Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2018-10-05
ECLI:NL:RBNNE:2018:3918
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Bodemzaak
3,661 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 17/3467
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 oktober 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H. Veldman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: M. Hoogeveen).
Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder vastgesteld dat eiser per 6 juli 2015 geen recht heeft op een Ziektewet (ZW)-uitkering.
Bij besluit van 8 maart 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder vastgesteld dat eiser per 2 september 2013 geen recht meer heeft op een werkloosheidsuitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).
Bij besluit van 15 maart 2017 (het primaire besluit III) heeft verweerder vastgesteld dat eiser per 10 september 2009 geen ziekengeld toekomt op de grond dat hij per die datum niet verzekerd was ingevolge de ZW.
Bij besluit van 15 maart 2017 (het primaire besluit IV) heeft verweerder vastgesteld dat eiser met ingang van 10 februari 2014 geen aanspraak maakt op een ZW-uitkering en dat de uitkering over de periode van 10 februari 2014 tot en met 10 december 2014 wordt ingetrokken.
Bij besluit van 23 maart 2017 (het primaire besluit V) heeft verweerder vastgesteld dat eiser per 8 september 2011 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Bij besluit van 29 maart 2017 (het primaire besluit VI) heeft verweerder een bedrag van
€ 13.041,58 aan ten onrechte uitgekeerde WIA-uitkering van eiser teruggevorderd over de periode van 8 september 2011 tot en met 22 januari 2013.
Bij besluit van 7 april 2017 (het primaire besluit VII) heeft verweerder een bedrag van
€ 27.404,23 bruto aan ten onrechte uitgekeerde WW-uitkering van eiser teruggevorderd over de perioden van 2 september 2013 tot en met 5 juli 2015 en van 23 januari 2017 tot en met 26 februari 2017.
Bij besluit van 10 april 2017 (het primaire besluit VIII) heeft verweerder een bedrag van
€ 84.352,12 aan ten onrechte uitgekeerde ZW-uitkering van eiser teruggevorderd over de perioden van 14 september 2009 tot en met 11 september 2009, van 10 februari 2014 tot en met 14 december 2014 en van 6 juli 2015 tot en met 24 januari 2017. Tevens heeft verweerder de verstrekte toeslag van eiser teruggevorderd over de periode van 14 september 2009 tot en met 11 september 2011.
Bij besluit van 31 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten I tot en met VIII ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.
Verweerder heeft een stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken LEE 17/3459, LEE 17/3469 en
LEE 17/3474, plaatsgevonden op 28 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In de zaken LEE 17/3459, LEE 17/3469 en LEE 17/3474 wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft partijen bericht dat uiterlijk op 5 oktober 2018 uitspraak wordt gedaan.
Overwegingen
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Eiser heeft een uitkering op grond van de WW ontvangen over de periode van
2 september 2013 tot en met 5 juli 2015 en van 23 januari 2017 tot en met 26 februari 2017. Over de perioden van 14 september 2009 tot en met 11 september 2009, van 10 februari 2014 tot en met 14 december 2014 en van 6 juli 2015 tot en met 24 januari 2017 heeft hij een uitkering op grond van de ZW ontvangen. Van 8 september 2011 tot en met 22 januari 2013 heeft eiser een uitkering op grond van de Wet WIA ontvangen. Deze uitkeringen ontleende eiser aan dienstverbanden met [naam bedrijven]
1.2.
Naar aanleiding van een verzoek van een arbeidsdeskundige aan verweerder om de dienstbetrekkingen van eiser waaruit de uitkeringsrechten zijn ontstaan te onderzoeken, hebben twee themaonderzoekers van verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiser verleende uitkeringen op grond van de WW, de ZW en de Wet WIA. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het onderzoeksrapport werknemersfraude “Arizona” van 13 maart 2017. In dit rapport is vastgesteld dat niet is gebleken dat de door eiser gestelde werkzaamheden zijn verricht en dat evenmin is gebleken dat er enige vorm van gezag is uitgeoefend. Op basis daarvan is geconcludeerd dat het niet aannemelijk is geworden dat er een dienstbetrekking heeft bestaan tussen eiser en [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] . Dit heeft geleid tot verweerders onder het procesverloop weergegeven besluitvorming.
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser op
10 september 2009 en 2 september 2013 en daarmee in de periodes in geding niet verzekerd was voor de WW, de ZW en de Wet WIA, omdat hij niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam is geweest voor [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] .
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op hetgeen hij in dat verband heeft aangevoerd, zal de rechtbank in het navolgende ingaan.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
Geschil
22 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:878).
4.2.
Bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om voor eiser belastende besluiten, waarbij het in beginsel aan verweerder is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. De rechtbank wijst op de uitspraak van de CRvB van 9 augustus 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2463). Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat verweerder feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat ten tijde in geding geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen eiser en [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] . Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser ten tijde hier van belang geen dienstbetrekking in de zin van de WW, de ZW en de Wet WIA heeft vervuld, dan ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
4.3.
Eiser heeft aangevoerd dat er geen concrete aanleiding bestond voor het opstarten van het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan hem verstrekte uitkeringen en dat het onderzoek is gestart vanwege een strafzaak tegen hem. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt hierover dat, gelet op wat daarover in het onder 1.2 genoemde onderzoeksrapport is opgenomen, er wel een voldoende concrete aanleiding was voor het starten van onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte uitkeringen. Ter zitting heeft verweerder daarover overtuigend naar voren gebracht dat het onderzoek is gestart op grond van gegevens uit de systemen en gerezen twijfels over de dienstverbanden, en dat de strafzaak daarvan slechts een onderdeel was. De rechtbank volgt verweerder daarin.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is, anders dan eiser heeft gesteld, het door verweerder verrichte onderzoek naar (het bestaan van) de dienstbetrekkingen van eiser bij [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] . en de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte uitkeringen voldoende zorgvuldig en toereikend geweest. Voor dat oordeel is van belang dat het onderzoek van verweerder onder meer heeft bestaan uit onderzoek bij de Belastingdienst, het raadplegen van Suwinet en de polisadministratie, het opvragen van bankafschriften van [naam bedrijf 2] , het horen van getuigen, het vorderen van inzage bij Marktplaats in aangeboden advertenties en bij de RDW in de auto’s die op naam van [naam bedrijf 2] . hebben gestaan. Tevens zijn diverse documenten, zoals loonstroken en rekeningafschriften, bestudeerd en is eiser gehoord. Anders dan eiser heeft betoogd, was verweerder niet (meer) gehouden onderzoek ter plaatse te verrichten omdat reeds voldoende feiten en gegevens waren vergaard. De beroepsgrond van eiser dat het door verweerder verrichte onderzoek naar de dienstverbanden zeer summier is geweest, treft geen doel.
4.5.
De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn stelling dat de door verweerder uit de onderzoeksgegevens getrokken conclusies louter zijn gebaseerd op vermoedens dan wel op algemene en indirecte aanwijzingen, reeds omdat daarvoor in het onderzoeksrapport geen aanknopingspunten zijn te vinden. Bovendien heeft eiser niet aangegeven wat die vermoedens of indirecte aanwijzingen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de conclusies die verweerder heeft getrokken op basis van het verrichte onderzoek, inzichtelijk, begrijpelijk en consistent. Anders dan door eiser is betoogd, heeft verweerder zijn standpunt dat eiser ten tijde in geding geen werkzaamheden heeft verricht voor [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] . niet enkel gebaseerd op het strafvonnis van de Noordelijke Fraudekamer van deze rechtbank van 16 december 2014. In dat verband heeft verweerder ter zitting overtuigend naar voren gebracht dat de conclusie dat geen sprake was van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen niet enkel is gebaseerd op het strafvonnis. Aan de beroepsgronden die zien op het strafvonnis gaat de rechtbank dan ook voorbij, omdat dat vonnis in het kader van de besluitvorming niet van doorslaggevend belang is geweest.
4.6.
De rechtbank is voorts van oordeel dat, anders dan eiser heeft betoogd, verweerder op grond van de gegevens uit het ingestelde onderzoek voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er ten tijde in geding geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiser en [bedrijfsnaam] en er sprake was van een gefingeerd dienstverband, en dat eiser zodoende niet verzekerd was voor de WW, de ZW en de Wet WIA. Hiertoe acht de rechtbank in de eerste plaats van belang dat uit de inhoud van het onderzoeksrapport niet duidelijk is wie (daadwerkelijk) bestuurder was in de periode dat eiser bij [naam bedrijf 3] werkzaamheden zou hebben verricht. Eiser heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Verder neemt de rechtbank mee dat eiser tijdens het op 4 januari 2017 gehouden gesprek op de vraag of hij kan aangegeven om wat voor dienstverband met [naam bedrijf 1] het ging, heeft geantwoord dat hij daar niets meer van weet, dat [naam bedrijf 3] eiser niets zegt en dat hij heeft verklaard dat het zou kunnen dat hij werkzaamheden voor [naam bedrijf 3] heeft verricht. Ook op de vraag wat voor werkzaamheden het dan waren, heeft eiser geantwoord dat hij dat niet meer precies weet. Hoewel eiser tijdens het gesprek op verschillende momenten is gevraagd concreet te beschrijven wat voor werkzaamheden hij bij [naam bedrijf 3] heeft verricht, is die beschrijving op die momenten, en ook ter zitting van de rechtbank, vaag gebleven. Zeker in het licht van het gegeven dat eiser gedurende zijn gestelde werkzaamheden ten val zou zijn gekomen als gevolg waarvan hij rug- en maagklachten heeft gekregen, en die val, naar eiser stelt, een grote impact heeft gehad op zijn leven, valt niet in te zien dat eiser niet meer weet of hij heeft gewerkt voor [naam bedrijf 3] Gegeven die omstandigheden had van eiser mogen worden verwacht dat hij zich kan herinneren of hij voor [naam bedrijf 3] heeft gewerkt. Eisers verklaring dat het allemaal lang geleden is en dat het moeilijk is om alles uit elkaar te houden, acht de rechtbank niet overtuigend.
4.7.
De rechtbank volgt ook het standpunt van verweerder dat niet aannemelijk is dat eiser ten tijde in geding tot [naam bedrijf 2] . in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond, dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband en dat hij om die reden niet verzekerd was. Daarbij is van belang dat bij de Kamer van Koophandel geen jaarrekeningen zijn gedeponeerd en dat bij de Belastingdienst nooit omzet is aangegeven, waaruit verweerder kon afleiden dat het niet waarschijnlijk is dat [naam bedrijf 2] . in de periode in geding economisch actief is geweest. Eiser heeft het tegendeel niet met (bewijs)stukken noch anderszins aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat eiser tijdens het gesprek heeft verklaard dat er ten tijde van belang op het woonadres geen werkzaamheden werden verricht door [naam bedrijf 2] . en dat de vennootschap zou zijn ondergebracht binnen het [naam autobedrijf] . Verder neemt de rechtbank mee dat ook uit de zakelijke bankrekening van [naam bedrijf 2] . niet blijkt dat in de relevante periode omzet is gerealiseerd, dat uit gegevens van de RDW blijkt dat [naam bedrijf 2] . geen kentekens op naam heeft gehad en dat er geen loonbetalingen richting eiser zijn gedaan vanaf de zakelijke bankrekening. Eiser heeft daar geen afdoende verklaring voor kunnen geven. Eiser heeft weliswaar salarisspecificaties overgelegd, maar heeft geen enkel bewijs verstrekt van de betalingen of de ontvangst daarvan, terwijl volgens de salarisspecificaties betalingen zijn gedaan op een rekeningnummer.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Maring, voorzitter, en mr. K. Wentholt en
mr. D.W.J. Vinkes, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2018.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.