Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2018-06-01
ECLI:NL:RBNNE:2018:5524
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,678 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 17/2876 en LEE 17/3458
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2018 in de zaken tussen
[naam] , te Leeuwarden, eiser
(gemachtigde: mr. J.J. Achterveld),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden,
verweerder
(gemachtigde: H. Inia).
Procesverloop
In de zaak met procedurenummer 17/2876
Bij besluit van 8 maart 2017 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eisers uitkering in het kader van de Participatiewet (PW) met ingang van 4 november 2014 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.
Bij besluit van 17 juli 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
In de zaak met procedurenummer 17/3458
Bij besluit van 16 mei 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor een uitkering krachtens de PW. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.
Bij besluit van 17 juli 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 16 april 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
1.1
Eiser ontvangt vanaf juli 2009 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Als woonadres heeft eiser bij verweerder het adres [adres] te Leeuwarden (hierna: [adres] ) opgegeven. Op 12 oktober 2016 heeft verweerder een anonieme tip ontvangen, inhoudende dat eiser niet woont op het door hem opgegeven adres. Verweerder heeft daarop een onderzoek gestart. Het onderzoek heeft geresulteerd in het primaire besluit 1, waarin eisers uitkering per 4 november 2014 op grond artikel 54, derde lid, van de PW is ingetrokken. Het door eiser tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.
1.2
Op 17 maart 2017 heeft eiser bij verweerder een uitkering krachtens de PW aangevraagd. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat uit onderzoek is gebleken dat eiser zijn hoofdverblijf nog steeds niet heeft aan de [adres] . Het door eiser tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank overweegt als volgt.
In de zaak met procedurenummer 17/2876
2.1
In artikel 17, eerste lid, van de PW is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Indien de betrokkene niet aan deze inlichtingverplichting voldoet, is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate, belanghebbende recht op bijstand heeft.
2.2
Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.
2.3
De verstrekking van juiste en volledige informatie over het woonadres is van essentieel belang voor de verlening van bijstand. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), bijvoorbeeld de uitspraak van 26 september 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3306), dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
2.4
Uit de door verweerder bij eisers waterleverancier opgevraagde verbruiksgegevens blijkt dat op het uitkeringsadres in de periode van 4 november 2014 tot en met 30 januari 2017 een waterverbruik is geregistreerd van 2 m³, wat neerkomt op minder dan 1 m³ op jaarbasis. Uitgaande van een landelijk gemiddeld waterverbruik van ongeveer 46 m³ per persoon per jaar, moet dit worden aangemerkt als een extreem laag waterverbruik. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, bijvoorbeeld de uitspraak van 18 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1646, rechtvaardigt een extreem laag waterverbruik de vooronderstelling dat de betrokkene niet verblijft op het opgegeven adres. Het is dan aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. De stelling van eiser dat hij zeer veel bij derden verblijft, ter onderbouwing waarvan hij verklaringen van derden in het geding heeft gebracht, en dat hij zijn was bij zijn moeder doet, is naar het oordeel van de rechtbank geen afdoende verklaring voor het extreem lage waterverbruik.
2.5
Dat eiser in de te beoordelen periode feitelijk niet heeft verbleven op het uitkeringsadres, vindt voorts steun in het lage gasverbruik (422 m³ over een periode van 19 maanden, terwijl het landelijk gemiddelde op 940 m³ per jaar ligt), in het lage elektraverbruik (144 kWh in 19 maanden, terwijl het landelijk gemiddelde op 1.870 kWh per jaar ligt) en in de bevindingen tijdens het huisbezoek. Tijdens het huisbezoek is geconstateerd dat de koelkast nagenoeg leeg was, er erg weinig voedsel in het huis lag, in de wc een bruine ring zat, wat erop duidt dat de wc een periode heeft drooggestaan, er zeer weinig kleding in het huis lag, er zeer weinig verzorgingsspullen in het huis lagen, de tv niet was aangesloten, er geen recente poststukken in de woning lagen en de klok stilstond. Op basis van alle voornoemde feiten en omstandigheden, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht kunnen constateren dat eiser zijn hoofdverblijf niet had aan de [adres] . Hetgeen eiser hierover (ter zitting) heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.
2.6
Uit het voorgaande volgt dat eiser in strijd met de op hem rustende inlichtingen-verplichting niet heeft gemeld dat hij in de te beoordelen periode niet zijn feitelijke verblijfplaats op het uitkeringsadres had, waardoor niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, eiser in die periode verkeerde in bijstand behoeftige omstandigheden. Verweerder heeft dan ook op juiste gronden de bijstand van eiser over de te beoordelen periode ingetrokken.
2.7
In het aanvullende beroepschrift, heeft eiser verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 18 december 2017. Dit advies heeft betrekking op het besluit van verweerder van 7 september 2017 om eiser een boete op te leggen, tegen welk besluit eiser een bezwaarschrift heeft ingediend. De bezwaarschriftencommissie is van mening dat verweerder niet heeft aangetoond dat eiser onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, zodat verweerder niet bevoegd was om een boete op te leggen. Eiser is van mening dat verweerder, in navolging hiervan, dan ook niet bevoegd was om de uitkering in te trekken. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Uit de jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3365) blijkt dat als het gaat om het opleggen van een boete, het college dient aan te tonen dat de betrokkene de inlichtingenplicht heeft geschonden. Dat is anders als het gaat om de intrekking, waar het college slechts aannemelijk hoeft te maken dat de betrokkene de inlichtingenplicht heeft geschonden. Uit het feit dat de bezwaarschriftencommissie van verweerders gemeente adviseert het bezwaarschrift tegen het boetebesluit gegrond te verklaren, kan dus niet worden afgeleid dat de bezwaarschriftencommissie ook in de zaak met betrekking tot de intrekking tot dezelfde conclusie zou moeten komen. De rechtbank gaat hier dan ook verder aan voorbij.
2.8
Het beroep is ongegrond.
2.9
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
In de zaak met procedurenummer 17/3458
2.10
Indien een bijstandsuitkering is beëindigd of ingetrokken, ligt het, in geval van een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden, in die zin dat hij nu wel voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor bijstand (zie ECLI:NL:CRVB:2017:423). De bewijslast dat er iets is veranderd, ligt derhalve bij de aanvrager. De rechtbank is van oordeel dat dit uitgangspunt ook van toepassing is in de situatie van eiser. Het is derhalve aan eiser om aan te tonen dat het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven aan de [adres] lag.
2.11
De rechtbank is van oordeel dat eiser in die bewijslast niet is geslaagd. Verweerder heeft op 30 januari 2017 en op 13 april 2017 een huisbezoek bij eiser afgelegd. Tijdens die huisbezoeken zijn de meterstanden opgenomen.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen in de zaken met procedurenummers 17/2876 en 17/3458 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.