met een auto bij de demonstratie met landbouwvoertuigen aanwezig was, hetgeen was verboden. De kantonrechter merkt hierbij nog op dat de - ook door de raadsman geponeerde - stelling dat het zou zijn toegestaan om met een auto bij de demonstratie aanwezig te zijn omdat een auto geen landbouwvoertuig is, berust op een onjuiste lezing van het besluit van 6 juli 2020 van de Veiligheidsregio Drenthe. Conclusie De kantonrechter is van oordeel dat op grond van al het voorgaande het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Bewezenverklaring De kantonrechter acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: hij op 8 juli 2020 te Wijster bij [bedrijfsnaam] heeft deelgenomen aan een demonstratie waarvoor een verbod is gegeven, te weten demonstraties, waarbij landbouwvoertuigen worden ingezet op wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, de daaraan liggende parkeerterreinen en andere openbare plaatsen en heeft gehandeld in strijd met een door de burgemeester in zijn rol als (plv) voorzitter van de Veiligheidsregio Drenthe op grond van artikel 5 lid 1 Wet openbare manifestaties gestelde beperking, immers heeft verdachte - deelgenomen aan die demonstratie waarbij trekkers en landbouwvoertuigen zijn ingezet. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de kantonrechter dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: Handelen in strijd met een gegeven voorschrift, beperking of verbod als bedoeld in artikel 5 van de Wet openbare manifestaties Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De kantonrechter acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Bij de bepaling van de straf heeft de kantonrechter rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 mei 2021, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman. De kantonrechter heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelname aan een verboden demonstratie. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de kantonrechter vast dat het handelen van verdachte en de medeverdachten zijn oorsprong vindt in de toegenomen druk op de agrarische sector, onder meer door de huidige stikstofcrisis die voor hen grote economische onzekerheid meebrengt. De kantonrec