Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2018-11-26
ECLI:NL:RBNNE:2018:4909
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
942 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 18/3266
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 november 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J.S. Visser),
en
de burgemeester van de gemeente Stadskanaal, verweerder
(gemachtigden: G.D.R. Leenstra-Verweij en D.Y.Rexwinkel-Halman).
Procesverloop
Bij brief van 11 oktober 2018 heeft verweerder aan verzoekster kenbaar gemaakt over te gaan tot een persoonsgerichte aanpak. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat de instellingen die bij de persoonsgerichte aanpak zijn betrokken de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in acht nemen.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 13 november 2018 heeft verzoekster aanvullende stukken aan de rechtbank doen toekomen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Bij brief van 11 oktober 2018 heeft verweerder aan verzoekster kenbaar gemaakt over te gaan tot een persoonsgerichte aanpak. In de brief heeft verweerder aangekondigd dat verweerder en andere instanties zoals politie en woningbouwvereniging extra op verzoekster zal gaan letten. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat de instellingen die bij de persoonsgerichte aanpak zijn betrokken de AVG in acht nemen.
2 Verzoekster heeft bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelet op de onduidelijkheden die thans bij verzoekster bestaan.
3 De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of de brief van 11 oktober 2018 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend omdat de brief geen rechtgevolgen heeft.
4 Voor zover het bezwaar ziet op de omstandigheid dat verweerder met in achtneming van de AVG gegevens heeft gedeeld in het kader van een persoonsgerichte aanpak is de voorzieningenrechter van oordeel dat de brief ook in zoverre geen besluit behelst als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Als verzoekster bezwaar heeft tegen het verwerken van haar persoonsgegevens kan zij een klacht indienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens dan wel bezwaar maken als bedoeld in artikel 21 van de AVG, wat zij, zoals ter zitting is gebleken, heeft gedaan.
5 De voorzieningenrechter vindt steun voor haar uitspraak in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3484).
6 Omdat slechts tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bezwaar kan worden gemaakt heeft het bezwaarschrift geen redelijke kans van slagen. Onder deze omstandigheden dient het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen. Evenmin bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, voorzieningenrechter , in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2018.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.